Használati útmutató Opel GT (2007)
Olvassa el alább 📖 a magyar nyelvű használati útmutatót Opel GT (2007) (266 oldal) a autó kategóriában. Ezt az útmutatót 7 ember találta hasznosnak és 2 felhasználó értékelte átlagosan 4.5 csillagra
Oldal 1/266

INSTRUCTIEBOEK
Alfa
604.31.655 NL

1
Geachte cliënt,
Hartelijk dank dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen.
Uw Alfa GT is ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier te garanderen.
Dit instructieboekje helpt u snel vertrouwd te raken met de eigenschappen en de werking van uw auto.
De volgende pagina’s bevatten de volledige informatie waarmee u maximaal kunt profiteren van uw . Bovendien zult u belang-Alfa GT
rijke aanwijzingen vinden voor uw veiligheid, het in conditie houden van de auto en milieubewust autorijden.
In het boekje “Alfa tot uw dienst” vindt u het garantiecertificaat, de bijbehorende voorwaarden en een overzicht van de speciale aanvullen-
de service voor Alfa Romeo-cliënten.
Belangrijke en waardevolle dienstverlening. Want wie een Alfa Romeo koopt, koopt niet alleen een auto, maar ook de rust van een uitge-
breide ondersteuning en een efficiënte, snelle en wijdvertakte organisatie.
Wij herinneren u er bovendien aan dat Alfa Romeo hard heeft gewerkt een zeer ambitieus doel te bereiken: 100% recycling. Als uw Alfa
GT buiten gebruik moet worden gesteld, zorgt Alfa Romeo ervoor dat dit op milieuvriendelijke wijze gebeurt en dat alle materialen gerecy-
cleerd worden (volgens de wettelijke normen).
Voor het milieu heeft dat grote voordelen: niets gaat verloren, niets wordt gestort en er zijn minder nieuwe grondstoffen nodig.
Veel leesplezier. En goede reis.
In dit instructieboekje worden alle uitvoeringen van de beschreven. U dient zich aan de informatie teAlfa GT
houden met betrekking tot de uitrusting, de motoruitvoering en het model van de auto die u gekocht hebt.

2
ABSOLUUT LEZEN!
BRANDSTOF TANKEN
Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON.
JTD-motoren: tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen conform de Europese specificatie EN590. Het gebruik van ande-
re producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben.
MOTOR STARTEN
Benzinemotoren met handgeschakelde versnellingsbak: controleer of de handrem is aangetrokken; zet de
versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal volledig in, maar trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de start-/
contactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
Benzinemotoren met Selespeed versnellingsbak: trap het rempedaal volledig in; draai vervolgens de start-/con-
tactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat; de versnellingsbak staat automatisch in de vrij-
stand (op het display wordt N aangegeven).
JTD-motoren: MARDraai de start-/contactsleutel in stand en wacht tot de waarschuwingslampjes
Y
en
m
doven;
draai de start-/contactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN
Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven gras, droge
bladeren, dennennaalden of ander brandbaar materiaal: brandgevaar.
K

3
ELEKTRISCHE APPARATUUR
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ontla-
den), wendt u dan tot de Alfa Romeo-dealer. Deze kan controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor
het extra stroomverbruik.
쇵
CODE-CARD
Bewaar de CODE-card op een veilige plaats, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-
card te noteren en altijd bij u te hebben, omdat deze onmisbaar is voor het uitvoeren van een noodstart.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD
Bedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van de auto geduren-
de langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploitatiekosten laag.
IN HET INSTRUCTIEBOEKJE....
…vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het onderhoud van uw
auto. Let vooral op de symbolen
"
(veiligheid van de inzittenden)
#
(bescherming van het milieu)
â
(conditie van de
auto).
BESCHERMING VAN HET MILIEU
De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van invloed zijn op
de uitlaatgasemissie zodat overmatige vervuiling van het milieu wordt voorkomen.
U

4
Bij vragen of problemen op servicegebied dient u zich bij voorkeur te wenden tot de dealer die de auto heeft verkocht, hoewel u voor onder-
houd of reparatie natuurlijk op ieder erkend Alfa Romeo-servicepunt een beroep kunt doen.
Service- en garantiehandleiding
Bij elke nieuwe auto ontvangt de eigenaar het boekje “Alfa tot uw dienst”, waarin alle diensten zijn omschreven waar u recht op hebt. In het
boekje is ook het garantiecertificaat opgenomen met een complete vermelding van de bijbehorende voorwaarden. Verder treft u in dit boek-
je een schema aan voor het registreren van de uitgevoerde onderhoudsbeurten.
Wij adviseren u de voorgeschreven onderhoudsbeurten tijdig door een Alfa Romeo-dealer te laten uitvoeren. Regelmatig onderhoud is een
essentiële voorwaarde voor een lange levensduur van de diverse mechanische componenten en zorgt ervoor dat uw Alfa Romeo voortdurend
optimale prestaties levert bij een laag brandstofverbruik. Naleving van de onderhoudsvoorschriften is ook vereist om aanspraak op garan-
tie te kunnen maken.
Servicegids
Deze bevat de lijst met Alfa Romeo-dealers. De officiële dealers zijn te herkennen aan borden met het embleem en de naam van Alfa Romeo.
De Alfa Romeo-organisatie in Italië kan ook worden gevonden onder de “A” van Alfa Romeo in het telefoonboek.
Niet alle uitvoeringen, die in dit instructieboekje worden beschreven, worden in alle landen verkocht. Slechts enkele hier beschreven acces-
soires worden standaard op de auto gemonteerd. Controleer bij uw dealer de lijst met beschikbare accessoires.

5
DE SYMBOLEN IN DIT BOEK
Op deze pagina zijn de symbolen afgebeeld die in dit boekje worden gebruikt
om de aandacht te richten op een bepaald onderwerp.
Aanwijzing voor het juiste gedrag,
zodat het gebruik van de auto zo min
mogelijk schade aan het milieu oplevert.
Let op. Het niet of gedeeltelijk
opvolgen van deze instructies kan gevaar
opleveren voor de inzittenden.
Let op. Het niet of gedeeltelijk opvolgen
van deze instructies schaadt de conditie
van de auto en zal in veel gevallen ook
de garantie doen vervallen.
VEILIGHEID VAN
DE INZITTENDEN
BESCHERMING VAN
HET MILIEU
CONDITIE VAN
DE AUTO
De teksten, afbeeldingen en technische gegevens in dit boekje zijn gebaseerd op de stand van zaken bij het ter perse gaan.
In het voortdurende streven de kwaliteit van haar producten te verbeteren, behoudt Alfa Romeo zich het recht voor te allen tijde,
zonder voorafgaande kennisgeving, wijzigingen in de technische specificatie en de uitrusting door te voeren.
Wendt u voor meer informatie tot een Alfa Romeo-dealer.

WEGWIJS IN UW AUTO
6
ALFA ROMEO CODE
Voor een nog betere bescherming tegen
diefstal is de auto uitgerust met een elek-
tronische startblokkering (Alfa Romeo
CODE). Het systeem schakelt automatisch
in als de start-/contactsleutel wordt uitge-
nomen. In de handgreep van de sleutels
bevindt zich een elektronisch component,
die bij het starten van de motor een sig-
naal ontvangt via een speciale antenne
die in het start-/contactslot is ingebouwd.
Dit signaal wordt omgezet in een geco-
deerd signaal en vervolgens aan de regel-
eenheid van de Alfa Romeo CODE gezon-
den, die, als de code wordt herkend, het
starten van de motor mogelijk maakt.
DE SLEUTELS
Bij de auto worden de twee sleutels (A-
fig. 2) geleverd met metalen baard en
afstandsbediening.
De afstandsbediening van de sleutel
dient voor:
– het centraal ont-/vergrendelen van de
portieren
– het openen van de achterklep
– het uit-/inschakelen van het elektro-
nische diefstalalarm (indien aanwezig)
– het openen/sluiten van de ruiten
(voor bepaalde uitvoeringen/markten).
W
W
W
WW
W
W
W
WWE
E
E
EE
E
E
E
EEG
G
G
GG
G
G
G
GGW
W
W
WW
W
W
W
WWI
I
I
II
I
I
I
IIJ
J
J
JJ
J
J
J
JJS
S
S
SS
S
S
S
SS
I
I
I
II
I
I
I
IIN
N
N
NN
N
N
N
NN
U
U
U
UU
U
U
U
UUW
W
W
WW
W
W
W
WW
A
A
A
AA
A
A
A
AAU
U
U
UU
U
U
U
UUT
T
T
TT
T
T
T
TTO
O
O
OO
O
O
O
OO
fig. 2
A0A0002b
fig. 1
A0A00621b
SYMBOLEN
Op of in de nabijheid van enkele onderdelen
van uw
Alfa GT
zijn plaatjes met een
bepaalde kleur aangebracht met daarop sym-
bolen die uw aandacht vragen en die voor-
zorgsmaatregelen aangeven die u in acht
moet nemen als u met het betreffende onder-
deel te maken krijgt.
Onder de motorkap bevindt zich een plaatje
met een korte samenvatting van de symbo-
len (fig.1).

WEGWIJS IN UW AUTO
7
De metalen baard van de sleutel dient
voor:
– het start-/contactslot
– het slot in het bestuurdersportier en
(optional voor bepaalde uitvoeringen/
markten) het slot van het passagierspor-
tier
– de uitschakeling van de frontairbag
aan passagierszijde
BELANGRIJK Om schade aan de elek-
tronische schakelingen in de sleutels te
voorkomen, mogen de sleutels niet aan
directe zonnestraling worden blootgesteld.
Bij de sleutels wordt een CODE-card
(fig. 3) geleverd waarop de codes van
de sleutels staan aangegeven (zowel de
mechanische als de elektronische voor het
uitvoeren van een noodstart).
De codes op de CODE-card moeten op
een veilige plaats worden opgeborgen,
maar niet in de auto.
Wij raden u aan de elektronische code
van de CODE-card te noteren en altijd bij u
te hebben, omdat deze onmisbaar is voor
het uitvoeren van een noodstart.
SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIE-
NING
De sleutel met afstandsbediening (fig.
4) is uitgerust met:
– metalen baard ( ) die in de hand-A
greep van de sleutel kan worden opgebor-
gen
– knopje (B) voor het uitklappen van de
metalen baard
– knopje (C) voor het op afstand ont-
grendelen van de portieren en het uitscha-
kelen van het diefstalalarm
– knopje (D) voor het op afstand ver-
grendelen van de portieren en het inscha-
kelen van het diefstalalarm
– knopje ( ) voor het openen opE
afstand van de achterklep
– uittrekbare bevestigingsring (F).
fig. 3
A0A0003b
Als de auto wordt ver-
kocht, moeten alle sleu-
tels en de CODE-card
overhandigd worden aan de nieu-
we eigenaar.
fig. 4
A0A0600b

WEGWIJS IN UW AUTO
8
Druk de knop B alleen in
als de sleutel ver genoeg
van het lichaam (speciaal
de ogen) en van voorwerpen die
snel beschadigen (bijvoorbeeld
kledingstukken) is verwijderd.
Laat de sleutel nooit onbeheerd
achter. Hiermee voorkomt u dat
iemand (dit geldt in het bijzonder
voor kinderen) per ongeluk op de
knop drukt.
ACHTERKLEP OPENEN
De achterklep kan van buitenaf worden
geopend met de afstandsbediening door het
knopje (E) op de sleutel in te drukken, ook
als het diefstalalarm is ingeschakeld. Als de
achterklep wordt ontgrendeld, knipperen de
richtingaanwijzers twee keer; bij vergrende-
ling knipperen de richtingaanwijzers één
keer.
Als bij auto’s met diefstalalarm de ach-
terklep wordt geopend, dan worden de
omtrekbeveiliging en de achterklepsensor
uitgeschakeld en het systeem geeft
(behalve bij sommige uitvoeringen in
enkele landen) twee geluidssignalen
(“BIEP”).
Als de achterklep weer wordt gesloten,
dan worden de functies hersteld en geeft
het systeem (behalve bij sommige uitvoe-
ringen in enkele landen) twee geluidssig-
nalen (“BIEP”).
De metalen baard ( ) van de sleutel dientA
voor:
– het start-/contactslot
– het slot in het bestuurdersportier en
(optional voor bepaalde uitvoeringen/-
markten) het slot van het passagiersportier
– de sleutelschakelaar voor uitschakeling
van de airbag aan passagierszijde
Druk voor het uitklappen van de metalen
baard in de handgreep op knop (B).
Gebruik voor het uittrekken van de beves-
tigingsring ( ) een dunne stift (bijv: een bal-F
pen) en verplaats de ring in de richting van
de pijl.
Voor het inklappen van de metalen
baard in de handgreep moet u:
– het knopje (B) indrukken en inge-
drukt houden
– de metalen baard (A) bewegen
– het knopje (B) loslaten en de metalen
baard ( ) draaien totdat hij op de juisteA
wijze is ingeklapt en vergrendeld.
Druk voor het op afstand ontgrendelen
van de portieren op het knopje ( ), waar-C
na de portieren ontgrendelen en de rich-
tingaanwijzers twee keer knipperen. Druk
voor het op afstand vergrendelen van de
portieren op het knopje ( ), waarna deD
portieren vergrendelen en de richtingaan-
wijzers één keer knipperen. Als na het
indrukken van knop (C) de portieren ont-
grendeld zijn en binnen 60 seconden één
van de portieren of de achterklep niet ge-
opend wordt, dan worden alle sloten door
het systeem automatisch opnieuw vergren-
deld.
Bij auto’s met elektronisch diefstalalarm
wordt dit alarm door het indrukken van
knop ( ) uitgeschakeld en door hetC
indrukken van knop (D) ingeschakeld.

WEGWIJS IN UW AUTO
9
Als tijdens het opslaan
van een nieuwe sleutelco-
de de reeds opgeslagen
sleutelcodes niet opnieuw wor-
den ingevoerd, worden ze uit het
geheugen gewist, zodat eventu-
eel verloren of gestolen sleutels
niet meer gebruikt kunnen wor-
den voor het starten van de
motor.
WERKING
Iedere keer als u de contactsleutel in
stand STOP zet, dan schakelt de Alfa
Romeo CODE de functies van de elektroni-
sche regeleenheid van de motor uit.
Als u bij het starten van de motor de
sleutel in stand draait, dan stuurtMAR
het Alfa Romeo CODE-systeem een code
naar de regeleenheid van de motor die,
als de code wordt herkend, de blokkering
van de functies opheft. De geheime, ver-
sleutelde en variabele code wordt door de
sleutel verzonden en heeft meer dan 4
miljard combinaties. De code wordt alleen
verzonden als de regeleenheid van het
systeem de code heeft herkend via een in
het start-/contactslot ingebouwde anten-
ne.
BELANGRIJK Het Alfa Romeo CODE-
controlelampje (
Y
) kan tijdens het rijden
gaan branden als de contactsleutel in
stand staat:MAR
1) Als het lampje gaat branden, dan con-
troleert het systeem zichzelf (bijv. bij een
vermindering van de spanning). Zodra de
auto stilstaat kan de systeemtest worden
uitgevoerd: zet de motor uit, draai de con-
tactsleutel in stand STOP en vervolgens
weer in stand : het lampje gaatMAR
branden en moet na ongeveer 1 seconde
doven. Als het controlelampje blijft bran-
den, dan moet de gehele procedure her-
haald worden, waarbij de contactsleutel
ten minste 30 seconden in stand STOP
moet blijven. Als de storing blijft bestaan,
dan moet u zich tot de Alfa Romeo-dealer
wenden.
Als bij het starten de code niet wordt her-
kend, gaat op het instrumentenpaneel het
Alfa Romeo CODE-lampje (
Y
) branden.
In dit geval raden wij u aan de sleutel in
stand STOP en vervolgens weer in stand
MAR te draaien; als het lampje nog
steeds blijft branden, probeer het dan met
de andere geleverde sleutel. Als de motor
nog niet aanslaat, voer dan zelf een nood-
start uit (zie “Noodstart” in het hoofdstuk
“Noodgevallen”) en wendt u tot de Alfa
Romeo-dealer.
BELANGRIJK Elke sleutel heeft een
eigen code die in de regeleenheid van het
systeem moet worden opgeslagen. Voor
het opslaan van nieuwe sleutels (maxi-
maal acht) moet u zich tot de Alfa Romeo-
dealer wenden. Hierbij moeten alle in uw
bezit zijnde sleutels, de CODE-card, een
identiteitsbewijs en het kentekenbewijs
worden meegenomen.

WEGWIJS IN UW AUTO
10
2) Als bij uitvoeringen zonder instelbaar
multifunctioneel display, het lampje knip-
pert, dan wordt de auto niet beveiligd
door het startblokkeringssysteem. Deze
situatie wordt bij auto’s met instelbaar
multifunctioneel display aangegeven door
een brandend lampje in combinatie met
de boodschap: “CODESYSTEEM NIET GEPRO-
GRAMMEERD”. Wendt u direct tot de Alfa
Romeo-dealer om alle sleutels in het
geheugen te laten opslaan.
Als de sleutel circa 2
seconden in stand MAR
staat en het CODE-con-
trolelampje (
Y
) gaat knipperen
bij uitvoeringen zonder instelbaar
multifunctioneel display of dit
controlelampje gaat knipperen in
combinatie met de boodschap
“ -CODESYSTEEM NIET GEPROGRAM
MEERD” bij uitvoeringen met
instelbaar multifunctioneel dis-
play, dan zijn de sleutelcodes niet
opgeslagen en wordt de auto niet
door de Alfa Romeo CODE tegen
diefstal beschermd. Wendt u
direct tot een Alfa Romeo-dealer
om de sleutelcodes te laten
opslaan.
BATTERIJ VAN DE SLEUTEL
VERVANGEN
Als u knop (Bof C-fig. 6) indrukt en
de afstandsbediening voert geen enkele
actie uit, dan moet de batterij worden ver-
vangen door een nieuw exemplaar dat
normaal in de handel verkrijgbaar is.
Lege batterijen zijn
schadelijk voor het milieu.
Ze moeten in daarvoor
bestemde containers worden
gedeponeerd. Vermijd blootstel-
ling aan open vuur en hoge tem-
peraturen. Houd ze buiten het
bereik van kinderen.
fig. 5
A0A0603b
Ga voor het vervangen van de batterij als
volgt te werk:
– druk op knop ( ) en klap deA-fig. 5
metalen baard ( ) uit;B
– draai het sluitmechanisme (C) m.b.v.
een kleine schroevendraaier en verwijder
de batterijhouder (D);
– vervang de batterij ( ) en let daarbijE
op de juiste polariteit;
– plaats de batterijhouder in de sleutel
en draai de sluiting ( ) vast.C

WEGWIJS IN UW AUTO
11
DIEFSTALALARM
BESCHRIJVING
Het systeem bestaat uit: een zender,
een ontvanger, een regeleenheid met sire-
ne en bewegingssensoren. Het diefstal-
alarm wordt bediend door een ontvanger
in de auto en wordt in- en uitgeschakeld
met de in de sleutel ingebouwde afstands-
bediening die een versleutelde, variabele
code verzendt. Het diefstalalarm contro-
leert: het onbevoegd openen van de por-
tieren, de achterklep en de motorkap
(omtrekbeveiliging), de bediening van het
start-/contactslot, het onderbreken van
de accukabels, het doorknippen van de
accukabels, de aanwezigheid van bewe-
gende objecten in het interieur (volumetri-
sche beveiliging) en het eventueel optil-
len/kantelen van de auto (bepaalde
uitvoeringen/markten). Het systeem
bedient ook de centrale portiervergrende-
ling. Bovendien kan de volumetrische
beveiliging worden uitgeschakeld.
BELANGRIJK De startblokkering
wordt uitgevoerd door de Alfa Romeo
CODE en wordt automatisch ingeschakeld
als de contactsleutel uit het start-/con-
tactslot wordt genomen.
De afstandsbediening is ingebouwd in de
sleutel en voorzien van de knoppen (B-
C-D-fig. 6) voor het uitvoeren van de
bijbehorende commando’s door het ver-
zenden van een code naar de ontvanger.
Deze code (rolling code) wijzigt telkens
als de zender wordt gebruikt.
EXTRA SLEUTELS MET
AFSTANDSBEDIENING BESTEL-
LEN
De ontvanger kan in totaal 5 sleutels
met ingebouwde afstandsbediening her-
kennen. Als u om welke reden dan ook
een nieuwe sleutel met afstandsbediening
nodig hebt, moet u zich tot de Alfa
Romeo-dealer wenden. Hierbij moeten de
CODE-card, een identiteitsbewijs en het
kentekenbewijs worden meegenomen.
ALARM INSCHAKELEN
Richt bij gesloten portieren, achterklep en
motorkap en de contactsleutel in stand
STOP PARKof (uitgenomen sleutel), de
sleutel met afstandsbediening in de rich-
ting van de auto. Druk vervolgens op het
knopje (C-fig. 6).
Bij de meeste uitvoeringen geeft het sys-
teem een akoestisch signaal (“BIEP”) en
wordt de portiervergrendeling ingescha-
keld.
Het inschakelen van het alarm wordt
voorafgegaan door een zelfdiagnose
waarin het lampje ( ) op hetA-fig. 7
dashboard met een afwijkende frequentie
knippert. Als het systeem een storing
vindt, dan klinkt nogmaals een akoestisch
waarschuwingssignaal.
fig. 6
A0A0601b
fig. 7
A0A0005b

WEGWIJS IN UW AUTO
13
WANNEER GAAT HET ALARM
AF
Bij ingeschakeld systeem wordt het alarm
in de volgende gevallen geactiveerd:
– als een van de portieren, de motorkap
of de achterklep wordt geopend;
– als de accu wordt losgekoppeld of de
elektrische bedrading wordt doorgesneden;
– als iets in het interieur komt, bijv. bij
het breken van de ruiten (volumetrische
beveiliging);
– bij een startpoging (contactsleutel in
stand MAR);
– optillen/kantelen van de auto (bepaal-
de uitvoeringen/markten).
Als het alarm in werking treedt, wordt,
afhankelijk van het land, de sirene geacti-
veerd en gaan de richtingaanwijzers knip-
peren (ongeveer 26 seconden). De wijze
waarop het systeem werkt en het aantal
cycli kunnen per land verschillen.
Toch is een maximum aantal cycli voor-
zien voor de akoestische en zichtbare sig-
nalen.
Na een alarmsignalering schakelt het sys-
teem over naar de normale bewakings-
functie.
VOLUMETRISCHE BEVEILIGING
Voor een correcte werking van de beveili-
ging moeten de ruiten en het eventuele
opendak geheel gesloten zijn.
De volumetrische beveiliging kan worden
uitgeschakeld (als er bijvoorbeeld dieren
aan boord blijven) door de volgende han-
delingen snel achter elkaar uit te voeren:
draai de contactsleutel van stand MAR in
stand STOP en direct daarna weer in
stand MAR en vervolgens opnieuw in
stand STOP. Neem vervolgens de sleutel
uit het slot.
Het lampje ( ) in de auto gaatA-fig. 7
ongeveer 2 seconden branden om de uit-
schakeling van de functie te bevestigen.
U schakelt de volumetrische beveiliging
weer in door de sleutel in stand MAR te
draaien en de sleutel langer dan 30 secon-
den in deze stand te houden.
Als u bij uitgeschakelde volumetrische
bewaking een elektrische installatie wilt
gebruiken die werkt met de contactsleutel
in stand MAR (bijv. de elektrische ruitbe-
diening), dan moet u de contactsleutel in
stand MAR draaien, de installatie bedie-
nen en de contactsleutel binnen 30 secon-
den weer in stand draaien. Op dezeSTOP
manier wordt de volumetrische beveiliging
niet opnieuw ingeschakeld.
ALARM BUITEN
WERKING STELLEN
Om het elektronische diefstalalarm bui-
ten werking te stellen (bijvoorbeeld als de
auto lange tijd wordt gestald), sluit dan de
auto volledig af door enkel de sleutel in
het slot te draaien.
MINISTERIËLE GOEDKEURING
In overeenstemming met de wetgeving
in ieder land ten aanzien van radiozend-
apparatuur staat, voor de landen waar
een zendmachtiging verplicht is, het toe-
latingsnummer op de component vermeld.
Afhankelijk van de uitvoering/markt kan
de code ook zijn aangebracht op de zen-
der en/of ontvanger.

WEGWIJS IN UW AUTO
14
START-/CONTACTSLOT
CONTACTSLOT
(
fig. 8
)
De sleutel kan in de volgende vier stan-
den worden gezet:
– STOP: motor uit, sleutel uitneem-
baar, startblokkering ingeschakeld, stuur-
slot vergrendeld en alle verbruikers, behal-
ve die met voeding niet via het contactslot
(bijv. waarschuwingsknipperlichten), uit-
geschakeld.
– MAR: contact aan. Startblokkering
uitgeschakeld en alle elektrische systemen
worden van voedingsspanning voorzien.
fig. 8
A0A0016b
Neem altijd de sleutel uit
het contactslot als de
auto wordt verlaten, om
onvoorzichtig gebruik van de
bedieningsknoppen door andere
inzittenden te voorkomen. Laat
kinderen nooit alleen achter in de
auto. Vergeet niet de handrem
aan te trekken en schakel de eer-
ste versnelling in bij een helling
omhoog of de achteruit bij een
helling omlaag.
Als het start-/contact-
slot is geforceerd (bijv. bij
een poging tot diefstal)
moet u, voordat u weer met de
auto gaat rijden, de werking van
het slot laten controleren bij een
Alfa Romeo-dealer.
BELANGRIJK Laat het slot niet in deze
stand staan als de motor is uitgeschakeld.
– AVV: stand zonder vergrendeling voor
het starten van de motor.
BELANGRIJKAls de motor niet aanslaat,
dan moet de sleutel eerst in stand STOP
worden gezet en vervolgens opnieuw een
startpoging worden ondernomen.
Het start-/contactslot is voorzien van een
beveiligingsmechanisme, waardoor het slot
niet in stand AVV kan worden gezet bij een
draaiende motor.
– PARK: motor uit, sleutel uitneembaar,
startblokkering ingeschakeld, stuurslot ver-
grendeld en buitenverlichting automatisch
ingeschakeld.
BELANGRIJK Om de sleutel in stand
PARK te zetten, moet de knop (A) op het
contactslot worden ingedrukt.

Het is streng verboden
om de-/montagewerk-
zaamheden uit te voeren,
waarvoor wijzigingen in de
stuurinrichting of de stuurkolom
vereist zijn (bijv. bij montage van
een diefstalbeveiliging). Hierdoor
kunnen de prestaties van het
systeem, de garantie en de vei-
ligheid in gevaar worden
gebracht en voldoet de auto niet
meer aan de typegoedkeuring.
WEGWIJS IN UW AUTO
15
STUURSLOT
Inschakelen:
– zet de sleutel in stand STOP of
PARK, trek de sleutel uit het start-/con-
tactslot en draai het stuur totdat het ver-
grendelt.
Uitschakelen:
– draai het stuur iets heen en weer, ter-
wijl u de sleutel in stand MAR draait.
Verwijder de sleutel
nooit uit het contactslot
als de auto nog in bewe-
ging is. Bij de eerste stuuruitslag
blokkeert het stuur automatisch.
Dit geldt in alle gevallen, ook als
de auto gesleept wordt.
PORTIEREN
Controleer voordat u een
portier opent of u dit op
een veilige manier kunt
doen.
VAN BUITENAF ONT-/VER-
GRENDELEN
Voorportieren
– Draai, om het portier te ontgrendelen,
de sleutel rechtsom bij het bestuurderspor-
tier en (indien van toepassing op bepaal-
de uitvoeringen/markten) linksom bij het
passagiersportier, verwijder de sleutel en
trek aan de hendel (A-fig. 9).
– Draai, om het portier te vergrendelen,
de sleutel in de andere richting.
fig. 9
A0A0017b
fig. 10
A0A0018b
VAN BINNENUIT
OPENEN/SLUITEN
Voorportieren
– Trek, voor het openen van het portier,
aan de handgreep (A-fig. 10).
– Trek, voor het sluiten van het portier,
het portier dicht; druk vervolgens, om te
voorkomen dat het portier van buitenaf
wordt geopend, de knop (A-fig. 11) op
het dashboard in; het bewakingslampje
(B) op de knop gaat geel branden om
aan te geven dat het vergrendelen is uit-
gevoerd.

De stoffen bekleding van
uw auto is langdurig
bestand tegen slijtage die
ontstaat bij een normaal gebruik
van de auto. Hevig en/of langdurig
wrijven met kledingaccessoires
zoals metalen gespen, sierknopen
en klittenbandsluitingen, moet ech-
ter absoluut worden vermeden
omdat hierdoor grote druk ontstaat
op een bepaalde plek op de bekle-
ding, waardoor deze plek kan slij-
ten en de bekleding beschadigd
wordt.
WEGWIJS IN UW AUTO
16
ZITPLAATSEN VOOR
CENTRALE PORTIERVERGREN-
DELING
Met de portiervergrendeling kunnen de
portieren gelijktijdig worden ver- en ont-
grendeld.
De centrale portiervergrendeling werkt
alleen als de portieren volledig zijn geslo-
ten. Als dat niet het geval is, dan wordt de
vergrendeling niet uitgevoerd.
BELANGRIJK Als de portieren centraal
zijn vergrendeld en een van de voorportie-
ren wordt van binnenuit geopend met de
handgreep, dan worden alle portieren ont-
grendeld.
Bij een onderbreking in de elektrische
voeding (doorgebrande zekering, losge-
koppelde accu enz.), kunnen de sloten
altijd met de hand worden vergrendeld.
fig. 11
A0A0019b
Alle afstellingen mogen
uitsluitend bij een stil-
staande auto worden uit-
gevoerd.
VERSTELLEN IN LENGTERICH-
TING
(
fig. 12
)
Trek de hendel (A) omhoog en schuif de
stoel naar voren of naar achteren: als u
rijdt, moeten de armen licht gebogen zijn
en de handen op het stuurwiel steunen.
fig. 12
A0A0602b
Laat de hendel los en
controleer of de stoel
goed geblokkeerd is door
deze naar voren en naar achteren
te schuiven. Als de stoel niet
goed geblokkeerd is, kan deze
onverwachts verschuiven, waar-
door u de controle over de auto
kunt verliezen.

WEGWIJS IN UW AUTO
17
CENTRALE ARMSTEUN (
fig. 13
)
De armsteun, waarmee enige uitvoerin-
gen zijn uitgerust, kan omhoog of omlaag
in de gewenste stand worden afgesteld.
Til voor het afstellen de armsteun iets op
en druk vervolgens op de ontgrendeling
(A).
De armsteun is voorzien van een inwen-
dig opbergvak. Open het deksel door op
vergrendeling ( ) te drukken om het vakB
te gebruiken.
RUGLEUNING OMKLAPPEN
(
fig. 12
)
Trek voor toegang tot de zitplaatsen ach-
ter aan handgreep (E), kantel de rugleu-
ning naar voren, waarbij tevens de stoel
vrij naar voren kan schuiven.
Door een stelmechanisme met geheugen
kan de stoel automatisch weer worden
teruggezet in de oorspronkelijke stand.
Als de rugleuning is teruggeklapt in de
normale gebruiksstand, controleer dan of
deze goed vergrendeld is, door te contro-
leren of de “rode band” op het bovenste
gedeelte van de handgreep (E) onzicht-
baar is. Als de “rode band” zichtbaar is, is
de rugleuning niet goed vergrendeld.
Controleer bovendien of de stoel goed
geblokkeerd is door deze naar voren en
naar achteren te duwen.
RUGLEUNINGVERSTELLING
(
fig.
12
)
Draai aan de knop ( ) totdat deC
gewenste stand is bereikt.
fig. 13
A0A0023b
LENDENSTEUNVERSTELLING
BESTUURDERSSTOEL
(
fig. 12
)
Draai aan de knop ( ) totdat deD
gewenste stand is bereikt.
HOOGTEVERSTELLING
BESTUURDERSSTOEL
(
fig. 12
)
Trek, voor het omhoog verplaatsen van
de stoel, de hendel ( ) omhoog. BeweegB
de hendel vervolgens op en neer, totdat
de gewenste zithoogte is bereikt en laat
de hendel los. Duw, voor het omlaag ver-
plaatsen van de stoel, de hendel (B)
omlaag. Beweeg de hendel vervolgens op
en neer, totdat de gewenste zithoogte is
bereikt en laat de hendel los.
BELANGRIJK De hoogte kan alleen
worden ingesteld als u op de bestuurders-
stoel zit.

WEGWIJS IN UW AUTO
18
OPBERGVAKKEN ACHTER
(
fig. 16
)
(bij bepaalde uitvoeringen/
markten)
De rugleuningen van de voorstoelen zijn
aan de achterzijde voorzien van een
opbergvak.
HOOFDSTEUNVERSTELLING
(
fig. 15
)
Om de veiligheid van de inzittenden te
vergroten, zijn de hoofdsteunen in hoogte
verstelbaar.
Verstellen: druk op knop ( ) en ver-A
plaats de hoofdsteun omhoog of omlaag
totdat hij hoorbaar vergrendelt.
BELANGRIJK De uitvoering van de
hoofdsteun kan afwijken, afhankelijk van
de uitvoering en het land. Het afgebeelde
model is alleen bedoeld om het afstellen
te illustreren.
fig. 15
A0A0604b
Let erop dat de hoofd-
steunen zo zijn ingesteld
dat ze het hoofd steunen
en niet de nek. Alleen in deze
positie bieden ze bescherming,
wanneer de auto van achteren
wordt aangereden.
fig. 16
A0A0026b
STOELVERWARMING
(
fig. 14
)
U kunt de stoelverwarming, die op
bepaalde uitvoeringen aanwezig is, in- en
uitschakelen met de schakelaar ( ) aanA
de buitenzijde van de stoel.
Het lampje (B) op de knop gaat bran-
den als deze functie wordt ingeschakeld.
fig. 14
A0A0024b

WEGWIJS IN UW AUTO
19
ZITPLAATSEN ACHTER
fig. 17
A0A0622b
Als u zware voorwerpen
in de bagageruimte ver-
voert en u ‘s nachts rijdt,
moet u controleren of de hoogte-
regelaars van de koplampen in de
juiste stand staan (zie de paragraaf
“Koplampen”).
fig. 18
A0A0605b
Hoedenplank verwijderen
Ga als volgt te werk:
– maak de uiteinden van de twee trek-
stangen ( ) voor de hoedenplankA-fig. 18
(B) los door de ogen (C) van de pennen (D)
te schuiven;
– maak de pennen (A-fig. 19) aan de
buitenzijde van de hoedenplank los uit de bij-
behorende zittingen ( ) in de zijsteunen enB
verwijder vervolgens de hoedenplank via de
buitenzijde.
fig. 19
A0A0255b
RUGLEUNING VAN VOOR-
STOEL OMKLAPPEN
Trek voor toegang tot de zitplaatsen achter
aan handgreep ( ), waardoor deA fig. 17
rugleuning naar voren kantelt en de stoel
vrij naar voren kan schuiven door tegen de
rugleuning te duwen.
Als de rugleuning wordt teruggeklapt,
dan schuift de stoel in de oorspronkelijke
stand terug (geheugenmechanisme).
Controleer of de stoel goed geblokkeerd
is door hem naar voren en naar achteren
te schuiven.
BAGAGERUIMTE VERGROTEN
De achterbank is in delen neerklapbaar,
zodat de bagageruimte volledig of gedeel-
telijk kan worden vergroot door één van
de delen afzonderlijk om te klappen,
waardoor diverse beladingsmogelijkheden
ontstaan aangepast aan het aantal inzit-
tenden op de achterbank.
De stoffen bekleding van
uw auto is langdurig
bestand tegen slijtage die
ontstaat bij een normaal gebruik
van de auto. Hevig en/of langdu-
rig wrijven met kledingaccessoi-
res zoals metalen gespen, sier-
knopen en klittenbandsluitingen,
moet echter absoluut worden ver-
meden omdat hierdoor grote druk
ontstaat op een bepaalde plek op
de bekleding, waardoor deze plek
kan slijten en de bekleding
beschadigd wordt.

WEGWIJS IN UW AUTO
20
– zet de hoofdsteunen in de hoogste
stand, druk beide knoppen (A-fig. 21)
naast de twee steunen in en trek de hoofd-
steunen omhoog uit de rugleuning;
– plaats de veiligheidsgordels opzij en
controleer daarbij of de gordelbanden niet
gespannen zijn of gedraaid zitten;
– trek de borghendels ( ) vanA-fig. 22
de rugleuningen omhoog en kantel de rug-
leuningen naar voren, zodat een vlakke
laadvloer (fig. 23) ontstaat.
fig. 21
A0A0607b
fig. 23
A0A0608 b
Maximale vergroting
Ga als volgt te werk:
– zorg dat de sluitingen van de zijgor-
dels zijn opgeborgen in de respectievelijke
uitsparingen op de rugleuning (A-fig.
20 B) en de gesp ( ) van de heupgordel in
de steun ( ) is geplaatst.C
– trek aan de handgrepen in het midden
van de zittingen en klap de zittingen naar
voren;
fig. 20
A0A0623b
fig. 22
A0A0608 b
BELANGRIJK Bij sommige uitvoerin-
gen/landen zijn in plaats van borghendels
drukknoppen aanwezig (één per zijde).
Om de rugleuningen te ontgrendelen en
naar voren te klappen moeten deze druk-
knoppen worden bediend.

WEGWIJS IN UW AUTO
21
Let erop dat de hoofd-
steunen zo zijn ingesteld
dat ze het hoofd steunen
en niet de nek. Alleen in deze
positie bieden ze bescherming,
wanneer de auto van achteren
wordt aangereden.
Gedeeltelijke vergroting
Ga voor het gedeeltelijk neerklappen als
volgt te werk:
– klap de gewenste zitting naar voren
met behulp van de lus in het midden van
de zitting;
– plaats de veiligheidsgordel opzij en
controleer of de gordel niet gespannen is
of gedraaid zit;
– trek de borghendel van de rugleuning
omhoog en kantel de rugleuning naar
voren.
Achterbank in de stand voor nor-
maal gebruik zetten
Ga als volgt te werk:
– plaats de veiligheidsgordels opzij en
controleer of de gordels niet gespannen
zijn of gedraaid zitten;
– plaats de rugleuningen omhoog en
druk de leuningen naar achteren, totdat
beide borgmechanismen hoorbaar inklik-
ken;
– houd de veiligheidsgordel voor de mid-
delste zitplaats omhoog en zet de zittin-
gen horizontaal.
HOOFDSTEUNEN VERSTELLEN
(
fig. 24
)
De auto kan zijn uitgerust met twee
hoofdsteunen voor de zijzitplaatsen achter
en, afhankelijk van de uitvoering, ook met
een derde hoofdsteun voor de middelste
zitplaats.
Voor het gebruik van de laatste moet de
hoofdsteun omhoog worden getrokken
vanuit stand (2) “niet gebruiken” totdat
stand ( ) “geheel uitgetrokken” is1
bereikt. Druk voor het terugplaatsen op
knop (A-fig. 21) en duw de hoofdsteun
omlaag in de stand “niet gebruiken”.
Alle hoofdsteunen achter kunnen worden
weggenomen.
fig. 24
A0A0610b
De bijzondere constructie van de hoofd-
steun verhindert dat de passagier achter
op de juiste wijze tegen de rugleuning kan
steunen; deze constructie is nuttig omdat
de passagier gedwongen wordt de hoofd-
steun voor gebruik omhoog te trekken.
BELANGRIJK Tijdens het gebruik van
de zitplaatsen achter moeten de hoofd-
steunen altijd in de stand “geheel uitge-
trokken” staan.

WEGWIJS IN UW AUTO
22
STUURWIEL
De stand van het stuurwiel kan door de
bestuurder zowel axiaal als verticaal wor-
den versteld.
Ontgrendel hiervoor de hendel (A-fig.
27) door de hendel in de richting van het
stuurwiel te trekken.
Zet het stuurwiel in de gewenste stand
en druk de hendel geheel naar voren.
BAGAGENET
(optional)
Het bagagenet ( ) is op bepaal-fig. 26
de uitvoeringen beschikbaar en dient voor
het vastzetten van lading en/of het trans-
port van lichte voorwerpen.
fig. 27
A0A0706b
Het stuurwiel mag
alleen worden versteld bij
een stilstaande auto.
CENTRALE ARMSTEUN
(
fig. 25
)
De armsteun ( ) (aanwezig op enkeleA
uitvoeringen) kan omlaag worden gezet,
zoals in de afbeelding is aangegeven.
fig. 26
A0A0624b
fig. 25
A0A0611b

WEGWIJS IN UW AUTO
23
SPIEGELS VERSTELLEN
BINNENSPIEGEL
De spiegel is voorzien van een beveili-
gingsmechanisme, waardoor de spiegel bij
een krachtige botsing losschiet. Met het
hendeltje ( ) kan de spiegel inA-fig. 28
twee standen worden gezet: normaal of
anti-verblindingsstand.
fig. 28
A0A0039b
Inklappen
(
fig. 30
)
– De spiegel kan (bijv. bij nauwe door-
gangen) worden ingeklapt van stand (A)
naar stand (B).
fig. 30
A0A0041b
Als u rijdt, moeten de
spiegels altijd in stand (A)
staan.
De spiegel aan de
bestuurderszijde is bol,
waardoor de afstands-
waarneming iets wordt beïn-
vloed.
BUITENSPIEGELS
Elektrische verstelling
(
fig. 29
)
– kies met de keuzeschakelaar (A) de
gewenste spiegel (rechts of links);
– plaats knop (B) in één van de vier
richtingen, waardoor de hiervoor gekozen
spiegel wordt versteld;
– zet de keuzeschakelaar ( ) in deA
middelste stand om de verstelling te blok-
keren.
BELANGRIJK Verstellen is alleen
mogelijk als de contactsleutel in stand
MAR staat.
fig. 29
A0A0040b

WEGWIJS IN UW AUTO
24
fig. 33
A0A0043b
ELEKTRISCHE RUITBE-
DIENING
BELANGRIJK Als de contactsleutel in
de stand staat of is uitgenomen,STOP
dan kunnen de ruiten nog ongeveer 3
minuten worden bediend. Als een portier
wordt geopend, dan wordt het systeem
echter onmiddellijk uitgeschakeld.
Bestuurderszijde
(
fig. 33)
Op het portierpaneel aan bestuur-
derszijde zijn de bedieningsschakelaars
gemonteerd waarmee u, als de contact-
sleutel in stand staat, de zijruitenMAR
bedient:
A - zijruit linksvoor
B - zijruit rechtsvoor.
Druk op de schakelaar om de ruit te
openen. Trek aan de schakelaar om de ruit
te sluiten.
Ontwaseming/ontdooiing
(
fig. 31-32
)
De elektrisch verstelbare buitenspiegels
zijn voorzien van verwarmingselementen,
die worden ingeschakeld als de achter-
ruitverwarming met de knop (A) wordt
ingeschakeld. Met de elementen worden
de spiegels ontwasemd of ontdooid.
BELANGRIJK De functie is voorzien
van een tijdschakeling, waardoor de func-
tie na enige minuten automatisch wordt
uitgeschakeld.
fig. 32
A0A0612b
fig. 31
A0A0042b

WEGWIJS IN UW AUTO
25
fig. 34
A0A0044b
Passagierszijde
(
fig. 34
)
Met de schakelaar ( ) kan de ruit aanA
de passagierszijde worden bediend.
De werking van de schakelaar en het
ruitmechanisme is gelijk aan de werking
van de ruit aan de bestuurderszijde.
Onzorgvuldig gebruik
van de elektrische ruitbe-
diening kan gevaarlijk
zijn. Controleer voor en tijdens
het bedienen van de ruit altijd of
de passagiers niet verwond kun-
nen worden door de bewegende
ruiten, hetzij direct door contact
met de ruit, hetzij door voorwer-
pen die door de ruit worden mee-
gesleept of geraakt.
Verwijder altijd de sleutel
uit het contactslot als u de
auto verlaat, om te voor-
komen dat een onverwachtse
inschakeling van de elektrische
ruitbediening gevaar oplevert voor
de achtergebleven passagiers.
Houd de schakelaar niet
ingedrukt als de ruit vol-
ledig is geopend of geslo-
ten.
BELANGRIJK De ruit aan de bestuur-
derszijde kan “automatisch” worden ge-
opend en gesloten. Hiervoor hoeft u de
boven- of onderzijde van de schakelaar
slechts kort in te drukken om de ruit
geheel te openen of te sluiten: de ruit stopt
in de gewenste stand als u de schakelaar
nogmaals kort aan de boven- of onderzijde
indrukt. De ruit aan passagierszijde kan
alleen “automatisch” worden geopend.

WEGWIJS IN UW AUTO
26
VEILIGHEIDSGORDELS
VEILIGHEIDSGORDELS
GEBRUIK VAN DE VEILIG-
HEIDSGORDELS
Ga goed rechtop zitten, steun tegen de
rugleuning en leg dan de gordel om.
Gordel vastmaken: druk de gesp
(A-fig. 35) in de sluiting (B) totdat hij
hoorbaar blokkeert. Als tijdens het uittrek-
ken van de gordel de rolautomaat blok-
keert, laat dan de gordel een stukje terug-
lopen en trek de gordel vervolgens weer
geleidelijk uit.
fig. 35
A0A0045b
De herstelprocedure moet op de volgen-
de wijze worden uitgevoerd bij gesloten
portieren:
1. open de ruit aan de bestuurderszijde
volledig door de bedieningsschakelaar nog
3 seconden ingedrukt te houden nadat de
uiterste stand (onderste aanslag) van de
ruit is bereikt;
2. sluit de ruit aan de bestuurderszijde
volledig door de bedieningsschakelaar nog
3 seconden ingedrukt te houden nadat de
uiterste stand (bovenste aanslag) van de
ruit is bereikt;
3. herhaal punt 1 en 2 ook bij de ruit
aan de passagierszijde;
4. controleer of de initialisatie correct is
uitgevoerd door te controleren of de auto-
matische werking van de ruiten goed
werkt.
Bij alle uitvoeringen kunt u, nadat de por-
tieren zijn ontgrendeld, de betreffende druk-
toets op de afstandsbediening ongeveer 2
seconden ingedrukt houden. Hierdoor ope-
nen de ruiten.
BELANGRIJK Als de voedingsspanning
van de regeleenheden onderbroken is ge-
weest (loskoppelen of vervangen van de ac-
cu en vervangen van de zekeringen voor de
elektrische ruitbediening), dan moet de au-
tomatische werking van de ruiten worden
hersteld (bepaalde uitvoeringen/markten).

WEGWIJS IN UW AUTO
28
De veiligheidsgordels achter moeten
worden omgelegd zoals is aangegeven in
het schema van fig. 38. Het fig. 39
geeft onjuist omgelegde gordels weer. Zie
voor het omklappen van de rugleuning de
beschrijvingen in de paragraaf “Bagage-
ruimte vergroten”.
BELANGRIJK Bedenk dat achterpas-
sagiers die geen gordel dragen, tijdens
een ernstig ongeval niet alleen zelf aan
gevaar worden blootgesteld maar ook
gevaar opleveren voor de inzittenden
voor.
GORDELSPANNERS
Voor een nog effectievere bescherming
zijn de veiligheidsgordels voor van de auto
voorzien van gordelspanners. Dit systeem
trekt bij een heftige botsing de gordel
enige centimeters aan. Op deze wijze
worden de inzittenden veel beter op hun
plaats gehouden en wordt de voorwaartse
beweging beperkt.
Het blokkeren van de veiligheidsgordel
geeft aan dat de gordelspanner in werking
is geweest; de gordel wordt niet meer
opgerold, ook niet als hij wordt begeleid.
BELANGRIJK Voor een maximale
bescherming door de gordelspanners moet
de veiligheidsgordel zo worden omgelegd
dat hij goed aansluit op borst en bekken.
fig. 39
A0A0387b
fig. 38
A0A0386b
fig. 37
A0A0686b
Veiligheidsgordels achter
Gordel vastmaken: trek de gordel zonder
te forceren uit de rolautomaat, zodat
wordt voorkomen dat de gordelband
draait, en steek vervolgens gesp (A-fig.
37 B) in sluiting ( ).
Gordel losmaken: druk op knop (E).

WEGWIJS IN UW AUTO
29
De gordelspanner werkt
slechts een maal. Als de
gordelspanners hebben
gewerkt, moet u zich tot de Alfa
Romeo-dealer wenden om de
spanners te laten vervangen. De
geldigheid van het systeem staat
vermeld op een plaatje dat zich op
het linker voorportier ter hoogte
van het slot bevindt: laat voor het
verstrijken van deze termijn het
systeem door de Alfa Romeo-
dealer vervangen.
Werkzaamheden waar-
bij stoten, sterke trillin-
gen of verhitting (maxi-
maal 100°C gedurende ten hoog-
ste 6 uur) optreden, kunnen de
gordelspanners beschadigen of
activeren: bij die omstandigheden
horen niet trillingen die voortge-
bracht worden door een slecht
wegdek of door contacten met
kleine obstakels zoals trottoirs.
Wendt u altijd tot de Alfa Romeo-
dealer.
fig. 40
A0A0675b
TREKKRACHTBEGRENZERS
Om de bescherming van de inzittenden
bij een ongeval te vergroten, zijn de oprol-
automaten van de gordels voor en achter
(indien aanwezig) voorzien van trek-
krachtbegrenzers die tijdens een frontale
aanrijding de piekbelasting op de borst en
schouders beperken.
ALGEMENE OPMERKINGEN
OVER HET GEBRUIK VAN VEI-
LIGHEIDSGORDELS
De bestuurder is verplicht zich te houden
aan de wettelijke voorschriften met
betrekking tot het verplichte gebruik van
de veiligheidsgordels (en de inzittenden
erop attent te maken).
Leg de veiligheidsgordel altijd om voor-
dat u vertrekt.
Ook vrouwen die in verwachting zijn moe-
ten een gordel dragen: ook voor hen
(zowel voor de aanstaande moeder als het
kind) is de kans op letsel bij een ernstig
ongeval kleiner als ze een gordel dragen.
Uiteraard moeten zwangere vrouwen het
onderste deel van de gordel meer naar
beneden omleggen, zodat de gordel over
het bekken en onder de buik langs loopt
(zoals in is aangegeven).fig. 40
Tijdens de werking van de gordelspanner
kan er een beetje rook ontsnappen. Deze
rook is niet schadelijk en duidt niet op
brand.
De gordelspanner behoeft geen enkel
onderhoud of smering. Elke verandering
van de oorspronkelijke staat zal de doel-
matigheid verminderen. Als de gordel-
spanner door extreme natuurlijke omstan-
digheden (bijv. overstromingen, zeestor-
men) met water en modder in contact is
geweest, dan moet de spanner worden
vervangen.

WEGWIJS IN UW AUTO
30
Het is streng verboden
onderdelen van de veilig-
heidsgordels of gordel-
spanners te demonteren of open
te maken. Werkzaamheden aan
de veiligheidsgordels en gordel-
spanners moeten worden uitge-
voerd door gekwalificeerd perso-
neel. Wendt u altijd tot de Alfa
Romeo-dealer.
BELANGRIJK De gordelband mag
nooit gedraaid zijn. Het diagonale gordel-
gedeelte moet via het midden van de
schouder schuin over de borst liggen. Het
horizontale gordelgedeelte moet over het
bekken ( ) en niet over de buik lig-fig. 41
gen. Gebruik geen voorwerpen (wasknij-
pers, klemmen enz.) die een goed aanslui-
ten van de gordel op het lichaam verhinde-
ren.
Voor maximale veilig-
heid moet u de rugleuning
rechtop zetten, tegen de
leuning aan gaan zitten en de
gordel goed laten aansluiten op
borst en bekken. Draag altijd vei-
ligheidsgordels zowel voor als
achter in de auto! Rijden zonder
veiligheidsgordels vergroot het
risico op ernstig letsel of dodelij-
ke afloop bij een ongeval.
fig. 41
A0A0673b
fig. 42
A0A0051b
BELANGRIJK Iedere gordel dient
slechts ter bescherming van een enkel per-
soon: gebruik de gordel niet voor een kind
dat bij een volwassene op schoot zit, waar-
bij de gordel beiden zou moeten bescher-
men (fig. 42). Plaats bovendien geen
enkel voorwerp tussen de gordel en het
lichaam van een inzittende.

WEGWIJS IN UW AUTO
31
HOE U DE VEILIGHEIDSGOR-
DELS IN OPTIMALE STAAT
HOUDT
Voor het juiste onderhoud van de veilig-
heidsgordels moeten de volgende aanwij-
zingen zorgvuldig worden opgevolgd:
– zorg dat de gordel goed uitgetrokken
en niet gedraaid is; controleer ook of de
oprolautomaat zonder haperingen werkt;
– vervang de gordels na een ongeval,
ook al zijn ze ogenschijnlijk niet bescha-
digd. Vervang de gordels ook als de gor-
delspanners in werking zijn geweest;
– u kunt de gordels met de hand was-
sen met warm water en een neutrale
zeep. Spoel ze uit en laat ze in de scha-
duw drogen. Gebruik geen bijtende, ble-
kende of kleurende middelen. Vermijd het
gebruik van alle chemische producten die
het weefsel van de gordel kunnen aantas-
ten;
– voorkom dat vocht in de oprolauto-
maat komt: de werking van de oprolauto-
maten is alleen gegarandeerd, als ze niet
nat zijn geweest;
– vervang de gordels bij tekenen van
slijtage of beschadigingen.
Als de gordel aan een
zware belasting wordt
blootgesteld (bijvoor-
beeld tijdens een ongeval), dan
moet de gordel samen met de
verankeringen, bevestigingspun-
ten en de gordelspanners worden
vervangen. Ook als de schade
niet zichtbaar is, dan kan de gor-
del toch verzwakt zijn.

WEGWIJS IN UW AUTO
32
KINDEREN VEILIG
VERVOEREN
Voor optimale bescherming bij een ongeval
moeten alle inzittenden zittend reizen en
beschermd worden door goedgekeurde vei-
ligheidssystemen. Dit geldt met name voor
kinderen.
Dit is een wettelijk voorschrift volgens
richtlijn 2003/20/EU in alle lidstaten
van de Europese Unie.
Het hoofd van kleine kinderen is in verhou-
ding met de rest van het lichaam groter en
zwaarder dan dat van volwassenen, terwijl
spieren en botstructuur nog niet volledig zijn
ontwikkeld. Daarom moeten kleine kinderen
door andere systemen beschermd worden
dan door de veiligheidsgordels.
De resultaten van het onderzoek over de
optimale bescherming van kleine kinderen
zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-
voorschriften die wettelijk verplicht zijn. De
systemen zijn onderverdeeld in vijf groepen:
Groep 0 gewicht tot aan 10 kg
Groep 0+ gewicht tot aan 13 kg
Groep 1 gewicht: 9 - 18 kg
Groep 2 gewicht: 15 - 25 kg
Groep 3 gewicht: 22 - 36 kg
Zoals u ziet is er een gedeeltelijke over-
lapping tussen de groepen; daarom zijn er
in de handel systemen verkrijgbaar die
geschikt zijn voor verschillende gewichts-
groepen. Alle systemen moeten zijn voor-
zien van de typegoedkeuring en van een
goed vastgehecht plaatje met het contro-
lemerk, dat absoluut niet mag worden ver-
wijderd.
Kinderen met een lengte van meer dan
1,50 m worden, met betrekking tot de vei-
ligheidssystemen, gelijkgesteld met volwas-
senen en moeten dan ook normaal de veilig-
heidsgordels omleggen. In het Alfa Romeo
Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes
opgenomen voor elke gewichtsgroep. Deze
zijn speciaal ontworpen en ontwikkeld voor
de Alfa Romeo-modellen.
Monteer absoluut geen
kinderzitje achterstevo-
ren op de passagiersstoel
voor als de frontairbag aan pas-
sagierszijde is ingeschakeld. Als
bij een ongeval de airbag in wer-
king treedt (opblaast), kan dit
ernstig letsel en zelfs de dood tot
gevolg hebben, ongeacht de
zwaarte van het ongeluk. Wij
raden u aan kinderen altijd in een
kinderzitje op de zitplaatsen ach-
ter te vervoeren, omdat die
plaatsen bij een ongeval de mees-
te bescherming bieden.
ZEER GEVAAR-
LIJK Als het abso-
luut noodzakelijk is
een kind op de passagiersstoel
voor te vervoeren, in een kinder-
zitje dat achterstevoren is
geplaatst, moet de frontairbag
aan de passagierszijde worden
uitgeschakeld met de sleutelscha-
kelaar. Controleer direct of de
airbag daadwerkelijk is uitge-
schakeld: het waarschuwings-
lampje Fop het instrumenten-
paneel moet continu branden (zie
de paragraaf “Frontairbag aan
passagierszijde”). Bovendien
moet de stoel zo ver mogelijk
naar achteren zijn geschoven om
te voorkomen dat het kinderzitje
eventueel in aanraking komt met
het dashboard.

WEGWIJS IN UW AUTO
33
GROEP 0 EN 0+ (
fig. 43
)
Kinderen tot 13 kg moeten in zitjes wor-
den vervoerd die achterstevoren zijn
geplaatst, waardoor het achterhoofd
wordt gesteund en bij plotseling remmen
de nek niet wordt belast.
Het wiegje moet op zijn plaats worden
gehouden door de veiligheidsgordel van
de auto, zoals in de afbeelding is aange-
geven, en het kind moet op zijn beurt
worden beschermd door de gordel van het
wiegje zelf.
GROEP 1 (
fig. 44
)
Kinderen met een gewicht tussen 9 en
18 kg moeten worden vervoerd in kinder-
zitjes met een kussen die naar voren zijn
gekeerd, waarbij de veiligheidsgordel van
de auto zowel het kinderzitje als het kind
op zijn plaats moet houden.
De afbeeldingen dienen
alleen ter illustratie van
de bevestiging. Houdt u
voor de montage van het kinder-
zitje aan de instructies. De fabri-
kant is verplicht deze instructies
bij te leveren.
Er bestaan kinderzitjes
die geschikt zijn voor de
gewichtsgroepen 0 en 1.
Deze kinderzitjes kunnen worden
bevestigd aan de veiligheidsgor-
dels achter en hebben zelf gor-
dels om het kind te beschermen.
Vanwege het gewicht kan het
gevaarlijk zijn als ze verkeerd
worden gemonteerd (bijvoor-
beeld als een kussen tussen het
kinderzitje en de veiligheidsgor-
dels van de auto wordt
geplaatst). Houdt u voor de mon-
tage strikt aan de bijgeleverde
instructies.
fig. 43
A0A0659b
fig. 44
A0A0660b

WEGWIJS IN UW AUTO
34
GROEP 2 (
fig. 45
)
Kinderen met een gewicht tussen 15 en
25 kg kunnen direct door de veiligheids-
gordels van de auto worden beschermd.
Kinderen moeten zo in de kinderzitjes
worden geplaatst, dat het diagonale gor-
delgedeelte schuin over de borst en niet
langs de nek ligt. Het horizontale gordel-
gedeelte moet over het bekken en niet
over de buik van het kind liggen.
GROEP 3 (
fig. 46
)
Bij kinderen met een gewicht tussen 22
en 36 kg is de borstomvang van dien aard
dat de kinderen gewoon tegen de rugleu-
ning kunnen steunen en niet meer in een
kinderzitje hoeven te worden vervoerd.
In de figuur wordt een voorbeeld gege-
ven van de juiste positie van het kind op
de achterbank.
Kinderen die langer zijn dan 1,50 m
kunnen net zoals volwassenen de veilig-
heidsgordels omleggen.
De afbeeldingen dienen
alleen ter illustratie van
de bevestiging. Houdt u
voor de montage van het kinder-
zitje aan de instructies. De fabri-
kant is verplicht deze instructies
bij te leveren.
fig. 45
A0A0661b
fig. 46
A0A0662b

WEGWIJS IN UW AUTO
35
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE KINDERZITJES
De auto voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EU-richtlijnen voor de montage van kinderzitjes op de
auto. Zie de tabel:
Legenda:
U = geschikt voor “Universele” kinderzitjes overeenkomstig de Europese ECE/R44-voorschriften voor de
Groep
Groep 0, 0+
Groep 1
Groep 2
Groep 3
Gewichtsgroepen
tot 13 kg
9-18 kg
15-25 kg
22-36 kg
Passagierszitplaats
voor
U
U
U
U
Zitplaatsen
achter
U
U
U
U
Middelste
zitplaats
U
U
U
U

WEGWIJS IN UW AUTO
36
Hieronder zijn de richtlijnen voor
een veilig vervoer van kinderen
aangegeven. U dient zich hieraan
te houden:
– Wij raden u aan de kinderzitjes altijd
op de zitplaatsen achter te monteren,
omdat die plaatsen bij een ongeval de
meeste bescherming bieden.
– Als de frontairbag aan passagierszijde
buiten werking wordt gesteld, moet
altijd gecontroleerd worden of de airbag
daadwerkelijk is uitgeschakeld: het
betreffende lampje
F
op het instrumen-
tenpaneel moet continu branden.
– Houdt u bij de montage van het kin-
derzitje strikt aan de instructies. De fabri-
kant is verplicht deze instructies bij te
leveren. Bewaar de instructies samen met
het instructieboekje in de auto. Monteer
geen gebruikte kinderzitjes waarvan de
gebruiksaanwijzingen ontbreken.
– Controleer of de gordels goed zijn
vastgemaakt door aan de gordelband te
trekken.
Monteer absoluut geen
kinderzitje achterste-
voren op de passagiers-
stoel voor als de frontairbag aan
passagierszijde is ingeschakeld.
Als bij een ongeval de airbag in
werking treedt (opblaast), kan
dit ernstig letsel en zelfs de dood
tot gevolg hebben, ongeacht de
zwaarte van het ongeluk. Wij
raden u aan kinderen altijd in een
geschikt kinderzitje op de zit-
plaatsen achter te vervoeren,
omdat die plaatsen bij een onge-
val de meeste bescherming bie-
den.
– Ieder veiligheidssysteem is bedoeld
voor slechts één kind: vervoer nooit twee
kinderen in één systeem.
– Controleer altijd of de gordel niet
langs de nek van het kind loopt.
– Zorg er tijdens de rit voor dat het kind
geen afwijkende houding aanneemt of de
gordels losmaakt.
– Vervoer kinderen nooit in uw armen,
ook geen pasgeboren kinderen. Niemand
is sterk genoeg om ze bij een ongeval
vast te houden.
– Na een ongeval moet het zitje door
een nieuw exemplaar worden vervangen.
MONTAGEVOORBEREI-
DING VOOR “ISO-
FIX”-KINDERZITJE
De achterbank van de auto is voorbe
op de montage van Isofix-kinderzitjes
nieuw gestandaardiseerd Europees s
teem voor het vervoeren van kinder
Isofix is een extra mogelijkheid die
gebruik van traditionele kinderzitjes
uitsluit. Het Isofix-kinderzitje is er
drie gewichtsgroepen: 0, 0+ en 1.
Vanwege het verschillende bevestigi
systeem moet het kinderzitje aan de da
voor bestemde beugels ( ) woA-fig. 47
den bevestigd. Deze bevinden zich tus
de rugleuning en zitting van de acht
bank.
fig. 47
A0A0671b

WEGWIJS IN UW AUTO
37
Monteer het kinderzitje
alleen als de auto stil-
staat. Het kinderzitje is
op de juiste wijze aan de beugels
bevestigd als u het hoort ver-
grendelen. Houdt u in ieder geval
aan de instructies voor de monta-
ge, de demontage en de plaat-
sing. De fabrikant van het kinder-
zitje is verplicht deze instructies
bij te leveren.
– duw tegen het kinderzitje totdat het
hoorbaar vergrendelt;
– controleer of het kinderzitje goed v
grendeld is door met kracht te probe
het kinderzitje te verplaatsen: de in
bouwde beveiligingsmechanismen ve
deren dat slechts een enkele bevestigin
haak is vergrendeld.
Er kan ook een mengvorm worden geko-
zen, een traditioneel kinderzitje links en
een Isofix-kinderzitje rechts.
Vanwege de verschillen in omvang, kun-
nen op de achterbank maximaal twee tra-
ditionele kinderzitjes worden gemonteerd
of twee Isofix-kinderzitjes. Op de passa-
giersstoel voor kunnen alleen traditionele
kinderzitjes worden gemonteerd.
Het is verplicht Isofix-kinderzitjes te
gebruiken die speciaal voor deze auto ont-
worpen en getest zijn.
fig. 48
A0A0663b
MONTAGE
ISOFIX-KINDERZITJE
Groep 0 en 0+
Bij kinderen in deze gewichtsgroep (kin-
deren met een gewicht tot 13 kg) moet
het kinderzitje achterstevoren zijn
gekeerd en moet het kind door de gordels
(D-fig. 48) van het zitje beschermd
worden.
Als het kind groeit en in de gewichts-
groep 1 komt, moet het kinderzitje in de
rijrichting worden bevestigd.
Ga voor een correcte montage van het
kinderzitje als volgt te werk:
– controleer of de ontgrendelhendel (B)
in ruststand (ingetrokken) staat;
– zoek de bevestigingsbeugels (A) en
plaats vervolgens het kinderzitje met de
bevestigingshaken ( ) in de beugels;C

WEGWIJS IN UW AUTO
38
Groep 1
Ga voor een correcte montage van het
kinderzitje als volgt te werk:
– controleer of de ontgrendelhendel (B-
fig. 49) in ruststand (ingetrokken)
staat;
– zoek de bevestigingsbeugels (A) en
plaats vervolgens het kinderzitje met de
bevestigingshaken ( ) in de beugels;C
– duw tegen het kinderzitje totdat het
hoorbaar vergrendelt;
– controleer of het kinderzitje goed ver-
grendeld is door met kracht te proberen
het kinderzitje te verplaatsen: de inge-
bouwde beveiligingsmechanismen verhin-
deren dat slechts een enkele bevestigings-
haak is vergrendeld.
AIRBAG
De auto is uitgerust met frontairbags
bestuurders- en aan passagierszijde en
airbags voor (sidebags - headbags).
FRONTAIRBAGS
De frontairbags (bestuurder en pas
gier) beschermen de inzittenden voor
middelzware en zware frontale botsing
door het opblazen van een luchtkuss
tussen de inzittende en het stuurwiel
het dashboard.
Als de airbags niet worden geactive
bij andere soorten botsingen (zijdelin
van achter, over de kop slaan enz), be
kent dit niet dat het systeem niet go
functioneert.
Bij een frontale botsing zorgt een re
eenheid ervoor, indien nodig, dat het k
sen wordt opgeblazen.
Het kussen blaast onmiddellijk op, w
door het lichaam van de inzittenden v
wordt opgevangen en de kans op let
beperkt wordt. Direct daarna loopt
kussen weer leeg.
In deze opstelling wordt het kind ook
beschermd door de veiligheidsgordels van
de auto en door de bovenste gordel: zie
de handleiding van het kinderzitje voor
het correct omleggen van de veiligheids-
gordels van de auto.
fig. 49
A0A0664b

WEGWIJS IN UW AUTO
39
Plaats geen stickers of
andere objecten op het
stuurwiel en het deksel
van de airbagmodule aan de pas-
sagierszijde. Plaats geen voor-
werpen op het dashboard aan de
passagierszijde (bijv. een mobiele
telefoon), omdat deze het correct
openen van de airbag aan passa-
gierszijde kunnen hinderen en de
inzittenden ernstig kunnen ver-
wonden.
De frontairbags aan bestuurders- en pas-
sagierszijde zijn ontworpen voor een opti-
male bescherming van de inzittenden voor
met omgelegde veiligheidsgordels.
Als de airbags volledig opgeblazen zijn,
vullen zij het grootste deel van de ruimte
tussen het stuurwiel en de bestuurder en
het dashboard en de voorpassagier.
Bij lichte frontale aanrijdingen (waarbij
de werking van de veiligheidsgordel vol-
doende is) worden de airbags niet geacti-
veerd. Daarom moeten de veiligheidsgor-
dels altijd worden gedragen; ook omdat
ze bij frontale aanrijdingen er altijd voor
zorgen dat de inzittende in de juiste stand
wordt gehouden.
FRONTAIRBAG AAN BESTUUR-
DERSZIJDE
Deze bestaat uit een opblaasbaar kuss
dat in een daarvoor bestemde ruimte
het midden van het stuurwiel (fig. 50
is geplaatst.
De frontairbag (bestuurder en passagier)
is geen vervanging voor de veiligheids-
gordels, maar een aanvulling. Draag dus
altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het
dragen van veiligheidsgordels wettelijk ver-
plicht in Europa (en in de meeste landen
daarbuiten).
Bij een ongeval kan een inzittende die
geen veiligheidsgordel heeft omgelegd, in
contact komen met een airbag die nog
niet volledig opgeblazen is. Hierdoor
wordt de inzittende minder door de airbag
beschermd.
De frontairbags kunnen in de volgende
gevallen niet worden geactiveerd:
– bij frontale botsingen, met een ander
deel van de auto dan het front, tegen
makkelijk vervormbare objecten (bijv. als
het voorspatbord tegen de vangrail komt);
– als de auto onder andere auto’s of vei-
ligheidsvoorzieningen schuift (bijvoor-
beeld onder vrachtwagens of de vangrail);
omdat geen enkele aanvullende bescher-
ming wordt geboden op de veiligheidsgor-
dels. Als de airbags in deze gevallen niet
geactiveerd worden, betekent dit niet dat
het systeem niet goed functioneert.
fig. 50
A0A0613b

WEGWIJS IN UW AUTO
40
FRONTAIRBAG AAN
PASSAGIERSZIJDE
Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen
met een groter volume dan dat aan
bestuurderszijde. Het kussen is in een
daarvoor bestemde ruimte in het dash-
board ( ) geplaatst.fig. 51
FRONTAIRBAG AAN PASSA-
GIERSZIJDE UITSCHAKELEN
(
fig. 52
)
(optional voor bepaalde uitvoe-
ringen/markten)
Als het absoluut noodzakelijk is een
op de passagiersstoel voor te vervoer
moet de frontairbag aan passagierszi
worden uitgeschakeld.
De frontairbag aan passagierszijde k
worden in-/uitgeschakeld als de cont
sleutel in stand is uitgenomeSTOP
Steek de contactsleutel in de daarvo
bestemde sleutelschakelaar in het da
boardkastje.
ZEER GEVAAR-
LIJK Als het abso-
luut noodzakelijk is
een kind op de passagiersstoel
voor te vervoeren, in een kinder-
zitje dat achterstevoren is
geplaatst, moet de frontairbag
aan de passagierszijde worden
uitgeschakeld met de sleutelscha-
kelaar. Controleer direct of de
airbag daadwerkelijk is uitge-
schakeld: het waarschuwings-
lampje F op het instrumenten-
paneel moet continu branden (zie
de paragraaf “Frontairbag aan
passagierszijde”). Bovendien
moet de stoel zo ver mogelijk
naar achteren zijn geschoven om
te voorkomen dat het kinderzitje
eventueel in aanraking komt met
het dashboard.
fig. 51
A0A0392b
fig. 52
A0A0392b
Monteer absoluut geen
kinderzitje achterstevoren
op de passagiersstoel voor
als de frontairbag aan passagiers-
zijde is ingeschakeld. Als bij een
ongeval de airbag in werking treedt
(opblaast), kan dit ernstig letsel en
zelfs de dood tot gevolg hebben,
ongeacht de zwaarte van het onge-
luk. Wij raden u aan kinderen altijd
in een kinderzitje op de zitplaatsen
achter te vervoeren, omdat die
plaatsen bij een ongeval de meeste
bescherming bieden.

WEGWIJS IN UW AUTO
41
De sleutel kan in beide standen in de
schakelaar worden gestoken of worden
uitgenomen.
BELANGRIJK Bedien de schakelaar
alleen als de motor is uitgezet en de con-
tactsleutel is uitgenomen.
De sleutelschakelaar heeft twee stan-
den:
– frontairbag aan passagierszijde inge-
schakeld (stand ): lampje ON P
F
op
het instrumentenpaneel is gedoofd; het is
absoluut verboden kinderen op de passa-
giersstoel voor te vervoeren.
– frontairbag aan passagierszijde uitge-
schakeld (stand OFF
F
): lampje
F
op het instrumentenpaneel brandt; het is
mogelijk kinderen op de passagiersstoel
voor te vervoeren, waarbij ze beschermd
moeten worden door passende universele
systemen.
Het waarschuwingslampje
F
op het
dashboard blijft continu branden totdat de
airbag aan passagierszijde opnieuw wordt
ingeschakeld.
De uitschakeling van de frontairbag aan
passagierszijde heeft geen invloed op de
werking van de zij-airbag.
ZIJ-AIRBAGS
(SIDEBAGS - HEADBAGS)
SIDEBAG (
fig. 53
)
De sidebag is een kussen dat zich snel
opblaast en dat zich bevindt in de rugleu-
ning van de voorstoel. De sidebag heeft
tot doel het bovenlichaam van de inzit-
tenden te beschermen bij middelzware en
zware zijdelingse aanrijdingen.
HEADBAG (
fig. 54
)
De headbag is een “gordijn”-systee
dat zich aan de zijkant in de hemelbek
ding bevindt en dat is afgedekt met e
afwerklijst. De headbags bieden besc
ming aan het hoofd van de inzittend
voor en achter tijdens een zijdelingse
sing, dankzij het grote effectieve opp
vlak van de kussens.
BELANGRIJK De inzittende wordt
een zijdelingse botsing optimaal door
systeem beschermd als hij/zij in de ju
positie in de stoel zit. Hierdoor kan
headbag op de juiste wijze worden op
blazen.
fig. 53
A0A0614b
fig. 54
A0A0615b

WEGWIJS IN UW AUTO
42
BELANGRIJK De frontairbags en/of
zij-airbags kunnen worden geactiveerd bij
krachtige stoten aan de onderzijde van de
carrosserie, bijvoorbeeld bij zware botsin-
gen tegen drempels of stoepranden of
obstakels op het wegdek of als de auto
terecht komt in grote gaten of verzakkin-
gen in het wegdek.
BELANGRIJK Als de airbag in werking
treedt, ontsnapt een beetje rook. Deze
rook is niet schadelijk en duidt niet op
brand; bovendien kan het oppervlak van
het opgeblazen kussen en het interieur
van de auto bedekt zijn met een laagje
poeder: dit poeder kan de huid en de ogen
irriteren. Als u hiermee in aanraking bent
gekomen, moet u zich met neutrale zeep
en water wassen.
De levensduur en de vervangingstermijn
van de pyrotechnische lading en van het
spiraalmechanisme zijn vermeld op het
betreffende plaatje op het linker voorpor-
tier ter hoogte van het slot. Laat voor het
verstrijken van deze termijn het systeem
door de Alfa Romeo-dealer vervangen.
BELANGRIJK Na een ongeval waarbij
een of meerdere airbags zijn geactiveerd,
dient u contact op te nemen met de Alfa
Romeo-dealer om de geactiveerde airbags
te laten vervangen en de werking van de
elektrische installatie te laten controleren.
Alle controlewerkzaamheden, reparaties
en vervanging van het airbagsysteem
moeten door de Alfa Romeo-dealer wor-
den uitgevoerd.
Aan het einde van de lange levensduur
van uw auto, moet u contact opnemen
met de Alfa Romeo-dealer om het sys-
teem buiten werking te laten stellen.
Daarnaast moet bij verkoop van de auto
de nieuwe eigenaar op de hoogte
gebracht worden van het gebruik en de
aanwijzingen, en moet hij het instructie-
boekje ontvangen.
BELANGRIJK Het in werking treden
van de gordelspanners, de frontairbags en
de zij-airbags wordt door de elektronische
regeleenheid bepaald, afhankelijk van het
type ongeval. Als een van deze onderde-
len niet in werking treedt, dan duidt dat
niet op een storing in het systeem.
Steun niet met het
hoofd, de armen of de
ellebogen tegen het por-
tier, de ruiten of in het gebied van
de headbag om verwondingen tij-
dens het opblazen te voorkomen.
Steek nooit het hoofd,
de armen of ellebogen uit
het raam.

WEGWIJS IN UW AUTO
43
ALGEMENE OPMERKINGEN
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait en het
lampje
¬
gaat niet bran-
den of blijft branden tijdens het
rijden, dan is er mogelijk een sto-
ring in de veiligheidssystemen; in
dat geval kunnen de airbags of
gordelspanners niet geactiveerd
worden bij een ongeval of, in een
zeer beperkt aantal gevallen, niet
op de juiste wijze geactiveerd
worden. Voordat u verder rijdt,
dient u contact op te nemen met
de Alfa Romeo-dealer om het
systeem direct te laten controle-
ren.
Bedek de rugleuning van
de voorstoelen niet met
hoezen of kleden die niet
zijn voorbereid op het gebruik
met sidebags.
Reis niet met voorwer-
pen op schoot of voor de
borst en houd vooral geen
pijp, potlood, enz in de mond. Bij
een ongeval waarbij de airbag in
werking treedt, kan dit ernstig
letsel veroorzaken.
Rijd altijd met beide
handen op de stuurwiel-
rand, zodat bij het in wer-
king treden van de airbag, het
systeem niet wordt gehinderd
door obstakels die ernstig letsel
kunnen veroorzaken. Rijd niet
met voorover gebogen lichaam
maar ga goed rechtop zitten en
steun tegen de rugleuning.
Laat bij diefstal of een
poging tot diefstal, bij
beschadiging of als de
auto bij een overstroming onder
water is geweest, het airbagsys-
teem door een Alfa Romeo-dealer
controleren.
Bedenk dat als de con-
tactsleutel in stand MAR
staat, ook bij uitgezette
motor de airbags geactiveerd
kunnen worden als de auto wordt
aangereden door een andere
auto. Daarom mogen, ook als de
auto stilstaat, absoluut geen kin-
deren op de passagiersstoel voor
worden geplaatst. Als de contact-
sleutel echter in stand STOP
staat, wordt bij een ongeval geen
enkel beveiligingssysteem (air-
bag of gordelspanners) geacti-
veerd; als een systeem niet in
werking treedt, betekent dit niet
dat het systeem niet goed werkt.

WEGWIJS IN UW AUTO
44
HENDELS AAN HET
STUUR
De systemen die met de hendels aan h
stuur worden bediend, kunt u alle
bedienen als de contactsleutel in de st
MAR staat.
HENDEL LINKS
Met de linker hendel bedient u de b
tenverlichting, behalve de mistlampen
mistachterlichten.
Als u de buitenverlichting inschakelt,
ook de verlichting van het instrumen
paneel en de bedieningsknoppen op
dashboard branden.
Alleen als het contactslot in stan
PARK staat, blijven de buitenverlicht
en de kentekenverlichting branden, on
acht de stand van de draaiknop.
Als de hendel in stand (1 2of -fig. 60
staat, dan blijft alleen de buitenverlich
(voor en achter) resp. rechts of links b
den.
Verlichting uit
(
fig. 55
)
Als het symbool O op de draaikn
tegenover het merkstreepje staat, dan
de buitenverlichting uitgeschakeld.
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait, gaat
het lampje
F
(met de
schakelaar voor uitschakeling van
frontairbag aan passagierszijde in
stand ON) enige seconden branden
en vervolgens enige seconden
knipperen, om aan te geven dat de
airbag aan passagierszijde bij een
ongeval wordt geactiveerd.
Hierna moet het lampje doven.
De frontairbag treedt in
werking als de botsing
zwaarder is dan een bot-
sing waarbij alleen de gordel-
spanners worden geactiveerd. Bij
aanrijdingen die tussen die twee
drempelwaarden in liggen, treden
alleen de gordelspanners in wer-
king.
Haak geen harde voor-
werpen aan de kleding-
haakjes en aan de steun-
handgrepen.
De airbag is geen vervan-
ging voor de veiligheids-
gordels, maar een aanvul-
ling. Omdat de frontairbags niet
worden geactiveerd bij frontale
botsingen bij lage snelheid, bij zij-
delingse aanrijdingen en als de
auto van achter wordt aangereden
of over de kop slaat, worden in
deze gevallen de inzittenden uit-
sluitend door de veiligheidsgordels
beschermd. De gordels moeten dus
altijd gedragen worden.
De stoelen mogen niet
met water worden afge-
nomen of met stoom wor-
den gereinigd (met de hand of in
een automatisch wasapparaat).

WEGWIJS IN UW AUTO
45
Buitenverlichting
(
fig. 56
)
De buitenverlichting wordt ingeschakeld als
u de draaiknop van stand in stand O
6
zet.
Tegelijkertijd gaat op het instrumenten-
paneel lampje
3
branden.
Dimlichten
(
fig. 57
)
De dimlichten worden ingeschakeld als u
de draaiknop van stand
6
in stand
2
zet.
fig. 55
A0A0063b
fig. 56
A0A0064b
Grootlicht
(
fig. 58
)
Als de draaiknop in stand
2
staat, dan
kan worden overgeschakeld tussen dim-
en grootlicht door de hendel naar het
dashboard te drukken (vergrendelde
stand). Op het instrumentenpaneel gaat
het controlelampje
1
branden.
Trek de hendel naar het stuurwiel om het
dimlicht weer in te schakelen.
fig. 57
A0A0065b
fig. 58
A0A0066b
Als het dimlicht en de mistlampen zijn
ingeschakeld, dan volgt de regeleenheid
voor de buitenverlichting (geïntegreerd in
de Body Computer) één van de volgende
strategieën:
– bij inschakeling van het grootlicht,
schakelt het dimlicht uit, waarbij de mist-
lampen blijven branden, en wordt terug-
gekeerd naar de oorspronkelijke stand als
het dimlicht opnieuw wordt ingeschakeld;
of
– bij inschakeling van het grootlicht
doven de mistlampen, die automatisch
weer worden ingeschakeld zodra het
grootlicht wordt uitgeschakeld.
Daarom kan na vervanging van de Body
Computer de regelstrategie van de verlich-
ting afwijken van de eerdere regeling.
fig. 59
A0A0067b

WEGWIJS IN UW AUTO
46
“Follow me home”
(
fig. 61
)
Met deze functie kan voor een bepaa
tijdsperiode de ruimte voor de auto v
licht worden. U schakelt deze functi
door de contactsleutel in stand STOP t
draaien of uit te nemen en de linker h
del naar het stuur te trekken.
Deze functie wordt ingeschakeld als
hendel binnen 2 minuten na het uitzet
van de motor, wordt bediend. Telkens
u de hendel bedient, blijft de verlich
30 seconden langer branden, tot ee
maximum van 3,5 minuut; hierna sc
kelt de verlichting automatisch uit.
Telkens als de hendel wordt bedien
gaat ook het controlelampje
1
op het
instrumentenpaneel branden.
Het is mogelijk de functie te onderb
ken door de hendel langer dan 2 seco
den naar het stuur te trekken.
Grootlichtsignaal
(
fig. 59
)
Het grootlichtsignaal kan worden gege-
ven door de hendel naar het stuurwiel te
trekken (onvergrendelde stand), onge-
acht de stand van de draaiknop.
Tegelijkertijd gaat op het instrumentenpa-
neel lampje
1
branden.
BELANGRIJK Het grootlichtsignaal
wordt gegeven met het grootlicht. Om
bekeuringen te vermijden, dient u zich aan
de geldende verkeerswetgeving te hou-
den.
Richtingaanwijzers
(
fig. 60
)
Plaats de hendel, ongeacht de stand van
de draaiknop, in de (vergrendelde) stand:
omhoog, stand (1) - de rechter richting-
aanwijzers worden ingeschakeld.
omlaag, stand ( ) - de linker richting-2
aanwijzers worden ingeschakeld.
Tegelijkertijd gaat op het instrumenten-
paneel een van de controlelampjes (
R
of
E
) branden.
Als het stuurwiel weer in de rechtuit-
stand komt, dan schakelen de richting-
aanwijzers automatisch uit en komt de
hendel weer in de middelste stand.
BELANGRIJK Als u kort richting aan
wilt geven, voor het uitvoeren van een
handeling waarvoor het stuurwiel slechts
weinig hoeft te worden verdraaid, dan
drukt u de hendel iets omhoog of omlaag
zonder dat de hendel vergrendelt. Zodra u
de hendel loslaat, gaat deze automatisch
terug.
fig. 61
A0A0067b
fig. 60
A0A0068b

WEGWIJS IN UW AUTO
47
HENDEL RECHTS
Met de rechter hendel kunt u de ruiten-
wissers/-sproeiers voor bedienen. Als de
ruitensproeiers worden ingeschakeld, dan
worden ook de koplampsproeiers (indien
aanwezig) ingeschakeld.
fig. 62
A0A0616b
Ruitenwissers - Ruitensproeiers
(
fig. 62-63
)
De hendel kan in vijf verschillende stan-
den worden gezet:
A - Ruitenwissers uitgeschakeld.
B - Ruitenwissers wissen met interval.
Draai als de hendel in stand (B) staat, de
draaiknop (F) op een van de vier interval-
standen:
■
= lang interval.
■■
= gemiddeld interval.
■■■
= gemiddeld-kort interval.
■■■■
= kort interval.
C- Langzaam continu wissen.
D- Snel continu wissen.
E - Tussenslag (onvergrendelde stand).
In stand (E) werken de ruitenwissers, zo-
lang u de hendel met de hand in deze stand
houdt. Als u de hendel loslaat, springt de-
ze direct weer in stand ( ) en schakelen deA
ruitenwissers automatisch uit.
Intelligente wis/wasregeling
Als u de hendel naar het stuur trekt
(onvergrendelde stand), schakelen de rui-
tensproeiers in.
Als u de hendel aangetrokken houdt,
dan worden in een beweging de ruiten-
wissers/-sproeiers ingeschakeld; de rui-
tenwissers schakelen automatisch in als u
de hendel langer dan een halve seconde
aangetrokken houdt.
De ruitenwissers blijven nog enkele sla-
gen werken, nadat u de hendel loslaat; na
enige seconden volgt nog een “reinigings-
slag”.
fig. 63
A0A0617b

WEGWIJS IN UW AUTO
48
Telkens als de motor wordt gestart, wordt
de regensensor automatisch verwarmd tot
ongeveer 40°C, zodat eventueel condens
van het meetoppervlak wordt verwijderd en
ijsvorming wordt voorkomen.
De regensensor is in staat om de volgende
omstandigheden te herkennen en zijn gevoe-
ligheid hieraan aan te passen:
– vuil op het controle-oppervlak (zoutaan-
slag, vuil enz.);
– waterstrepen veroorzaakt door versleten
wisserrubbers;
– verschil tussen dag en nacht (het zicht
wordt ‘s nachts sterker gehinderd door vocht
op de ruit).
Regensensor
(
fig. 64
)
De regensensor ( ) (indien aanwezig)A
is een elektronische voorziening voor de
ruitenwissers en zorgt ervoor dat de fre-
quentie van de slagen van de ruitenwis-
sers, tijdens het wissen met interval, auto-
matisch wordt aangepast aan de hoeveel-
heid regen op de ruit.
Alle andere door de rechter hendel gere-
gelde functies worden hier niet door beïn-
vloed.
De regensensor wordt automatisch inge-
schakeld als u de rechter hendel in stand
(B-fig. 62) zet en heeft een regelbereik
dat geleidelijk varieert van stilstaande rui-
tenwissers bij een droge ruit, tot de eerste
snelheid (langzaam continu wissen) bij
veel regenval.
Als u de draaiknop (F-fig. 62) verdraait,
dan wordt de gevoeligheid van de regensen-
sor verhoogd, waardoor de overgang van stil-
staande ruitenwissers bij een droge ruit, naar
de eerste snelheid (langzaam continu wis-
sen) sneller plaatsvindt.
Als de ruitensproeiers worden bediend bij
ingeschakelde regensensor (hendel in stand
B), werkt het normale reinigingsprogramma.
Daarna hervat de regensensor zijn normale
automatische werking.
Draai de contactsleutel in stand STOP om
de regensensor uit te schakelen. Als de motor
daarna wordt gestart (sleutel in stand
MAR), schakelt de regensensor niet
opnieuw in als de hendel in stand (B) is blij-
ven staan. Om de regensensor opnieuw in te
schakelen, moet u de hendel in stand ( ) ofA
(C) zetten en vervolgens opnieuw in stand
(B).
Als de regensensor op deze wijze opnieuw
wordt ingeschakeld, wordt ten minste een
wisslag uitgevoerd, ook bij een droge ruit.
Hiermee wordt aangegeven dat het systeem
weer is ingeschakeld.
De regensensor bevindt zich achter de bin-
nenspiegel in het gebied dat bestreken wordt
door de ruitenwissers en staat in contact met
de voorruit. De sensor levert een signaal aan
een elektronische regeleenheid, die vervol-
gens de ruitenwissermotor bedient.
fig. 64
A0A0331b

WEGWIJS IN UW AUTO
49
Koplampsproeiers
(
fig. 65
)
Deze functie werkt als u, bij ingeschakeld
dim-/grootlicht, de ruitensproeiers inschakelt.
BELANGRIJK Bij sommige uitvoeringen
schakelt de klimaatregeling automatisch de
recirculatiestand in als de koplampsproeiers
inschakelen. Hierdoor wordt voorkomen dat
de geur van de reinigingsvloeistof het interi-
eur bereikt.
CRUISE-CONTROL
ALGEMENE INFORMATIE
De elektronische snelheidsregeling
(CRUISE-CONTROL) maakt het
mogelijk een constante, vooraf ingestelde
snelheid aan te houden, zonder het gas-
pedaal ingetrapt te houden. Op deze
manier wordt het rijden, vooral op lange
trajecten, minder vermoeiend omdat de
ingestelde snelheid automatisch gehand-
haafd blijft.
BELANGRIJK Het systeem kan alleen
worden ingeschakeld bij een snelheid tus-
sen 30 en 190 km/h.
fig. 65
A0A0704b
De cruise-control mag
uitsluitend worden ge-
bruikt als de verkeers-
omstandigheden en het traject
van dien aard zijn dat, over een
voldoende lange afstand, volledig
veilig een constante snelheid kan
worden aangehouden.
Het systeem schakelt in de volgende geval-
len automatisch uit:
– door het intrappen van het rempedaal;
– door het intrappen van het koppelingspe-
daal;
– als de ASR, de MSR of het ESP in wer-
king treedt;
– bij de Selespeed versnellingsbak als er
geschakeld wordt;
– als u de versnellingspook van de
Selespeed versnellingsbak per ongeluk in de
stand zet.N
BEDIENINGSORGANEN
(
fig. 66
)
De cruise-control wordt bediend met de
draaiknop ON/OFF (A), de draaiknop
+/–(B) en de drukknop RES (C).
De draaiknop (A) kan in twee standen wor-
den gezet:
fig. 66
A0A0077b

WEGWIJS IN UW AUTO
50
SNELHEID OPSLAAN
Zet draaiknop (A) in stand en ga opON
de normale manier met de gewenste snel-
heid rijden. Zet de draaiknop ( ) ten min-B
ste drie seconden op ( ) en laat de knop+
los. De snelheid van de auto is opgeslagen
en het gaspedaal kan worden losgelaten.
De auto blijft vervolgens constant met de
ingestelde snelheid rijden, totdat zich een
van de volgende omstandigheden voor-
doet:
– intrappen rempedaal;
– intrappen koppelingspedaal;
– als de ASR, de MSR of het ESP in
werking treedt;
– bij de Selespeed versnellingsbak als er
geschakeld wordt;
– als u de versnellingspook van de
Selespeed versnellingsbak per ongeluk in
de stand N zet.
BELANGRIJK Indien nodig (bijvoor-
beeld bij inhalen) kan de snelheid simpel
verhoogd worden door het intrappen van
het gaspedaal. Als u daarna het gaspedaal
loslaat, wordt de opgeslagen snelheid
weer aangehouden.
OPGESLAGEN SNELHEID
OPROEPEN
Als het systeem wordt uitgeschakeld door
bijvoorbeeld het intrappen van het rem- of
koppelingspedaal, kan de opgeslagen snel-
heid op de volgende manier worden opge-
roepen:
– geef geleidelijk gas, totdat de snelheid
ongeveer gelijk is aan de opgeslagen snel-
heid;
– schakel de versnelling in die ingeschakeld
was op het moment van het opslaan van de
snelheid (4e, 5e of 6e versnelling);
– druk op knop RES (C).
OPGESLAGEN SNELHEID
VERHOGEN
De opgeslagen snelheid kan op twee
manieren worden verhoogd:
1) trap het gaspedaal in en sla de nieuwe
snelheid op (houd draaiknop (B) langer dan
3 seconden gedraaid);
of
2) draai draaiknop (B) kort in stand (+):
telkens als de draaiknop wordt gedraaid,
wordt de snelheid iets verhoogd (ongeveer
1,5 km/h). Als de draaiknop gedraaid wordt
gehouden, verandert de snelheid traploos. Als
de draaiknop (B) wordt losgelaten, wordt
de bereikte snelheid automatisch opgesla-
gen.
– OFF in deze stand is het systeem uitge-
schakeld;
– ON in deze stand werkt het systeem. Als
de draaiknop ( ) in deze stand staat, danA
brandt het lampje
Ü
op het instrumentenpa-
neel.
Met draaiknop (B) kunt u de ingestelde
snelheid van de auto opslaan en aanhouden
of de ingestelde snelheid verhogen of verla-
gen.
Zet draaiknop (B) in stand (+) om de
snelheid op te slaan of om de ingestelde
snelheid te verhogen.
Zet draaiknop (B) in stand ( ) om de–
ingestelde snelheid te verlagen.
Telkens als draaiknop ( ) wordtB
bediend, wordt de snelheid ongeveer 1,5
km verhoogd of verlaagd.
Als de draaiknop gedraaid wordt gehou-
den, verandert de snelheid traploos. De
nieuwe snelheid wordt automatisch opge-
slagen.
Met knop ) kan de opgeslagenRES (C
snelheid worden opgeroepen.
BELANGRIJK Als u de contactsleutel
in stand STOP zet of de draaiknop (A)
in stand OFF, dan wordt de opgeslagen
snelheid gewist en het systeem uitgescha-
keld.

WEGWIJS IN UW AUTO
51
OPGESLAGEN SNELHEID
VERLAGEN
De opgeslagen snelheid kan op twee
manieren worden verlaagd:
1) schakel het systeem uit (bijvoorbeeld
door het rempedaal in te trappen) en sla
vervolgens de nieuwe snelheid op (zet
draaiknop ( ) ten minste drie seconden inB
stand (+);
2) houd draaiknop (B) in stand ( ), tot-–
dat de nieuwe snelheid is bereikt die auto-
matisch zal worden opgeslagen.
Het systeem mag uitsluitend worden
gebruikt, afhankelijk van de snelheid, in
de 4e, 5e of 6e versnelling. Op afdalingen
kan bij ingeschakelde cruise-control de
snelheid iets oplopen ten opzichte van de
opgeslagen snelheid door de wijziging in
de motorbelasting.
De draaiknop (A) kan permanent in
stand ON blijven staan, zonder risico op
beschadiging van het systeem. Het ver-
dient aanbeveling de draaiknop in stand
OFF te zetten als het systeem niet wordt
gebruikt, zodat het per ongeluk opslaan
van snelheden wordt voorkomen.
Schakel de cruise-control uitsluitend in
als de verkeersomstandigheden en de con-
ditie van de weg dit veilig toestaan;
d.w.z.: op rechte, droge wegen en auto-
snelwegen die in goede conditie verkeren
en met een rustig verkeersbeeld. Schakel
het systeem nooit in de stad of in druk
verkeer in.
Als de cruise-control tij-
dens het rijden is ingescha-
keld, zet dan nooit de ver-
snellingspook in de vrijstand of bij
uitvoeringen met automatische
Selespeed versnellingsbak, de ver-
snellingspook in stand N.
Het systeem kan alleen
worden ingeschakeld bij
een snelheid tussen 30 en
190 km/h.
Zet, bij een storing of
een afwijkende werking
van de cruise-control,
draaiknop (A) op stand OFF en
laat het systeem zo snel mogelijk
bij een Alfa Romeo-dealer contro-
leren, nadat de zekering is gecon-
troleerd.
OPGESLAGEN SNELHEID WIS-
SEN
De opgeslagen snelheid wordt automa-
tisch gewist als de motor wordt uitgezet of
als u draaiknop ( ) in de stand A OFF zet.

WEGWIJS IN UW AUTO
52
fig. 67
A0A0748b
DASHBOARD
(Zie voor de uitvoeringen met stuur rechts, het dashboard en de instrumenten in de betreffende paragraaf a
1. Verstelbare uitstroomopeningen zijkant - . Vaste luchtroosters voor zijruiten - . Bedieningshendel buitenverlichting -2 3
achterklepontgrendeling - . Pasjeshouder (voor bepaalde uitvoeringen/markten) - . Autoradio (voor bepaalde uitvoerin6 7
stroomopeningen midden - 9. Vast luchtrooster boven - 10. Bekerhouder (voor bepaalde uitvoeringen/markten) - . Druk11
waarschuwingsknipperlichten - . Frontairbag passagierszijde - . Dashboardkastje - 13. Drukknop mistachterlicht - 14 15 1
17 18 19. Bedieningsorganen voor verwarming, ventilatie en airconditioning - . Klep van aansteker/asbak - . Temperatuurs
ruitenwissers - . Claxon - . Hendel voor stuurwielvergrendeling/-ontgrendeling - . Fro21. Start-/contactslot - 22 23 24
Bedieningsorganen - 26. Hendel voor motorkapontgrendeling.

WEGWIJS IN UW AUTO
53
A. Brandstofmeter met waarschuwings-
lampje brandstofreserve - B. Koelvloei-
stoftemperatuurmeter met waarschu-
wingslampje voor te hoge koelvloeistof-
temperatuur - . Snelheidsmeter - C D.
Kilometertellerdisplay (kilometertotaal-
teller, dagteller en weergave stand kop-
lampverstelling) - E. Instelbaar multifunc-
tioneel display - F. Toerenteller
INSTRUMENTEN
fig. 68 - benzine-uitvoeringen
fig. 69 - benzine-uitvoeringen Black Line
A0A0760b
A0A0749b
A. Brandstofmeter met waarschuwings-
lampje brandstofreserve - B. Koelvloei-
stoftemperatuurmeter met waarschu-
wingslampje voor te hoge koelvloei-
stoftemperatuur - . Snelheidsmeter - C D.
Kilometertellerdisplay (kilometertotaal-
teller, dagteller en weergave stand kop-
lampverstelling) - E. Instelbaar multifunc-
tioneel display - F. Toerenteller
OPMERKING Bij JTDM-uitvoeringen
heeft de toerenteller een schaal tot 6000
toeren/min.

WEGWIJS IN UW AUTO
54
fig. 71 - uitvoering 2.0 JTS Selespeed
A. Brandstofmeter met waarschuwin
lampje brandstofreserve - B. Koelvl
stoftemperatuurmeter met waarsch
wingslampje voor te hoge koelvloeis
temperatuur - Snelheidsmeter - C.
Kilometertellerdisplay (kilometertota
ler, dagteller en weergave stand kopla
verstelling) - E. Instelbaar multifunc
neel display - F. Toerenteller
A. Brandstofmeter met waarschuwin
lampje brandstofreserve - B. Koelvl
stoftemperatuurmeter met waarsch
wingslampje voor te hoge koelvloeis
temperatuur - Snelheidsmeter - C.
Kilometertellerdisplay (kilometertota
ler, dagteller en weergave stand kopla
verstelling) - E. Instelbaar multifunc
neel display - F. Toerenteller
A0A0761b
A0A0759b
fig. 70 - uitvoering Q2 diesel

WEGWIJS IN UW AUTO
55
fig. 71b - uitvoering 3.2 V6
A. Brandstofmeter met waarschuwin
lampje brandstofreserve - B. Koelvloe
temperatuurmeter met waarschuwin
lampje voor te hoge koelvloeistoftemp
tuur - C. Snelheidsmeter - D. Kilomete
lerdisplay (kilometertotaalteller, dagtell
weergave stand koplampverstelling) - E
stelbaar multifunctioneel display - F.
renteller
A. Brandstofmeter met waarschuwin
lampje brandstofreserve - B. Koelvloe
temperatuurmeter met waarschuwin
lampje voor te hoge koelvloeistoftemp
tuur - C. Snelheidsmeter - D. Kilomete
lerdisplay (kilometertotaalteller, dagtell
weergave stand koplampverstelling) - E
stelbaar multifunctioneel display - F.
renteller
A0A0746b
fig. 71a - uitvoering 2.0 JTS Selespeed Black Line
A0A0752b

WEGWIJS IN UW AUTO
56
SNELHEIDSMETER
De snelheidsmeter (A-fig. 72) geeft
de snelheid van de auto aan.
KILOMETERTELLER
Dit is een display (B-fig. 72) met
twee tellers voor de weergave van de kilo-
metertotaal- en de dagtellerstand. Ook
wordt de stand van de koplampverstelling
aangegeven.
Op het display wordt weergegeven:
– op de eerste regel (6 cijfers) de totaal-
stand
– op de tweede regel (4 cijfers) de dag-
tellerstand
– aan de zijkant de stand van de kop-
lampverstelling.
Houd om de dagteller op nul te zetten
de drukknop ( ) op het paneelA-fig. 73
naast de stuurkolom enige seconden inge-
drukt.
BELANGRIJK Als de accu wordt losge-
koppeld, wordt de dagtellerstand uit het
geheugen gewist.
TOERENTELLER (
fig. 74
)
Als de wijzernaald in het rode (of witte
op enkele uitvoeringen) gebied staat, dan
draait de motor met extreem hoge toe-
rentallen. Het is raadzaam deze toerental-
len slechts kort aan te houden.
BELANGRIJK De regeleenheid van de
elektronische inspuiting blokkeert tijde
toevoer van brandstof als de motor me
hoge toerentallen draait, waardoor h
motorvermogen zal afnemen.
Bij stationair draaiende motor kan de
renteller een geleidelijke of plotselinge
rentalstijging aangeven; dit is normaa
vindt plaats, bijvoorbeeld, als de aircon
ning of de elektroventilateur inschakelt
langzame wijziging in toerental dient v
voor het behoud van de lading van de a
fig. 73
A0A1104b
fig. 74
A0A0757b
fig. 72
A0A0756b

WEGWIJS IN UW AUTO
57
BRANDSTOFMETER MET
WAARSCHUWINGSLAMPJE
BRANDSTOFRESERVE
Dit instrument geeft het brandstofniveau
in de tank aan.
Het waarschuwingslampje
K
(A-fig.
76) geeft aan wanneer er nog ongeveer 7
liter brandstof aanwezig is.
BELANGRIJK Onder bepaalde omstan-
digheden (bijv. bij sterke hellingen) kan de
wijzernaald een hoeveelheid aangeven die
niet overeenkomt met de werkelijke hoe-
veelheid in de tank. Bovendien kunnen wij-
zigingen in het brandstofniveau iets ver-
traagd worden aangegeven.
Een elektronisch regelsysteem voorkomt
dat de wijzernaald heen en weer schom-
melt als gevolg van het klotsen van de
brandstof tijdens het rijden.
BELANGRIJK Tank uitsluitend brand-
stof als de motor is uitgezet en de contact-
sleutel in stand STOP staat. Als getankt
wordt bij uitgezette motor maar met de
contactsleutel in stand MAR, kan het
brandstofniveau tijdelijk verkeerd worden
weergegeven. Dit wordt veroorzaakt door
de werking van het controlesysteem en niet
door een storing in het systeem.
KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR-
METER MET WAARSCHUWINGS-
LAMPJE VOOR TE HOGE KOEL-
VLOEISTOFTEMPERATUUR
Het instrument geeft de temperatuur
aan van de motorkoelvloeistof, zodra de
koelvloeistoftemperatuur hoger wordt dan
ongeveer 50°C.
Onder normale omstandigheden staat de
wijzernaald van de koelvloeistoftempera-
tuurmeter ongeveer in het midden van de
schaal. Als de wijzernaald in de buurt
komt van de maximale waarden (rode
gebied, of witte op enkele uitvoeringen),
moet gas worden teruggenomen.
Als het waarschuwingslampje
u
(B-fig.
76) gaat branden (bij enkele uitvoerin-
gen verschijnt gelijktijdig een boodschap
op het instelbare multifunctionele display),
dan is de koelvloeistoftemperatuur te
hoog; zet de motor uit en wendt u tot de
Alfa Romeo-dealer.
BELANGRIJK De wijzernaald kan ook
in de buurt komen van de maximale w
den (rode gebied, of witte op enkele
voeringen), terwijl u met hoge buitent
peraturen langzaam rijdt. Het is in
geval raadzaam om de auto te stoppen
de motor enige minuten uit te zetten. R
vervolgens verder, zo mogelijk met
hogere snelheid.
fig. 76
A0A0758b

WEGWIJS IN UW AUTO
58
DIGITAAL MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY (indien van toepassing)
Op het digitale multifunctionele display kan de volgende informatie worden weergegeven: tijd, buitentem
(in-/uitschakelen geluidssignaal), lichtsterkteregeling, stand van brandstofnoodschakelaar (FPS on).
BEDIENINGSKNOPPEN
(fig. 75)
Om volledig gebruik te kunnen maken van de informatie die het digitale display kan leveren (met de conta
u bekend te zijn met de bedieningsknoppen op het paneel naast de stuurkolom. De werking wordt hierna bes
aan dit hoofdstuk helemaal door te lezen, voordat u een handeling uitvoert.
Voor verhogen weergegeven waarde
Voor verlagen weergegeven waarde
Korter dan 1 seconde indrukken (impuls); wordt aangegeven m
Qin de
volgende beschrijvingen; om toegang te krijgen tot de verschil
gen
Langer dan 2 seconden indrukken; wordt aangegeven met
Rin de volgende
beschrijvingen; om de keuze te bevestigen en terug te keren naar he
fig. 75
A0A1105b

WEGWIJS IN UW AUTO
59
KLOK
(fig. 76)
Uren instellen
Druk op knop MODE
Q, zodat de uren
gaan knipperen. Stel met knop
▲
of
▼
het
gewenste uur in.
Elke keer als u de knop indrukt, verspringt
het klokje een eenheid.
Als u de betreffende knop ingedrukt houdt,
lopen de cijfers automatisch snel door of
terug.
Als u dicht bij de juiste tijd bent, laat u de
knop los en stelt u de exacte tijd in door
de knop telkens in te drukken en los te la-
ten.
Druk vervolgens op knop MODE
Rom
op te slaan.
fig. 76
Minuten instellen
Druk 2 keer op knop MODE
Q, zodat
de minuten gaan knipperen. Stel met knop
▲
of
▼
de gewenste minuten in.
Elke keer als u de knop indrukt, verspringt
het klokje een eenheid.
Als u de betreffende knop ingedrukt houdt,
lopen de cijfers automatisch snel door of
terug.
Als u dicht bij de juiste tijd bent, laat u de
knop los en stelt u de exacte tijd in door
de knop telkens in te drukken en los te la-
ten.
Druk vervolgens op knop MODE
Rom
op te slaan.
BUITENTEMPERATUUR
( )fig. 76
De buitentemperatuur wordt aan de on-
derzijde van het display onder de tijd weer-
gegeven. Om de bestuurder te waarschuwen
voor gladheid, knippert de weergave van de
buitentemperatuur en klinkt er een bijbeho-
rend geluidssignaal als de buitentemperatuur
gelijk is aan of lager wordt dan 3°C. Het ge-
luidssignaal klinkt ongeveer 2 seconden ter-
wijl de buitentemperatuur ongeveer 10 se-
conden knippert. De waarschuwing voor glad-
heid wordt herhaald als de buitentempera-
tuur hoger is geweest dan 6°C en vervolgens
opnieuw 3°C of lager wordt.
A0A0009b
fig. 77
A0A0083b
WAARSCHUWINGSZOEMER
(fig. 77-78)
De waarschuwingszoemer levert een
luidssignaal als de bedieningsorganen
den bediend en kan worden ingeschak
(ON) of uitgeschakeld (OFF) door de v
gende handelingen uit te voeren:
Druk 3 keer op knop MODE
Qen scha-
kel vervolgens met knop
▲
of
▼
het ge-
luidssignaal in of uit.
Druk vervolgens op de knop MODE
R
om de keuze op te slaan.
weergave tijd
en buitentemperatuur weergave zoemer ingeschakeld (ON)

WEGWIJS IN UW AUTO
63
Motoroliepeil controleren
(JTDm uitvoeringen)
Als u de contactsleutel in stand MAR zet,
dan wordt op het display gedurende enke-
le seconden het motoroliepeil weergegeven.
Tijdens deze fase kan de weergave worden
onderbroken en naar het volgende scherm
worden doorgegaan door kort op de knop
MODE te drukken.
BELANGRIJK Het motoroliepeil wordt
alleen juist weergegeven als de auto op een
vlakke ondergrond staat.
In fig. 85 wordt het juiste motoroliepeil
weergegeven. Naarmate het oliepeil daalt,
veranderen de volle balkjes in lege balkjes.
fig. 85
A0A9101i
fig. 86
A0A9102i
fig. 87
A0A9103i
In fig. 86 wordt een oliepeil onder de mi-
nimum waarde weergegeven. De balkjes
zijn in deze situatie geheel leeg.
BELANGRIJK Onder deze omstandig-
heden moet er zo snel mogelijk motorolie
worden bijgevuld; zie “Niveaus controleren”
in het hoofdstuk “Onderhoud van de auto”.
In fig. 87 wordt een oliepeil boven de
maximum waarde weergegeven. De b
jes zijn in deze situatie geheel vol.
BELANGRIJK Wendt u in dit geval
de Alfa Romeo-dealer, zodat deze het
te motoroliepeil kan herstellen.

WEGWIJS IN UW AUTO
64
SNELHEID
Met deze functie kan de snelheidslimiet
van de auto (in km/h of mph) worden in-
gesteld. Als deze limiet wordt overschreden,
wordt de bestuurder gewaarschuwd door
middel van een akoestisch en zichtbaar sig-
naal, en een bericht op het display (zie het
hoofdstuk “Lampjes en berichten”).
Ga voor het instellen van de snelheidsli-
miet als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : op hetMODE
display verschijnt het opschrift ON;
❒
druk kort op de knop en stelMODE
vervolgens met de knoppen
▲
/
▼
de
gewenste snelheid in (tijdens de in-
stelling knippert de waarde);
❒
druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd
de knop even ingedrukt om terug te
keren naar het beginscherm.
BELANGRIJK
De waarde kan worden ingesteld tus
30 en 250 km/h of tussen 20 en 150
mph, afhankelijk van de ingestelde een
(zie de paragraaf “EENHEID” hierna)
keer als u de knop
▲
/
▼
indrukt, wordt de
waarde 1 eenheid verhoogd/verlaagd.
u de knop
▲
/
▼
ingedrukt houdt, lopen de
cijfers automatisch snel door of terug
u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u
exacte waarde in door de knop telkens
drukken en los te laten.
Instelling annuleren:
❒
druk kort op de knop : op hMODE
display verschijnt het opschrift OF
❒
druk op de knop (
▼
): op het display
verschijnt het opschrift OFF;
❒
druk kort op de knop MODE om ter
te keren naar het menuscherm of ho
de knop even ingedrukt om terug
keren naar het beginscherm.
DIMMER
Met deze functie kan de lichtsterkte wor-
den geregeld (verhogen/verlagen) van het
instrumentenpaneel, de kilometerteller (ki-
lometertotaal- en dagtellerstand), weerga-
ve koplampverstelling, het display voor de
autoradio en het display voor het naviga-
tiesysteem (indien aanwezig) en de kli-
maatregeling met gescheiden temperatuur-
regeling (indien aanwezig).
Ga voor het instellen als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : op hetMODE
display verschijnt een schaalverdeling;
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de in-
stelling uit te voeren.
Gedeeltelijke verlichting
Als u knop (
▼
) langer dan 4 seconden in-
gedrukt houdt, dan dooft de verlichting van
de toerenteller.
Al u knop (
▲
) langer dan 4 seconden in-
gedrukt houdt, dan gaat de complete ver-
lichting van het instrumentenpaneel weer
branden.
BELANGRIJK Als de buitenverlichting
wordt ingeschakeld, dan neemt de lichtin-
tensiteit iets af. Bij een storing kan de licht-
sterkte niet worden geregeld en wordt de
maximale lichtsterkte ingesteld.

WEGWIJS IN UW AUTO
65
KLOK
Met deze functie kunt u het klokje (uren
- minuten) instellen.
Ga voor het instellen als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : op hetMODE
display verschijnt de tijd;
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de in-
stelling uit te voeren;
❒
druk kort op de knop om deMODE
minuten in te stellen (als u de knop in-
gedrukt houdt, dan keert u terug naar
het beginscherm);
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de in-
stelling uit te voeren;
❒
druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd
de knop even ingedrukt om terug te ke-
ren naar het beginscherm.
BELANGRIJK Elke keer als u de knop
▲
/
▼
indrukt, wordt de waarde 1 eenheid
verhoogd/verlaagd. Als u de knop
▲
/
▼
ingedrukt houdt, lopen de cijfers automa-
tisch snel door of terug. Als u dicht bij de juis-
te waarde bent, stelt u de exacte waarde in
door de knop telkens in te drukken en los
te laten.
DATUM
Met deze functie kan de datum worden
gesteld (dag - maand - jaar).
Ga voor het instellen als volgt te wer
❒
druk kort op de knop : op hMODE
display verschijnt de datum;
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de dag
in te stellen;
❒
druk kort op de knop om dMODE
maand in te stellen (of houd de kno
ingedrukt om terug te keren naar h
beginscherm);
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de in-
stelling uit te voeren;
❒
druk kort op de knop om hMODE
jaar in te stellen (of houd de knop
gedrukt om terug te keren naar het b
ginscherm);
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de in-
stelling uit te voeren;
❒
druk kort op de knop MODE om ter
te keren naar het menuscherm of ho
de knop even ingedrukt om terug
keren naar het beginscherm.
TRIP B
Met deze functie kan TRIP B worden in-/
uitgeschakeld ( ). De functie geeftON OFF/
informatie over het GEMIDDELDE BRAND-
STOFVERBRUIK B, GEMIDDELDE SNELHEID
B, REISTIJD B en AFGELEGDE AFSTAND B tij-
dens een “deeltraject” dat onderdeel is van
een “algemeen traject” (zie voor meer in-
formatie de paragraaf “Trip Computer”).
Ga voor het in-/uitschakelen van de func-
tie als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : op hetMODE
display verschijnt het opschrift ON;
❒
selecteer met de knoppen
▲
/
▼
de in-
of uitschakeling;
❒
druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd
de knop even ingedrukt om terug te ke-
ren naar het beginscherm.

WEGWIJS IN UW AUTO
66
12/24-WEERGAVE
Met deze functie kan de tijd worden weer-
gegeven in 12h of 24h.
Ga voor het instellen als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : op hetMODE
display verschijnt het opschrift 12h;
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de in-
stelling uit te voeren (12h 24hof );
❒
druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd
de knop even ingedrukt om terug te ke-
ren naar het beginscherm.
RADIO
Met deze functie kan de herhaling van de
informatie op het front van de radio op het
display van het instrumentenpaneel worden
in-/uitgeschakeld (ON/OFF).
Ga voor het in-/uitschakelen van de func-
tie als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : op hetMODE
display verschijnt het opschrift ON;
❒
selecteer met de knoppen
▲
/
▼
de in-
of uitschakeling;
❒
druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd
de knop even ingedrukt om terug te ke-
ren naar het beginscherm.
Als u de functie “WEERGAVE RADIO
AAN” selecteert en activeert, dan word
ingeschakelde radio de informatie van d
dio op het display herhaald.
TELEFOON
Met deze functie kan de weergave van
naam (indien opgenomen in de telefo
lijst) en het telefoonnummer van de
sprekspartner worden in-/uitgeschak
( /ON OFF).
Ga voor het in-/uitschakelen van de fu
tie als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : op hMODE
display verschijnt het opschrift ON
❒
selecteer met de knoppen
▲
/
▼
de in-
of uitschakeling;
❒
druk kort op de knop MODE om ter
te keren naar het menuscherm of ho
de knop even ingedrukt om terug te
ren naar het beginscherm.
Als u de functie “TELEFOON WEE
GAVE AAN” selecteert en activeert, d
wordt bij een binnenkomend telefoon
sprek op het display de naam (indien
genomen in de telefoonlijst) en het te
foonnummer van de gesprekspartner w
gegeven.
ZOMERTIJD
Met deze functie kan de zomertijd worden
in- en uitgeschakeld ( ) (1 uur tenON OFF/
opzichte van de wintertijd).
Ga voor het in-/uitschakelen van de func-
tie als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : op hetMODE
display verschijnt het opschrift ON;
❒
selecteer met de knoppen
▲
/
▼
de in-
of uitschakeling;
❒
druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd
de knop even ingedrukt om terug te ke-
ren naar het beginscherm.
Als u “ZOMERTIJD AAN” selecteert
en activeert, dan schakelt het display tus-
sen zomer- en wintertijd, zonder dat de
“KLOK” handmatig ingesteld hoeft te wor-
den, zoals hiervoor is beschreven.

WEGWIJS IN UW AUTO
67
TAAL
Met deze functie kan de taal worden ge-
kozen van de berichten op het display.
Ga om de gewenste taal in te stellen als
volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : op hetMODE
display verschijnt de huidige “taal”;
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de in-
stelling uit te voeren;
❒
druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd
de knop even ingedrukt om terug te ke-
ren naar het beginscherm.
EENHEID
Met deze functie kan de meeteenheid w
den ingesteld van de afgelegde afstand
of mijl), het brandstofverbruik (l/100 k
km/l of mpg) en de temperatuur (°C
°F).
Ga voor het instellen van de gewen
meeteenheid als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop ; op hMODE
display verschijnt het opschrift “km
“mijl” (afhankelijk van de hiervoor
gestelde meeteenheid);
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de in-
stelling uit te voeren;
❒
druk kort op de knop om dMODE
meeteenheid van de temperatuur in
stellen (of houd de knop ingedrukt o
terug te keren naar het beginscherm
het display toont het opschrift °C of
(afhankelijk van de hiervoor ingeste
meeteenheid);
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de in-
stelling uit te voeren;
NAVIGATIESYSTEEM
Tijdens het gebruik van het navigatiesys-
teem kan met deze functie de weergave
(pictogrammen) op het display van het na-
vigatiesysteem op het display van het in-
strumentenpaneel worden in-/uitgeschakeld
( /ON OFF).
Ga voor het in-/uitschakelen van de func-
tie als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : op hetMODE
display verschijnt het opschrift ON;
❒
selecteer met de knoppen
▲
/
▼
de in-
of uitschakeling;
❒
druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd
de knop even ingedrukt om terug te ke-
ren naar het beginscherm.
Als u de functie “WEERGAVE NAVI-
GATIESYSTEEM AAN” selecteert en ac-
tiveert, dan wordt op het display van het in-
strumentenpaneel de informatie weergege-
ven die staat op het display van het navi-
gatiesysteem.

WEGWIJS IN UW AUTO
68
ZOEMER (BUZZER)
Met deze functie kan het volume worden
geregeld van het akoestische signaal (buz-
zer) dat klinkt bij het indrukken van de
knoppen in de auto en bij eventuele sto-
ringsmeldingen op het display.
Ga voor het instellen van het gewenste vo-
lume als volgt te werk:
❒
druk kort op de knop : het dis-MODE
play toont het “niveau” van het inge-
stelde volume;
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de in-
stelling uit te voeren;
❒
druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd
de knop even ingedrukt om terug te ke-
ren naar het beginscherm.
BELANGRIJK Als de buzzer is uitge-
schakeld ( ), blijven de akoestische sig-OFF
nalen bij eventuele storingen toch klinken.
SERVICE
Deze functie levert informatie over he
te onderhoud van de auto. Ga voor het r
plegen van deze aanwijzingen als volg
werk:
❒
druk kort op de knop : het dMODE
play toont de ingestelde afstand i
“km” of “mijl”, afhankelijk van de i
stelling (zie de paragraaf “EENHEI
❒
druk op de knoppen
▲
/
▼
om de ge-
wenste aanwijzingen op het displ
weer te geven;
❒
druk kort op de knop MODE om ter
te keren naar het menuscherm of ho
de knop even ingedrukt om terug te
ren naar het beginscherm.
BELANGRIJK Het Geprogrammeerd
derhoudsschema voorziet elke 20.000
in een servicebeurt; deze weergave vers
automatisch als de sleutel in stand MA
staat, vanaf 2.000 km (of mijl). Deze
formatie wordt elke 200 km opnieuw w
gegeven. Deze weergave kan alleen door
Alfa Romeo-dealer op nul worden geze
MENU OFF
Als u dit menupunt selecteert, wordt
ruggekeerd naar het beginscherm.
❒
druk kort op de knop om deMODE
meeteenheid van het brandstofverbruik
in te stellen (of houd de knop ingedrukt
om terug te keren naar het begin-
scherm);
❒
als de meeteenheid “ ” was, ver-km
schijnt op het display het opschrift
“l/100km” of “km/l”: druk op de
knoppen
▲
/
▼
om de instelling uit te
voeren. Als de meeteenheid echter
“mijl” was, dan verschijnt op het dis-
play het opschrift “mpg”;
r druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd
de knop even ingedrukt om terug te ke-
ren naar het beginscherm.
BELANGRIJK De meeteenheid van de
temperatuur (°C of °F) die is ingesteld op
het display wordt ook gebruikt op de dis-
plays van de airconditioning met gescheiden
luchttemperatuurregeling (indien aanwezig)
en het navigatiesysteem (indien aanwezig).

WEGWIJS IN UW AUTO
69
TRIP COMPUTER
Algemene informatie
Met de functie “Trip computer” kan op het display informatie worden weergegeven over de werking van d
GENERAL TRIP, dat betrekking heeft op de hele rit van de auto, en TRIP B, dat betrekking heeft op een dee
een onderdeel (zoals is afgebeeld in de fig.) van het totale traject van de auto.
Beide functies kunnen op nul worden gezet (reset - begin van een nieuwe rit).
Einde deeltraject
Begin nieuw deeltraject
Reset TRIP B Einde deeltraject
Begin nieuw deeltraject
˙
Reset TRIP B
˙
˙
Reset TRIP B
˙
˙
˙
TRIP B
TRIP B
TRIP B
Einde deeltraject
Begin nieuw deeltraject Einde deeltraject
Begin nieuw deeltraject
Reset TRIP B
GENERAL TRIP
Einde rit
Begin nieuwe rit
Reset GENERAL TRIP
˙
Einde rit
Begin nieuwe rit
Reset GENERAL TRIP
˙

WEGWIJS IN UW AUTO
70
Weergegeven gegevens
Gemiddeld verbruik
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik
aan vanaf het begin van een nieuwe rit.
Huidig verbruik
Geeft constant bijgewerkt het actuele brand-
stofverbruik aan. Als de auto stilstaat met
draaiende motor wordt “- - - -” op het dis-
play weergegeven.
Gemiddelde snelheid
Geeft de gemiddelde snelheid van de au-
to aan op basis van de tijd die verstreken
is vanaf het begin van een nieuwe rit.
Reistijd
Geeft de verstreken tijd aan vanaf het be-
gin van een nieuwe rit (reistijd).
Autonomie (actieradius)
Geeft het aantal kilometers aan dat n
gereden kan worden met de brandstof i
brandstoftank, waarbij ervan uit wordt
gaan dat de rijstijl niet verandert.
Op het display verschijnt de indicatie “
als:
❒
de actieradius kleiner is dan 50 km
30 mijl);
❒
de auto langer dan 5 minuten stilsta
met draaiende motor.
Afgelegde afstand
Geeft de afstand aan die de auto hee
afgelegd vanaf het begin van een nieu
rit.
Als de accu losgekoppeld is gewees
aan het begin van een nieuwe rit (rese
toont het display de waarde “0.0”.
GENERAL TRIP geeft informatie over:
❒Gemiddeld verbruik
❒Huidig verbruik
❒Gemiddelde snelheid
❒Reistijd
❒Autonomie (actieradius)
❒Afgelegde afstand
TRIP B geeft informatie over:
❒Gemiddeld verbruik B
❒Gemiddelde snelheid B
❒Reistijd B
❒Afgelegde afstand B

WEGWIJS IN UW AUTO
71
KNOP SET
Deze knop, die zich op de rechter hendel
(fig. 86) bevindt, geeft, met de sleutel
in stand , toegang tot de functies GE-MAR
NERAL TRIP en TRIP B.
Met de knop kunnen bovendien deSET
functies GENERAL TRIP en TRIP B op nul wor-
den gezet om een nieuwe rit te beginnen:
- kort indrukken: om naar het vol-
gende scherm te gaan;
- even ingedrukt houden: voor het
op nul zetten (reset) en het beginnen
van een nieuwe rit.
Procedure voor het begin van
een rit (reset)
Als een nieuwe rit gecontroleerd moet
den met GENERAL TRIP moet, met d
tel in stand , knop langer dMAR SET
2 seconden ingedrukt worden gehoud
Als de reset-procedure (knop SET lan
dan 2 seconden indrukken) wordt uit
voerd terwijl het scherm van GENERA
wordt weergegeven, dan worden ook de
gevens van TRIP B op nul gezet.
Als de reset-procedure (knop SET lan
dan 2 seconden indrukken) wordt uit
voerd terwijl het scherm van TRIP B w
weergegeven, dan worden alleen de ge
vens van TRIP B op nul gezet.
BELANGRIJK De gegevens over de A
TONOMIE en het HUIDIGE BRAN
VERBRUIK kunnen niet op nul word
zet.
BELANGRIJK Als er geen informatie is, ver-
schijnt bij alle functies op de TRIP COMPU-
TER de aanduiding “- - - -” in plaats van de
waarde. Wanneer de normale werking weer
hersteld is, worden de waarden van de func-
ties weer op normale wijze weergegeven.
De waarden die voor de storing werden
weergegeven, worden niet op nul gezet en
er wordt geen nieuwe rit begonnen.
Nieuwe rit
Begint als een reset is uitgevoerd:
❒
“handmatig” door de gebruiker door de
knop SET even ingedrukt te houden;
❒
“automatisch” als de “afgelegde af-
stand” de waarde 9999,9 km (of mijl)
bereikt, de “reistijd” de waarde 99.59
(99 uur en 59 minuten) of iedere keer
als de accu losgekoppeld is geweest.
fig. 86
A0A0021b

WEGWIJS IN UW AUTO
72
Aangetrokken handrem
Het lampje gaat branden als de handrem
wordt aangetrokken.
TE HOGE
KOELVLOEISTOF-
TEMPERATUUR
(rood)
Als u de contactsleutel in stand MA
draait, gaat het lampje branden. Na en
le seconden moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden (op het disp
verschijnen ook een bericht en een symb
als de motor te warm is. Als dit tijdens
rijden gebeurt, moet de auto worden
gezet met draaiende motor en moet iets
worden gegeven om de koelvloeistof s
ler te laten circuleren.
Als het lampje niet dooft binnen 2 of 3
nuten, zet dan de motor uit en wendt u
de Alfa Romeo-dealer.
LAMPJES EN
BERICHTEN
BELANGRIJK De aanwezigheid van een
lampje is afhankelijk van de motoruitvoe-
ring en het uitrustingsniveau van de auto.
TE LAAG REMVLOEI-
STOFNIVEAU
(rood)
AANGETROKKEN
HANDREM
(rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje branden. Na enke-
le seconden moet het lampje doven.
Te laag remvloeistofniveau
Het lampje gaat branden (op het display
verschijnen ook een bericht en een symbool)
als het remvloeistofniveau in het reservoir
onder het minimum niveau is gedaald, bij-
voorbeeld door lekkage in het remsysteem.
x
Als het lampje tijdens het
rijden gaat branden, con-
troleer dan of de handrem
niet is aangetrokken. Als het lamp-
je blijft branden terwijl de handrem
niet is aangetrokken, stop dan on-
middellijk en wendt u tot een Alfa
Romeo-dealer.
u

WEGWIJS IN UW AUTO
74
VERSLETEN
REMBLOKKEN
Bij ingetrapt rempedaal verschijnen op het
display een bericht en een symbool als de
remblokken voor versleten zijn; laat deze
zo snel mogelijk vervangen.
BELANGRIJK Omdat de auto is uitge-
rust met een slijtage-indicator voor de rem-
blokken voor moet u, als de remblokken
worden vervangen, ook de remblokken ach-
ter laten controleren.
STORING IN
SELESPEED
VERSNELLINGSBAK
(uitvoeringen 2.0
JTS Selespeed)
Op uitvoeringen met Selespeed versnel-
lingsbak verschijnen bij een storing in de ver-
snellingsbak, een bericht en een symbool
op het display. Wendt u in dat geval zo snel
mogelijk tot de Alfa Romeo-dealer om de
storing te laten verhelpen.
STORING MOTOR-
MANAGEMENT-
SYSTEEM
EOBD
(geel)
Als u onder normale omstandigheden
contactsleutel in stand draait, dMAR
gaat het lampje branden. Het lampje m
uitgaan als de motor is gestart. Het lam
gaat eerst branden om de juiste werkin
van aan te geven.
Als het lampje blijft branden of tijden
rijden gaat branden (op het display v
schijnen ook een bericht en een symbo
constant branden - duidt op een de-
fect in het inspuit-/ontstekingssysteem
kan tot gevolg hebben dat schadelijke
laatgasemissie toeneemt, de prestaties
minderen, de auto slechter gaat rijden
het brandstofverbruik toeneemt. U kun
der deze omstandigheden doorrijden z
der te veel van de motor te eisen of met
ge snelheid te rijden. Als lang met een b
dend waarschuwingslampje wordt doo
reden, kunnen beschadigingen ontsta
Wendt u zo snel mogelijk tot de Alfa Ro
dealer. Het lampje dooft als de storing
dwijnt. De storing wordt door het syst
in het geheugen opgeslagen;
NIET OMGELEGDE
VEILIGHEIDS-
GORDELS (rood)
Het lampje brandt continu als de contact-
sleutel in stand MAR staat en de veilig-
heidsgordel aan de bestuurderszijde niet is
omgelegd.
NIET GOED
GESLOTEN
PORTIEREN
Op het display verschijnen een bericht en
een symbool als een of meer portieren of
de achterklep niet goed gesloten is.
< d
´
t
U

WEGWIJS IN UW AUTO
75
ALFA ROMEO CODE
Als u de contactsleutel in stand MAR zet,
dan gaat het symbool op het display een keer
knipperen en dooft vervolgens. Als de con-
tactsleutel in stand staat en het sym-MAR
bool blijft op het display weergegeven, dan
duidt dit op een storing (zie “Alfa Romeo CO-
DE”).
BELANGRIJK Als het lampje
U
en het
symbool
Y
tegelijk branden, dan duidt dit
op een storing in de Alfa Romeo CODE.
Als bij een draaiende motor een bericht en
een symbool op het display verschijnen, dan
wordt de auto niet beveiligd door het systeem
(zie “Alfa Romeo CODE” in dit hoofdstuk).
Wendt u tot een Alfa Romeo-dealer om alle
sleutels in het geheugen te laten opslaan.
VOORGLOEI-
INSTALLATIE
(dieseluitvoeringen)
STORING IN VOORGLOEI-
INSTALLATIE
(dieseluitvoeringen)
Voorgloeibougies
Als u de contactsleutel in stand MA
draait, verschijnen op het display een be
en een symbool. Het symbool dooft al
voorgloeibougies de vooraf ingestelde
peratuur hebben bereikt. Start de motor
dra het symbool gedoofd is.
BELANGRIJK Bij een gematigde of
ge buitentemperatuur kan het symbool
kort branden.
knipperend - duidt op een mogelijke be-
schadiging van de katalysator (zie “EOBD-
systeem” in dit hoofdstuk). Als het lampje
knippert, moet het gaspedaal worden los-
gelaten zodat de motor met lage toeren-
tallen draait en het lampje niet meer knip-
pert; u kunt met matige snelheid doorrijden
waarbij rij-omstandigheden moeten worden
vermeden die kunnen leiden tot het opnieuw
gaan knipperen van het lampje. U dient zo
snel mogelijk contact op te nemen met de
Alfa Romeo-dealer.
Y
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait en het
lampje
U
gaat niet bran-
den of het gaat branden of knip-
peren tijdens het rijden, dan dient
u zo snel mogelijk contact op te ne-
men met de Alfa Romeo-dealer.
m

WEGWIJS IN UW AUTO
77
STORING IN ABS
(indien aanwezig)
(geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje branden. Na enke-
le seconden moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden (op het display
verschijnen ook een bericht en een symbool)
als het systeem defect is. In dat geval blijft
het remsysteem normaal werken, maar zon-
der de mogelijkheden van het ABS.
Het verdient in deze situatie aanbeveling
om onder omstandigheden met weinig grip
voorzichtig te rijden. Wendt u zo snel mo-
gelijk tot de Alfa Romeo-dealer.
STORING IN EBD
(rood)
(geel)
Als bij een draaiende motor
de lampjes
x
en
>
gelijk-
tijdig branden (op het display
verschijnen ook een bericht en
een symbool), dan is er een storing in
EBD-systeem; in dat geval kunnen bij
remmen de achterwielen vroegtijdig b
keren waardoor de auto kan gaan slipp
Rijd zeer voorzichtig naar de dichts
zijnde Alfa Romeo-dealer om het syst
te laten controleren.
INSCHAKELING
BRANDSTOFNOOD-
SCHAKELAAR
Op het display verschijnen een bericht en
een symbool als de brandstofnoodschake-
laar inschakelt.
s>x
>
Als u na het verschijnen
van dit bericht een brand-
stoflucht ruikt of merkt dat
het brandstofsysteem lekt, druk
dan de schakelaar niet terug, zo-
dat brand wordt voorkomen.

WEGWIJS IN UW AUTO
78
VDC-SYSTEEM
(indien aanwezig)
(geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje branden. Na enke-
le seconden moet het lampje doven.
Als het lampje niet dooft of tijdens het rij-
den blijft branden (en op het display ver-
schijnen een bericht en een symbool),
wendt u dan tot de Alfa Romeo-dealer.
Als het lampje knippert tijdens het rijden,
dan geeft dit aan dat het VDC-systeem
werkt.
ASR-SYSTEEM (ANTI-
DOORSLIPREGELING
VAN DE WIELEN)
(indien aanwezig)
(geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje branden. Na enke-
le seconden moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden als het systeem
is uitgeschakeld. Het lampje knippert als het
systeem inschakelt, om de bestuurder te
waarschuwen dat het systeem zich aanpast
aan de grip op het wegdek.
Het lampje gaat branden (op het display
verschijnen ook een bericht en een symbool)
als het ASR-systeem defect is. Wendt u in
dat geval zo snel mogelijk tot de Alfa Ro-
meo-dealer.
FRONTAIRBAG
PASSAGIERSZIJDE
UITGESCHAKELD
(geel)
(optional voor bepaalde
uitvoeringen/markten)
Als de frontairbag aan passagierszijde is in-
geschakeld en u zet de contactsleutel in stand
MAR, dan gaat het lampje branden. Na on-
geveer 4 seconden moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden als de frontair-
bag aan de passagierszijde is uitgeschakeld.
FáV
Een defect lampje
F
wordt aangegeven door
het branden van het lamp-
je
¬
. Bovendien kunnen de airbags
aan passagierszijde (frontairbag en
zij-airbag) automatisch worden uit-
geschakeld. Voordat u verder rijdt,
dient u contact op te nemen met de
Alfa Romeo-dealer om het systeem
direct te laten controleren.

WEGWIJS IN UW AUTO
79
RESERVEBRANDSTOF
(geel)
Het lampje gaat branden (op enkele uit-
voeringen verschijnt ook een bericht op het
display) als nog ongeveer 7 liter brandstof
in de tank aanwezig is en bij enkele uit-
voeringen als de actieradius kleiner is dan
50 km.
RICHTING-
AANWIJZER
LINKS (groen)
Het lampje gaat branden als de richting-
aanwijzerhendel omlaag wordt gezet of, te-
gelijkertijd met het lampje van de rechter rich-
tingaanwijzer, als de drukknop voor de waar-
schuwingsknipperlichten wordt ingedrukt.
RICHTINGAANWIJ-
ZER RECHTS (groen)
Het lampje gaat branden als
de richtingaanwijzerhendel
omhoog wordt gezet of,
tegelijkertijd met het lampje
van de linker richtingaan-
wijzer, als de drukknop voor
de waarschuwingsknipper-
lichten wordt ingedrukt.
BUITENVERLICHTING
(groen)
Het lampje gaat branden als de buitenver-
lichting of het dimlicht wordt ingeschakeld.
CRUISE-CONTROL
(indien aanwezig)
(groen)
Het lampje gaat branden (op enkele uit-
voeringen verschijnen een bericht en een
symbool op het display) als u de draaiknop
van de cruise-control in stand ON zet.
GROOTLICHT
(blauw)
Het lampje gaat branden als het grootlicht
of als de functie “Follow me home” wordt
ingeschakeld (zie de betreffende paragraaf).
STORING
BUITENVERLICHTING
(geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje branden. Na enke-
le seconden moet het lampje doven.
Op het display verschijnen een bericht en
een symbool als er een storing is in een van
de volgende systemen:
❒
buitenverlichting
❒
remlichten en bijbehorende zekering
❒
mistachterlicht
❒
kentekenplaatverlichting.
De storing kan betreffen: doorbranden van
een of meer lampen, doorbranden van de
bijbehorende zekering of een onderbreking
in de elektrische verbinding.
WK
R
E
3
Ü
1

WEGWIJS IN UW AUTO
80
DEFECTE CONTROLE-/
WAARSCHUWINGSLAMPJES
Op het display verschijnt een bericht als er
een storing is in een van de volgende lamp-
jes: ABS-lampje, EBD-lampje, ASR-lampje,
VDC-lampje.
STORING MOTOROLIE-
NIVEAUSENSOR
Op het display verschijnt een bericht als er
een storing is in de olieniveausensor. Wendt
u zo snel mogelijk tot de Alfa Romeo-dealer
om de storing te laten verhelpen.
SNELHEIDSLIMIET
OVERSCHREDEN
Op het display verschijnen een bericht en
een symbool en er klinkt een geluidssignaal,
als de ingestelde snelheidslimiet wordt over-
schreden (zie de paragraaf “Instelbaar mul-
tifunctioneel display”).
AUTONOMIE
(Trip Computer)
Op het display verschijnen een bericht en
een symbool als de actieradius kleiner is dan
50 km.
GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUD
Op het display verschijnt een bericht, van-
af 2.000 km voordat de werkzaamheden
van het Geprogrammeerde Onderhoud moe-
ten worden uitgevoerd.
Dit bericht wordt iedere 200 km een be-
paalde tijd weergeven als de contactsleutel
in stand wordt gedraaid.MAR
KANS OP GLADHEID
Op het display verschijnen een bericht en
het symbool
√
om de bestuurder te waar-
schuwen voor gladheid, en er klinkt een ge-
luidssignaal als de buitentemperatuur gelijk
is aan of lager wordt dan 3°C.
Het geluidssignaal klinkt ongeveer 2 se-
conden terwijl het bericht ongeveer 10 se-
conden wordt weergegeven. Hierna blijft al-
leen het symbool weergegeven, totdat de
temperatuur boven 6°C komt of de motor
wordt uitgezet.
Als tijdens het rijden, na de waarschuwing
voor gladheid, de temperatuur boven 6°C
komt, verdwijnt het symbool
√
. Als de tem-
peratuur opnieuw 3°C bereikt, verschijnt
er een nieuw bericht (met knipperende bui-
tentemperatuur) en het symbool
√
, en
klinkt er een geluidssignaal.
√

WEGWIJS IN UW AUTO
81
1Vast luchtrooster boven voor ontwasemen of ontdooien voorruit Vaste luchtroosters voor ontwa-2 Middelste verstelbaar luchtrooster boven 3
semen of ontdooien zijruiten voor Middelste verstel- en regelbare luchtroosters Verstel- en regelbare uitstroomopeningen aan zijkant 4 5 6 Vaste
luchtroosters in beenruimten voor 7Vaste luchtroosters in beenruimten achter Verstel- en regelbare uitstroomopening achter.8
VERWARMING EN AIRCONDITIONING
fig. 87
A0A0703b

WEGWIJS IN UW AUTO
82
fig. 88 fig. 89 fig. 90
MIDDELSTE LUCHTROOSTER
BOVEN
(fig. 88)
Het rooster ( ) kan met knop ( ) wor-1 A
den geopend en gesloten.
•
= Geheel gesloten.
I= Geheel geopend.
MIDDELSTE VERSTELBARE
LUCHTROOSTERS
( )fig. 88
Elk rooster ( ) is voorzien van een hen-2
deltje (B) waarmee de luchtstroom in vier
richtingen (omhoog/omlaag, rechts/
links) kan worden gericht.
De luchtopbrengst kan met knop (C)
worden geregeld:
•
= Geheel gesloten.
I= Geheel geopend.
VERSTELBARE UITSTROOM-
OPENINGEN AAN ZIJKANT
(fig. 89)
De luchtstroom kan worden gericht met
ring ( ) en/of direct met hendeltje (A B).
De luchtopbrengst kan met knop (C)
worden geregeld:
•
= Geheel gesloten.
I= Gedeeltelijk geopend.
II = Geheel geopend.
D- vast luchtrooster voor ontwase-
men/ontdooien zijruiten voor.
VERSTELBARE UITSTROOM-
OPENING ACHTER
(fig. 90)
De luchtstroom kan worden gericht met
ring ( ) en/of direct met hendeltje (A B).
De luchtopbrengst kan met knop (C)
worden geregeld:
•
= Geheel gesloten.
I= Gedeeltelijk geopend.
II = Geheel geopend.
A0A0085b A0A0086b A0A0087b

WEGWIJS IN UW AUTO
83
Hierna is beknopt de werking van de
handmatig geregelde verwarming
beschreven.
Voor een optimaal gebruik van de ver-
warming onder de diverse gebruiksom-
standigheden moeten de draaiknoppen in
de stand worden gezet die op de verschil-
lende afbeeldingen is aangegeven.
Om het systeem beter te begrijpen en te
benutten, raden wij u aan om de volgen-
de pagina’s zorgvuldig te lezen.
HANDMATIGE VERWARMING
A0A0730b
SNEL ONTWASEMEN/ONTDOOIEN
A0A0731b
MAXIMALE VERWARMING
fig. 91
fig. 92

WEGWIJS IN UW AUTO
84
BEDIENINGSORGANEN
(fig. 93)
1 - Draaiknop voor regeling luchttempe-
ratuur
2- Draaiknop voor regeling aanjager-
snelheid
3- Draaiknop voor regeling luchtverde-
ling
4 - Drukknop in-/uitschakelen recircula-
tie
v
5 - Drukknop voor in-/uitschakelen ach-
terruitverwarming
(
.
fig. 93
A0A0732b

WEGWIJS IN UW AUTO
85
DRAAIKNOP VOOR REGELING
LUCHTTEMPERATUUR
Draai de ring van knop (1-fig. 93)
rechts- of linksom om de temperatuur van
de lucht naar het interieur respectievelijk
te verhogen of verlagen.
DRAAIKNOP VOOR REGELING
AANJAGERSNELHEID
Met de ring van knop (2-fig. 93) kan
een van de aanjagersnelheden worden
gekozen, waardoor de hoeveelheid lucht
naar het interieur kan worden ingesteld.
In de stand is de aanjager uitgeschakeld0
en wordt automatisch de recirculatiefunctie
ingeschakeld (het lampje naast de druk-
knop 4
v
gaat branden). Hierdoor komt
geen buitenlucht meer in het interieur.
U kunt de recirculatiefunctie uitschakelen
met drukknop (4)
v
.
Luchtstroom verdeeld over voor-
ruit/zijruiten voor en de beenruim-
ten.
Luchtstroom naar de voorruit en zij-
ruiten voor voor ontwasemen/-
ontdooien.
Luchtstroom voor snel ontwasemen/-
ontdooien van voorruit en zijruiten
voor, waarbij tegelijkertijd de achterruitver-
warming wordt ingeschakeld, zodat ook de
achterruit wordt ontwasemd/ontdooid (deze
functie wordt MAX-DEF genoemd).
≤
y
-
DRAAIKNOP VOOR REGELING
LUCHTVERDELING
Door de draaiknop (3-fig. 93) met het
merkteken tegenover de symbolen te zet-
ten, kunnen de volgende standen worden
gekozen:
Luchtstroom naar de middelste
luchtroosters boven, de luchtroos-
ters in het midden en de uitstroomopenin-
gen voor aan de zijkant en achter. De
luchtstroom kan worden geregeld met de
bedieningsorganen van de luchtroosters.
Lucht uit de hiervoor beschreven
luchtroosters en de luchtroosters/
uitstroomopening in de beenruimten.
Luchtstroom naar de beenruimten
(voor en achter).
μ
w
¥

WEGWIJS IN UW AUTO
86
DRUKKNOP IN-/UITSCHAKE-
LING RECIRCULATIEFUNCTIE
Als u drukknop (4-fig. 93)
v
indrukt, wordt de recirculatiefunctie inge-
schakeld en gaat het lampje naast de
knop branden.
In dit geval wordt de lucht direct vanuit
het interieur door het systeem behandeld
en de aanjager ingeschakeld.
U kunt de recirculatiefunctie uitschakelen
en de toevoer van buitenlucht inschakelen
door de knop nogmaals in te drukken.
Met de recirculatiefunc-
tie kan zeer snel de
gewenste temperatuur
worden bereikt als het systeem
“verwarmt” of “koelt”. Het is
echter niet raadzaam deze functie
handmatig in te schakelen op
regenachtige of koude dagen,
omdat dan de ruiten aan de bin-
nenzijde aanzienlijk sneller kun-
nen beslaan, vooral als de hand-
bediende airconditioning niet is
ingeschakeld.
Het verdient aanbeve-
ling om de recirculatie-
functie
v
in te schake-
len in de file of in tunnels.
Hiermee wordt voorkomen dat
vervuilde lucht het interieur
bereikt. Het is raadzaam het sys-
teem niet lang achter elkaar te
gebruiken, omdat anders, vooral
als u met meerdere personen in
de auto zit, de kans aanzienlijk
toeneemt dat de ruiten beslaan.
DRUKKNOP IN-/UITSCHAKE-
LEN
ACHTERRUITVERWARMING
Als u drukknop (5-fig. 93)
(
indrukt, worden de achterruitverwarming
en (indien aanwezig) de spiegelverwar-
ming ingeschakeld; tegelijkertijd gaat het
lampje naast de drukknop branden. De
functie is voorzien van een tijdschakeling,
waardoor de functie na 20 minuten auto-
matisch wordt uitgeschakeld. U kunt de
verwarming eerder uitschakelen door nog-
maals de knop in te drukken.
BELANGRIJK Het systeem schakelt
automatisch de achterruitverwarming in
als de temperatuur lager wordt dan 3
°
C.
BELANGRIJK Plak geen stickers aan
de binnenzijde van de achterruit over de
weerstandsdraden. Hierdoor kunnen de
draden beschadigen en wordt de werking
negatief beïnvloed.
Ga voorzichtig te werk
als de achterruit aan de
binnenzijde wordt gerei-
nigd. De weerstandsdraden van
de achterruitwarming mogen niet
worden beschadigd.

WEGWIJS IN UW AUTO
87
ONTDOOIEN EN/OF
ONTWASEMEN VAN DE VOOR-
RUIT EN DE ZIJRUITEN VOOR,
DE ACHTERRUIT EN DE BUI-
TENSPIEGELS
( )functie MAX-DEF ( )fig. 94
Ga als volgt te werk:
- zet de ring van knop (3) voor de lucht-
verdeling op symbool
-
.
Het systeem schakelt gedurende een
bepaalde tijd (na drie minuten wordt de
regeling automatisch uitgeschakeld) alle
functies in die nodig zijn voor het ontdooi-
en/ontwasemen van de voorruit en de zij-
ruiten voor. D.w.z. dat het systeem:
- de recirculatiefunctie uitschakelt (indien
ingeschakeld);
- de maximale luchttemperatuur inscha-
kelt;
- de aanjager laat draaien met een voor-
af bepaalde snelheid;
- de luchtstroom naar de luchtroosters
voor de voorruit en de zijruiten voor leidt;
- de achterruit- en (indien aanwezig) de
spiegelverwarming inschakelt.
Als max-def is ingeschakeld, dan gaan
branden: het lampje naast knop (5)
(
voor de achterruitverwarming.
BELANGRIJK Als de motor nog niet
de bedrijfstemperatuur heeft bereikt,
wordt de maximale snelheid van de aan-
jager niet direct ingeschakeld. Hiermee
wordt de toevoer van nog te koude lucht
voor de ontwaseming van de ruiten
beperkt.
Nadat de ruiten ontwasemd/ontdooid
zijn, kan een stand gekozen worden
waarbij het zicht en het comfort optimaal
blijven.
BELANGRIJK Ontdooien vindt het
snelst plaats bij een warme motor.
BELANGRIJK Als het buiten extreem
vochtig is en/of bij regen en/of bij grote
verschillen in interieur- en buitentempera-
tuur, raden wij u de volgende procedure
aan om beslaan van ruiten te voorkomen:
- schakel de recirculatiefunctie uit, het
lampje naast knop (4)
v
gaat uit;
- zet draaiknop ( ) ten minste op de2
tweede snelheid;
- zet knop ( ) op symbool 3
≤
met de
mogelijkheid stand
y
in te schakelen als
de ruiten dreigen te beslaan.
Druk om de achterruit te ontdooien of
ontwasemen op knop (5)
(
, het lamp-
je naast de knop brandt.
A0A0733b
fig. 94

WEGWIJS IN UW AUTO
88
VERWARMEN
(fig. 95)
Ga voor het instellen van de gewenste
temperatuur als volgt te werk:
- zet knop ( ) voor de temperatuurrege-1
ling in de gewenste stand in het rode
gebied;
- draai knop ( ) voor de aanjagersnel-2
heid op de gewenste snelheid om de hoe-
veelheid lucht naar het interieur aan te
passen;
- draai knop ( ) voor de luchtverdeling3
op de gewenste stand.
Ga voor maximale verwarming als volgt
te werk:
- draai knop ( ) rechtsom in de uiterste1
stand (rode gebied);
- zet knop (2) op de maximale aanja-
gersnelheid;
- zet knop ( ) voor de luchtverdeling in3
de gewenste stand (bij voorkeur
w
).
BELANGRIJK Voor een goede verwar-
ming van het interieur moet de motor de
bedrijfstemperatuur hebben bereikt.
Het filter reinigt de in het interieur inge-
voerde buitenlucht, zodat de lucht gezui-
verd is en geen stofdeeltjes, pollen enz.
bevat.
Door het pollenfilter wordt ook de con-
centratie van luchtverontreinigende
bestanddelen verminderd.
Het filter werkt ongeacht de stand van
de luchttoevoer en werkt het best als de
ruiten zijn gesloten.
Laat het filter ten minste een keer per
jaar controleren door de Alfa Romeo-
dealer, bij voorkeur aan het begin van het
zomerseizoen.
Als de auto veel over stoffige wegen of
bij geconcentreerde luchtvervuiling rijdt,
moet het pollenfilter vaker worden gecon-
troleerd en vervangen dan in het onder-
houdsschema staat aangegeven.
Een niet tijdig vervan-
gen filter kan het rende-
ment van de klimaatrege-
ling aanzienlijk beperken. Hierbij
is het mogelijk dat geen lucht
meer uit de uitstroomopeningen
en luchtroosters komt.
POLLENFILTER
( )voor bepaalde uitvoeringen/markten
A0A0734b
fig. 95

WEGWIJS IN UW AUTO
89
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING MET GESCHEIDEN REGELING
( )voor bepaalde uitvoeringen/markten
Ga als volgt te werk om het systeem in
te schakelen (fig. 96):
- verdraai de ringen van de knoppen om
de gewenste temperatuur in te stellen
(bestuurderszijde – passagierszijde);
- druk knop AUTO in.
BELANGRIJK Met de airconditioning
kan de temperatuur voor de bestuurder en
de passagier apart worden ingesteld. Het
maximale temperatuurverschil is 7°C.
BELANGRIJK De aircocompressor
werkt alleen bij een draaiende motor en
bij een niet al te lage buitentemperatuur. Bij een lage buitentem-
peratuur werkt de airco-
compressor niet. Het ver-
dient daarom aanbeveling om de
recirculatiefunctie
v
bij lage
buitentemperaturen niet te
gebruiken, omdat de ruiten
anders snel kunnen beslaan.
Om het systeem beter te begrijpen en te
benutten, raden wij u aan om de volgen-
de pagina’s zorgvuldig te lezen.
A0A0203b
fig. 96
De airconditioning maakt
gebruik van het koelmid-
del “R134a”. Bij lekkage
is dit middel niet schadelijk voor
het milieu.
Gebruik in geen geval andere
middelen, omdat anders de com-
ponenten van het systeem
beschadigd kunnen worden.

WEGWIJS IN UW AUTO
90
BELANGRIJK Telkens als de contact-
sleutel in stand wordt gezet of alsMAR
knop auto wordt ingedrukt, dan wordt de
ontwasemfunctie ingeschakeld. De functie
kan worden onderbroken door het indruk-
ken van de knoppen: airconditioning,
recirculatie, luchtverdeling, luchtop-
brengst. Hierdoor wordt het signaal van
de wasemsensor onderbroken, totdat u
opnieuw knop auto indrukt of de con-
tactsleutel in stand MAR zet.
Bij sommige uitvoeringen is het systeem
uitgerust met een luchtkwaliteitsensor die
automatisch de luchtrecirculatie kan
inschakelen om de onaangename effecten
van vervuilde lucht, tijdens het rijden in de
stad, in de file en in tunnels, en als de rui-
tensproeiers worden ingeschakeld (met
de typische alcoholgeur), te verminderen.
BELANGRIJK De werking van de
luchtkwaliteitsensor is ondergeschikt aan
de veiligheid; daarom wordt de werking
uitgeschakeld als de compressor wordt uit-
gezet of als de buitentemperatuur lager
wordt dan 4°C. U kunt de sensor weer
inschakelen door de recirculatieknop
v
in te drukken. Hierdoor werkt het systeem
weer automatisch.
Om een goede werking
van de wasemsensor te
garanderen mogen geen
zelfklevende voorwerpen (tol-
vignetten, parkeerschijven enz.) in
het “controle”-gebied tussen sen-
sor en voorruit worden aange-
bracht. Bovendien moeten de voor-
ruit en de sensor voorzichtig wor-
den schoongemaakt, waarbij moet
worden voorkomen dat stof of
andere ongerechtigheden zich
ophopen.
ALGEMENE INFORMATIE
De auto is uitgerust met een klimaatre-
geling met gescheiden luchttemperatuur-
regeling voor bestuurders- en passagiers-
zijde, die geregeld wordt door een elek-
tronische regeleenheid. Voor een optimale
temperatuurregeling in de twee ruimtes
van het interieur, is het systeem uitgerust
met een buitentemperatuursensor, een
interieurtemperatuursensor en een dubbe-
le zonnestralingssensor.
Bij sommige uitvoeringen is het systeem
voorzien van een wasemsensor direct ach-
ter de binnenspiegel. Deze sensor kan een
bepaald gebied aan de binnenzijde van de
voorruit “controleren” en het systeem
automatisch bedienen, zodat wasem
wordt voorkomen of verminderd.
Daarvoor voert het systeem de volgende
handelingen uit: recirculatiefunctie uitscha-
kelen, compressor inschakelen, luchtver-
deling naar voorruit, aanjagersnelheid
hoog genoeg voor ontwasemen; als de
wasem hardnekkig is, dan wordt de func-
tie MAX-DEF Ingeschakeld.

WEGWIJS IN UW AUTO
91
De luchtkwaliteit wordt ook geregeld
door een gecombineerd pollenfilter met
actieve koolstof. De klimaatregeling con-
troleert en regelt automatisch de volgende
parameters en functies:
- temperatuur ingevoerde lucht in het
interieur (gescheiden voor de bestuur-
ders- en passagierszijde)
- aanjagersnelheid
- luchtverdeling
- in-/uitschakeling recirculatiefunctie
- toestaan in-/uitschakeling aircocom-
pressor.
Het is mogelijk de instelling van de vol-
gende functies handmatig te veranderen:
- aanjagersnelheid
- luchtverdeling
- in-/uitschakeling recirculatiefunctie
- toestaan in-/uitschakeling aircocom-
pressor.
De regeling van de functies die niet
handmatig zijn gewijzigd, blijft automa-
tisch plaatsvinden. De temperatuurrege-
ling van de lucht naar het interieur vindt
altijd automatisch plaats. De temperatuur
is afhankelijk van de op de displays voor
de bestuurder en passagier ingestelde
waarden.
BELANGRIJK De handmatige instellin-
gen hebben voorrang boven de automati-
sche instellingen en blijven in het geheu-
gen opgeslagen, totdat de gebruiker de
regeling weer overlaat aan het automati-
sche systeem. De handmatig gekozen
instellingen blijven opgeslagen als de
motor wordt uitgezet en weer hersteld als
de motor opnieuw wordt gestart.

WEGWIJS IN UW AUTO
92
BEDIENINGSORGANEN
(fig. 97)
1- Display ingestelde interieurtempe-
ratuur (bestuurderszijde)
2 - Draaiknop voor regeling van de inte-
rieurtemperatuur (bestuurderszijde)
3- Display ingestelde aanjagersnelheid
en weergave uitgeschakeld systeem (OFF)
4 - Draaiknop voor aanjagersnelheid en
uitschakelen systeem
5- Display ingestelde interieurtempe-
ratuur (passagierszijde)
6 - Draaiknop voor regeling van de inte-
rieurtemperatuur (passagierszijde)
7- Drukknop in-/uitschakelen maximale
ontdooiing/ontwaseming van voorruit en
zijruiten voor, achterruitverwarming en
verwarming buitenspiegels (functie MAX-
DEF)
8 - Drukknop in-/uitschakelen recircula-
tie
v
(handmatig/automatisch)
9- Drukknop in-/uitschakelen achter-
ruit- en spiegelverwarming
(
10 - Drukknoppen voor instellen lucht-
verdeling
11 - Interieurtemperatuursensor
12 - Drukknop voor gelijkstellen inge-
stelde temperatuur van passagiers- met
bestuurderszijde MONO
13 - Drukknop voor inschakelen auto-
matische werking AUTO
14 - Drukknop in-/uitschakelen airco-
compressor
√
fig. 97
A0A0090b

WEGWIJS IN UW AUTO
94
DRAAIKNOPPEN VOOR DE
LUCHTTEMPERATUUR
(fig. 98)
Als u de ring van knop ( ) rechts-2 6of
of linksom draait, wordt de gewenste tem-
peratuur links (knop ) of rechts (knop2
6) resp. verhoogd of verlaagd. De inge-
stelde temperaturen verschijnen op de dis-
plays ( ) en (1 5) boven de betreffende
knoppen.
De gescheiden temperatuurregeling
wordt automatisch hervat als u draaiknop
(6) bedient.
Als u de knop helemaal naar rechts of
helemaal naar links draait, tot aan de
uiterste waarden , wordt respec-HI of LO
tievelijk de functie van de maximale ver-
warming of de maximale koeling inge-
schakeld:
A0A0204b
fig. 98

WEGWIJS IN UW AUTO
95
Functie HI (maximale verwarming
- fig. 99)
Als u op het display een temperatuur hoger
dan 32,5°C instelt, wordt deze functie inge-
schakeld, onafhankelijk of de instelling aan
de bestuurders- of passagierszijde of aan
beide zijden plaatsvindt; door deze instelling
wordt het systeem niet meer gescheiden
geregeld. De functie wordt op beide displays
aangegeven.
Deze functie kan worden ingeschakeld
als u het interieur zo snel mogelijk wilt
verwarmen, waarbij maximaal van het
vermogen van het systeem gebruik wordt
gemaakt.
Deze functie maakt gebruik van de maxi-
male temperatuur van de verwar-
mingsvloeistof, terwijl de luchtverdeling en de
snelheid van de aanjager door het systeem
worden ingesteld.
Het verdient aanbeveling om
deze functie niet bij koude motor
in te schakelen, omdat dan te
weinig warme lucht het interieur
bereikt.
Als deze functie is ingeschakeld, zijn alle
handmatige instellingen toegestaan.
Om de functie uit te schakelen, moet u
de ring van knop ( ) of (2 6) voor het
instellen van de temperatuur op een waar-
de onder 32,5°C zetten; op het andere
A0A0218b
fig. 99
display wordt 32,5°C weergegeven.
Als u knop (13)
AUTO indrukt, dan geeft
het display een temperatuur aan van
32,5°C en wordt de temperatuur weer
automatisch geregeld.

WEGWIJS IN UW AUTO
96
Functie LO (maximum koeling -
fig. 100)
Als u op het display een temperatuur onder
16,5°C instelt, wordt deze functie ingescha-
keld; deze instelling wordt op beide displays
weergegeven.
Deze functie kan worden ingeschakeld als u
het interieur zo snel mogelijk wilt koelen,
waarbij maximaal van het vermogen van het
systeem gebruik wordt gemaakt.
De functie onderbreekt de verwarming van
de lucht, schakelt de recirculatiefunctie in (om
te voorkomen dat warme lucht het interieur
bereikt), schakelt de aircocompressor in en
zet de luchtverdeling in de stand
R E
. De
aanjagersnelheid is afhankelijk van de instel-
ling door het systeem.
Als deze functie is ingeschakeld, zijn alle
handmatige instellingen toegestaan.
Om de functie uit te schakelen moet u de
ring van knop (2) of (6) voor het instellen
van de temperatuur op een waarde hoger
dan 16,5°C zetten; op het andere display
wordt 16,5°C weergegeven.
Als u knop (13)
AUTO indrukt, geeft het
display een temperatuur aan van 16,5°C en
wordt de temperatuur weer automatisch
geregeld.
A0A0219b
fig. 100

WEGWIJS IN UW AUTO
98
DRAAIKNOP VOOR REGELING
AANJAGERSNELHEID
(fig. 102-103)
Als u de ring van knop (4) rechts- of links-
om draait, dan wordt de aanjagersnelheid
hoger of lager en daarmee de hoeveelheid
lucht die naar het interieur wordt gevoerd; er
zijn 16 snelheden mogelijk die worden aan-
gegeven met een staafdiagram (een staafje
per 3 snelheden). Er worden maximaal 6
staafjes verlicht:
- maximum aanjagersnelheid = alle staafjes
verlicht;
- minimum aanjagersnelheid = één staafje
verlicht.
De aanjager kan worden uitgeschakeld
(geen enkel verlicht staafje), maar alleen als
u de aircocompressor hebt uitgeschakeld met
knop (14)
√
. Voor het hervatten van de
automatische werking van de aanjager na
een handmatige instelling, moet de knop
13) AUTO worden ingedrukt. Als u de ring
van knop (4) geheel linksom draait, dan
wordt het systeem uitgeschakeld. Dit levert
de volgende omstandigheden op: display (1)
uit; display ( ) uit; middelste display (5 3)
met verlichte weergave en het linkerOFF
lampje op knop van recirculatie (8)
v
brandt.
BELANGRIJK Knop (8)
v
voor de
recirculatiefunctie kan worden ingedrukt,
waardoor de buitenlucht direct naar het inte-
rieur stroomt.
Om het systeem weer in te schakelen
hoeft u slechts de ring van knop (4)
rechtsom te draaien, of een willekeurige
knop in te drukken, met uitzondering van
knop ( ) voor de recirculatie en knop (8 9)
voor de achterruitverwarming; vervolgens
worden alle hiervoor ingestelde bedrijf
standigheden hersteld.
BELANGRIJK Als de functie
OFF wordt
verlaten, dan werkt de recirculatiefun
v
op dezelfde wijze als voor het uitsc
kelen.
A0A0205b
A0A0206b
fig. 102
fig. 103

WEGWIJS IN UW AUTO
99
DRUKKNOPPEN VOOR DE
LUCHTVERDELING
(fig. 104)
Als u een of meer knoppen (10)
indrukt, dan kunt u handmatig één van de
5 mogelijke verdelingen van de lucht naar
het interieur kiezen:
R E
Lucht uit de uitstroomopeningen in
het midden en aan de zijkant van
het dashboard en uit de uitstroom-
opening achter.
RZE
Lucht uit de luchtroosters van de been-
ruimten (warmere lucht), de uit-
stroomopeningen in het midden en
aan de zijkant van het dashboard en
uit de uitstroomopening achter (koe-
lere lucht). Deze luchtverdeling is bij-
zonder nuttig in de gematigde sei-
zoenen (voor- en najaar) als de zon
schijnt.
Z
Lucht uit de luchtroosters van de been-
ruimten voor en achter. Met deze
luchtverdeling kan in een zo kort mo-
gelijke tijd de lucht in het interieur
worden verwarmd, omdat warme
lucht opstijgt. Dit geeft snel een warm
gevoel bij koude lichaamsdelen
A0A0208b
Q
Z
Lucht uit de luchtroosters in de been-
ruimte voor en achter en de lucht-
roosters voor ontwaseming/ontdooi-
ing van de voorruit en zijruiten voor.
Deze luchtverdeling zorgt voor een
goede verwarming van het interieur
en voorkomt het eventuele beslaan
van de ruiten.
Q
Lucht uit de luchtroosters voor de
ontdooiing/ontwaseming van de
voorruit en de zijruiten voor.
BELANGRIJK Als u een van deze knop-
pen indrukt, dan schakelt u de functie
(het lampje op de knop brandt) of uit (
lampje op de knop gaat uit), als de ge
zen combinatie mogelijk is. Als de co
natie niet mogelijk is, dan wordt alleen
hoofdfunctie van de knop ingeschak
De functie kan niet worden uitgescha
door de knop nogmaals in te drukken
luchtstroom moet het interieur via
minste een mogelijkheid bereiken).
Voor het hervatten van de automatis
werking van de luchtverdeling na e
handmatige instelling, moet u knop (1
AUTO indrukken.
fig. 104

WEGWIJS IN UW AUTO
100
Ook kunt u knop (13) AUTO indrukken.
In dat geval worden alle andere handma-
tige instellingen opgeheven.
DRUKKNOP VOOR
IN- EN UITSCHAKELEN
AIRCO-
COMPRESSOR
(fig. 105)
Als u knop (14)
√
indrukt, dan wordt
de aircocompressor ingeschakeld. Dit
wordt aangegeven door het branden van
het lampje op de knop.
Als u de aircocompressor uitschakelt,
dan gaat het lampje op de knoppen (13)
AUTO en (14)
√
uit. Bovendien wordt
de automatische recirculatiefunctie uitge-
schakeld (beide lampjes op knop 8
v
gaan uit). Hiermee wordt voorkomen dat
de ruiten beslaan. U kunt de recirculatie-
functie weer inschakelen door knop (8)
v
in te drukken.
Als de aircocompressor uitgeschakeld is,
dan kan de temperatuur van de lucht naar
het interieur niet lager worden dan
de buitentemperatuur; in die situatie knip-
pert de waarde op het display van de tem-
peratuur die niet bereikt kan worden en
gaat het linker lampje op knop (13
AUTO
-fig. 106) uit.
De uitschakeling van de aircocompressor
blijft in het geheugen opgeslagen ook als de
motor wordt uitgezet. U kunt de auto-
matische regeling van de aircocompressor
weer inschakelen door nogmaals knop (14)
√
in te drukken, waardoor het lampje op de
knop gaat branden.
Als de aircocompressor
werkt, dan wordt de lucht
gekoeld en ontvochtigd; het
verdient daarom aanbeveling om de
compressor altijd ingeschakeld te
laten om beslaan van de ruiten te
voorkomen.
A0A0210b
A0A0211b
fig. 105
fig. 106

WEGWIJS IN UW AUTO
101
DRUKKNOP IN-/UITSCHA-
KELEN RECIRCULATIE
(fig. 107)
Er zijn drie mogelijkheden:
- automatische regeling; dit wordt aan-
gegeven door een brandend rechter lamp-
je op de knop;
- handmatig ingeschakeld (recirculatie
altijd ingeschakeld); dit wordt aangege-
ven door een brandend linker lampje op
de knop (het lampje rechts gaat tegelij-
kertijd uit);
- handmatig uitgeschakeld (recirculatie
altijd uitgeschakeld met luchttoevoer van
buiten); beide lampjes zijn uit.
Deze drie mogelijkheden kunnen wor-
den ingeschakeld door meerdere keren op
de recirculatieknop (8)
v
te drukken.
Als de recirculatiefunctie automatisch
door het systeem wordt geregeld, dan
blijft het rechter lampje op recirculatie-
knop (8)
v
altijd branden en geeft het
linker lampje de werking van de recircula-
tiefunctie weer:
aan = recirculatiefunctie werkt;
uit = recirculatiefunctie uitgeschakeld.
Als de recirculatiefunctie handmatig is in-
of uitgeschakeld, dan is het lampje op
knop (13)
AUTO uit.
Bij de automatische werking wordt de
recirculatie automatisch ingeschakeld, ook
wanneer de luchtkwaliteitsensor de aan-
wezigheid van vervuilde lucht signaleert,
bijvoorbeeld tijdens het rijden in de stad, in
een file, in tunnels en als de ruitensproei-
ers worden ingeschakeld (met de typische
alcoholgeur).
Met de recirculatie-
functie kan zeer snel de
gewenste temperatuur
worden bereikt als het systeem
“verwarmt” of “koelt”. Het is
echter niet raadzaam deze functie
handmatig in te schakelen op
regenachtige of koude dagen,
omdat dan de ruiten aan de bin-
nenzijde aanzienlijk sneller kun-
nen beslaan, vooral als de aircon-
ditioning niet is ingeschakeld.
A0A0212b
Bij een lage buitentem-
peratuur werkt de airco-
compressor niet. Het ver-
dient daarom aanbeveling om de
recirculatiefunctie
v
bij lage
buitentemperaturen niet te
gebruiken, omdat de ruiten anders
snel kunnen beslaan.
fig. 107

WEGWIJS IN UW AUTO
102
Het verdient aanbeveling
om de recirculatiefunctie
in te schakelen in de file of
in tunnels. Hiermee wordt voor-
komen dat vervuilde lucht het
interieur bereikt. Het is raadzaam
het systeem niet lang achter
elkaar te gebruiken, omdat
anders, vooral als u met meerde-
re personen in de auto zit, de
kans aanzienlijk toeneemt dat de
ruiten beslaan.
DRUKKNOP AUTO VOOR
AUTOMATISCHE WERKING
(fig. 108)
Als u knop (13)
AUTO indrukt, regelt
het systeem automatisch de hoeveelheid
en de verdeling van de naar het interieur
toegevoerde lucht en worden alle vooraf-
gaande handmatige instellingen opgehe-
ven.
Dit wordt aangegeven door het branden
van beide lampjes op de betreffende knop.
Als het rechter lampje op knop (13
AUTO uit is, dan zijn een of meer han
matige instellingen uitgevoerd en we
het systeem niet meer geheel automati
(het linker lampje brandt) of het syste
staat geheel op . De temperatuuOFF
wordt altijd automatisch geregeld.
Bij bepaalde weersom-
standigheden (bijv.: bui-
tentemperatuur nabij
0°C) en als de recirculatie in het
interieur automatisch wordt
geregeld, kunnen de ruiten
beslaan. Druk in dat geval op de
recirculatieknop (8)
v
om de
recirculatie handmatig uit te scha-
kelen (lampjes op de knop gaan
uit) en vergroot eventueel de
luchtstroom naar de voorruit.
A0A0209b
fig. 108

WEGWIJS IN UW AUTO
104
DRUKKNOP VOOR ACHTER-
RUIT- EN SPIEGELVERWAR-
MING
(fig. 110)
Als u knop (9)
(
indrukt, dan worden
de achterruitverwarming en, indien aan-
wezig, de spiegelverwarming ingescha-
keld.
Het lampje op de knop gaat branden als
deze functie wordt ingeschakeld.
De functie schakelt na ongeveer 20
minuten automatisch uit, of als opnieuw
de knop wordt ingedrukt. De functie wordt
ook uitgeschakeld als u de motor uitzet en
blijft uitgeschakeld als u de motor
opnieuw start.
BELANGRIJK Het systeem schakelt
automatisch de achterruitverwarming in
als de temperatuur lager wordt dan 3
°
C.
BELANGRIJK Plak geen stickers of
andere plaatjes op de elektrische weer-
standsdraden aan de binnenzijde van de
achterruit, om beschadiging van de ach-
terruitverwarming te voorkomen.
POLLENFILTER
Laat het filter ten minste een keer per
controleren door de Alfa Romeo-deale
voorkeur aan het begin van het zom
seizoen.
Als de auto veel over stoffige wegen o
geconcentreerde luchtvervuiling rijdt,
het pollenfilter vaker worden gecontro
en vervangen dan in het onderhoudssch
staat aangegeven.
A0A0214b
Het filter reinigt de in het interieur inge-
voerde buitenlucht, zodat de lucht gezui-
verd is en geen stofdeeltjes, pollen enz.
bevat.
Door het pollenfilter wordt ook de con-
centratie van luchtverontreinigende
bestanddelen verminderd.
Het filter werkt ongeacht de stand van
de luchttoevoer en werkt het best als de
ruiten zijn gesloten. Een niet tijdig vervan-
gen filter kan het rende-
ment van de klimaatrege-
ling aanzienlijk beperken. Hierbij
is het mogelijk dat geen lucht
meer uit de uitstroomopeningen
en luchtroosters komt.
fig. 110

WEGWIJS IN UW AUTO
105
PARKEERSENSOREN
(fig. 111)
(optional voor bepaalde uitvoe-
ringen/markten)
Deze bevinden zich in de achterbumper
van de auto en attenderen de bestuurder
via een repeterend geluidssignaal op de
aanwezigheid van obstakels achter de
auto.
ACTIVERING
De sensoren worden automatisch geacti-
veerd als de achteruit wordt ingeschakeld.
Als de afstand tot het obstakel achter de
auto kleiner wordt, neemt de frequentie
van het geluidssignaal toe.
AKOESTISCH WAARSCHU-
WINGSSYSTEEM
Als de achteruit wordt ingeschakeld,
klinkt er automatisch een onderbroken
geluidssignaal.
De frequentie van het geluidssignaal:
– neemt toe als de afstand tot het
obstakel kleiner wordt;
– klinkt ononderbroken als de afstand
tot het obstakel minder is dan ongeveer
30 cm en stopt onmiddellijk als de
afstand tot het obstakel groter wordt;
– blijft constant als de gemeten afstand
onveranderd blijft, terwijl, als deze situatie
zich voordoet bij de sensoren aan de zij-
kant, het signaal na 3 seconden onderbro-
ken wordt, om bijvoorbeeld signalen te
voorkomen als u langs een muur rijdt.
TREKKEN VAN AANHANGERS
De werking van de sen-
soren achter wordt
automatisch uitgescha-
keld als de stekker van de elektri-
sche kabel van de aanhanger
wordt aangesloten op de stekker-
doos van de trekhaak.
De sensoren worden automatisch w
ingeschakeld als u de aanhangerstek
loskoppelt.
fig. 111
A0A0735b

WEGWIJS IN UW AUTO
106
BEDIENINGSORGANEN
ACHTERKLEPONTGRENDELING
(fig. 112)
U kunt de achterklep alleen elektrisch
ontgrendelen als de contactsleutel in
stand MAR staat bij een stilstaande auto,
en in stand STOP PARKof gedurende 3
minuten zonder een portier te openen/
sluiten. Druk op knop ( ) op de midden-A
console om de achterklep te ontgrende-
len.
WAARSCHUWINGSKNIPPER-
LICHTEN
(fig. 112)
U kunt de waarschuwingsknipperlichten
inschakelen door knop (C) op de midden-
console in te drukken. De werking is onaf-
hankelijk van de stand van de contact-
sleutel.
Als het systeem is ingeschakeld, knip-
pert het lampje in de schakelaar en wer-
ken de richtingaanwijzers en de controle-
lampjes voor de richtingaanwijzers op het
instrumentenpaneel. Druk de schakelaar
nogmaals in om het systeem uit te scha-
kelen.
Het gebruik van de
waarschuwingsknipper-
lichten is afhankelijk van
de wetgeving van het land waar-
in u zich bevindt. Houdt u aan de
voorschriften.
MISTLAMPEN
(fig. 112)
U kunt de mistlampen inschakelen door
knop ( ) op de middenconsole in teB
drukken, als de buitenverlichting reeds is
ingeschakeld; tegelijkertijd gaat het lamp-
je op de drukknop branden.
Druk knop ( ) nogmaals in om de mist-B
lampen uit te schakelen.
BELANGRIJK Houdt u bij het gebruik
van de mistlampen aan de geldende ver-
keersvoorschriften.
fig. 112
A0A0091b
MISTACHTERLICHT
(fig. 112)
U kunt het mistachterlicht inschake
door knop (D) op het dashboard in
middenconsole in te drukken, als het d
licht of de mistlampen reeds zijn in
schakeld; tegelijkertijd gaat het lampj
de drukknop branden.
Als u de contactsleutel in stand STO
zet, schakelt het mistachterlicht autom
tisch uit. De lamp schakelt pas weer in
u na het starten opnieuw op knop (D
drukt. Druk knop ( ) nogmaals in omD
mistachterlicht uit te schakelen.
BELANGRIJK Houdt u bij het gebr
van het mistachterlicht aan de gelden
verkeersvoorschriften.

WEGWIJS IN UW AUTO
107
Als u geen brandstoflekkage waarne
en de auto kan nog verder rijden, dr
dan op knop ( ) om de brandstoftoevA
weer te herstellen.
fig. 113
A0A0092b
Als u na een ongeval een
brandstoflucht ruikt of
merkt dat het brandstof-
systeem lekt, druk dan de scha-
kelaar niet terug, zodat brand
wordt voorkomen.
PORTIERVERGRENDELING
(fig. 112)
U kunt de centrale portiervergrendeling
inschakelen door knop (E) op de midden-
console in te drukken, onafhankelijk van
de stand van de contactsleutel.
Het lampje brandt:
– continu geel als de contactsleutel in
stand staat;MAR
– knipperend rood als de contactsleutel
in stand staat (waarschuwing).STOP
BRANDSTOFNOOD-
SCHAKELAAR
(fig. 113)
Deze veiligheidsschakelaar springt
omhoog bij een ongeval, waardoor de
toevoer van brandstof wordt gestopt en de
motor afslaat. De schakelaar bevindt zich
aan de onderzijde naast de stijl van het
bestuurdersportier.
De werking van de brandstof-
noodschakelaar wordt weergegeven op
het display van het instrumentenpaneel.

WEGWIJS IN UW AUTO
108
De auto moet geblok-
keerd zijn als de hendel
enkele tanden is aange-
trokken. Als dit niet het geval is,
laat dan de Alfa Romeo-dealer de
handrem afstellen.
HANDREM (
fig. 115
)
De handrem bevindt zich tussen de v
stoelen.
Om de handrem in te schakelen, moe
de hendel (A) omhoog trekken totdat
auto geblokkeerd is.
Als de contactsleutel in stand MA
staat, gaat op het instrumentenpaneel h
waarschuwingslampje
x
branden.
fig. 115
A0A0620b
Controleer de afstelling
van de koplampen telkens
als het gewicht van de
lading wijzigt.
Ga voor het instellen van de juiste stand
afhankelijk van de belading als volgt te
werk:
– stand 0: één of twee personen op de
voorstoelen
– stand 1: vijf personen
– stand 2: vijf personen + bagage in de
bagageruimte
– stand 3: bestuurder + 350 kg in de
bagageruimte
fig. 114
A0A1106b
HOOGTEVERSTELLING VAN DE
KOPLAMPEN
(fig. 114)
Als de auto beladen is, moet de hoogte
van de koplampen worden afgesteld.
Druk voor de afstelling (alleen mogelijk
als het dimlicht brandt) op de knoppen
▲
/
▼
:
– druk op knop
▲
om een stand te ver-
hogen (bijv.: 0
➟ ➟1 ➟ 2 3);
– druk op knop
▼
om een stand te ver-
lagen (bijv.: 3
➟
2
➟
1
➟
0);
Display (A) in de snelheidsmeter toont de
stand gedurende de koplampafstelling.
De koplampen met Xenon-gasont-
ladingslampen worden automatisch afge-
steld omdat uitvoeringen met deze optio-
nal niet beschikken over handmatige kop-
lampverstelling.

WEGWIJS IN UW AUTO
110
fig. 119
A0A9017i
De versnellingsbak kan op twee manie-
ren worden bediend:
– half-automatisch (in de tekst hier
aangegeven met HANDMATIG), waa
bij de bestuurder direct overschakelt
de pook op de middenconsole of de h
dels op het stuurwiel;
– automatisch CITY (in deze stand d
gekozen wordt met de knop B-fig
117, verschijnt het opschrift CITY op
display fig. 119). In deze stand beslis
het systeem zelf wanneer er wordt ov
geschakeld.
SELESPEED VERSNEL-
LINGSBAK
(optional voor bepaalde uitvoe-
ringen/markten)
BELANGRIJK Het verdient beslist aan-
beveling om dit hoofdstuk zorgvuldig te
lezen, zodat u Selespeed op de juiste
wijze gebruikt. Hierdoor bent u vanaf het
begin op de hoogte van de juiste hande-
lingen en in staat om deze uit te voeren.
Selespeed bestaat uit een normale
mechanische versnellingsbak, waaraan
een elektronisch geregeld elektrohydrau-
lisch systeem is toegevoegd. Dit systeem
bedient automatisch de koppeling en
regelt het overschakelen.
Het koppelingspedaal ontbreekt; om
weg te rijden hoeft u alleen het gaspedaal
te bedienen.
Overschakelen vindt plaats met de pook
(A-fig. 117), die slechts een centrale
vergrendelde stand heeft. Met deze pook
kan worden op- of teruggeschakeld en/of
de achteruit (R) of de vrijstand ( ) wor-N
den ingeschakeld.
Op het stuur bevinden zich nog twee
hendels ( ). Met deze hendelsfig. 118
kan, alleen bij een rijdende auto (met een
snelheid boven 0,5 km/h) worden op- of
teruggeschakeld.
fig. 117
A0A0697b
fig. 118
A0A0669b

WEGWIJS IN UW AUTO
123
PLAFONDLAMPJE ACHTER
(fig. 132)
BELANGRIJK Als een portier wordt
geopend, gaat de plafondverlichting auto-
matisch gedurende ongeveer 3 minuten
branden en gaat vervolgens uit; als de
portieren worden gesloten (binnen deze 3
minuten), dan blijft de verlichting nog
ongeveer 7 seconden branden, als hulp bij
het starten van de motor.
Als u met de afstandsbediening de por-
tieren ontgrendelt, gaat de plafondverlich-
ting geleidelijk met de volle sterkte bran-
den gedurende ongeveer 15 seconden.
Als u de portieren met de afstandsbedie-
ning vergrendelt, gaat de plafondverlich-
ting geleidelijk uit.
De interieurverlichting dooft als de con-
tactsleutel in stand MAR wordt gezet (bij
gesloten portieren).
INSTAPVERLICHTING
(fig. 133)
(voor bepaalde uitvoerin-
gen/markten)
De verlichting ( ) in de portieren gaatA
branden als het portier wordt geopend,
ongeacht de stand van de contactsleutel.
fig. 132
A0A0633b
Het plafondlampje is voorzien van een
schakelaar met drie standen.
Als schakelaar ( ) in de middelste standA
(0) staat, gaat het plafondlampje bran-
den als een portier wordt geopend.
Als u de schakelaar naar rechts (stand
1) schuift, blijft de plafondverlichting
altijd gedoofd.
Als u de schakelaar naar links (stand 2)
schuift, blijft de plafondverlichting altijd
branden.
BELANGRIJK Als u de contactsleutel in
stand STOP zet, kan de plafondverlichting
nog 15 minuten ingeschakeld blijven.
Hierna dooft de verlichting om de accu te
sparen.
BELANGRIJK Controleer voordat u de
auto verlaat of schakelaar (A) in de mid-
delste stand ( ) staat. Op deze manier0
dooft de plafondverlichting na het sluiten
van de portieren.
fig. 133
A0A0243b

WEGWIJS IN UW AUTO
124
Gebruik de asbak niet
als prullenbak: papiertjes
en dergelijke kunnen door
peuken in brand raken.
Controleer altijd of de
aansteker na het indruk-
ken ook uitschakelt.
De aansteker wordt erg
heet. Gebruik de aanste-
ker voorzichtig en voor-
kom dat hij gebruikt wordt door
kinderen: risico op brand en/of
brandwonden.
BEWAKINGSLAMPJE
(fig. 134)
Het lampje ( ) op het instrumentenpa-A
neel gaat knipperen als de portieren zijn
vergrendeld (sleutel in stand STOP of uit-
genomen) en blijft rood knipperen, totdat
de portieren weer worden ontgrendeld.
BELANGRIJK Als de portieren of de
achterklep niet goed zijn gesloten, knip-
pert het bewakingslampje snel gedurende
4 seconden en vervolgens met de normale
snelheid.
ASBAK VOOR EN AANSTEKER
(fig. 135)
Open het beschermklepje (A) om de
asbak en de aansteker te kunnen gebrui-
ken.
Druk om de aansteker te gebruiken, als
de sleutel in stand MAR staat, knop (B)
in; na enige seconden springt de knop in
de beginstand en is de aansteker klaar
voor gebruik.
De asbak (C) kan uit de houder worden
getrokken om te worden geleegd of
schoongemaakt.
De opstelling van de aansteker ten
opzichte van de asbak is afhankelijk van
de uitvoering.
fig. 134
A0A0005b
fig. 135
A0A0634b

WEGWIJS IN UW AUTO
125
ASBAK ACHTER
(fig. 136)
De achterpassagiers hebben de beschikking
over twee verzonken asbakken.
Open de asbak in de richting van de pijl
om deze te gebruiken en druk de lip in om
de asbak te verwijderen.
PASJESHOUDER EN
BEKERHOUDER
(fig. 137) (voor
bepaalde uitvoeringen/markten)
Het dashboard is in het midden voorzien
van een pasjeshouder ( ) en een beker-A
houder (B). Druk deze in, zoals is aange-
geven, zodat gebruik van deze voorzie-
ningen kan worden gemaakt.
fig. 136
A0A0115b
fig. 137
A0A0116b
KAARTVAKKEN OP
VOORPORTIEREN
(fig. 138)
Elk voorportier is voorzien van een kaart-
vak (A).
fig. 138
A0A0117b

WEGWIJS IN UW AUTO
126
INBOUWVOORBEREI-
DING MOBIELE TELE-
FOON
De auto kan uitgerust zijn met een inbouw-
voorbereiding voor een mobiele telefoon.
De voorbereiding bestaat uit:
– antenne met dubbele functie (autora-
dio + mobiele telefoon);
– aansluit- en voedingskabels met spe-
ciale stekker voor aansluiting van de
handsfree carkit.
OPBERGVAKKEN IN
TUNNELCONSOLE
(fig. 139)
Afhankelijk van de uitvoering kan de tun-
nelconsole bij de handrem voorzien zijn
van de volgende opbergmogelijkheden:
– beker/blikjeshouder (B);
– sleuf voor magneetkaarten of tolpas-
sen (C);
– pennenvak (D);
– munthouder (E).
ZONNEKLEPPEN
(fig. 140)
De kleppen kunnen, zoals is afgebeeld,
voor de voorruit en de zijruit worden
gedraaid.
Aan de achterzijde van de kleppen is een
spiegel aangebracht met daarnaast ver-
lichting ( ). Open het klepje ( ) om vanA B
de spiegel gebruik te maken.
Door de verlichting kunnen de spiegeltjes
ook bij weinig omgevingslicht gebruikt
worden.
De zonneklep aan de passagierszijde is
bovendien voorzien van het symbool voor
het correct gebruik van kinderzitjes bij een
passagiersairbag. Zie voor meer informa-
tie de paragraaf “Frontairbag passagiers-
zijde”
fig. 139
A0A0751b
fig. 140
A0A0121b
Laat de installatie van
de mobiele telefoon en de
aansluiting op de inbouw-
voorbereiding in de auto, uitslui-
tend door de Alfa Romeo-dealer
uitvoeren. Zo bent u verzekerd
van het beste resultaat en wordt
voorkomen dat de rijveiligheid in
gevaar wordt gebracht.
De handsfree kit moet u
zelf aanschaffen en
geschikt zijn voor uw
mobiele telefoon.

WEGWIJS IN UW AUTO
128
VAN BINNENUIT OPENEN
(fig. 141)
U kunt de achterklep alleen elektrisch ont-
grendelen als de contactsleutel in stand
MAR staat, bij een stilstaande auto en in
stand STOP of PARK gedurende 3 minu-
ten, behalve als een portier is geopend of
gesloten.
Druk op knop (A) op de middenconsole om
de achterklep te ontgrendelen.
De achterklep gaat dankzij de gasveren
gemakkelijk open.
OPENEN MET AFSTANDSBEDIE-
NING
(fig. 142)
De achterklep kan, ook bij ingeschakeld
alarm, op afstand worden geopend door
drukknop (A) in te drukken. Als de achter-
klep wordt ontgrendeld, knipperen de rich-
tingaanwijzers twee keer; bij vergrendeling
knipperen de richtingaanwijzers één keer.
Als bij auto’s met diefstalalarm de achter-
klep wordt geopend, dan worden de omtrek-
beveiliging en de achterklepsensor uitgescha-
keld en het systeem geeft (behalve bij som-
mige uitvoeringen in enkele landen) twee
geluidssignalen (“BIEP”).
fig. 141
A0A0129b
BAGAGERUIMTE
De achterklep kan worden geopend:
van buitenaf - m.b.v. de afstands-
bediening;
vanuit het interieur - door het
indrukken van knop (A-fig. 141).
BELANGRIJK Als de achterklep niet
goed is gesloten, gaat lampje
´
branden
(bij sommige uitvoeringen verschijnt ook
een bericht op het instelbare multifunctio-
nele display).
De gasveren zijn zo afge-
steld dat de achterklep op
de juiste wijze wordt ge-
opend als de klep het oor-
spronkelijke gewicht heeft.
Achteraf aangebrachte voorwerpen
(spoiler enz.) kunnen de juiste wer-
king van de gasveren verhinderen.
fig. 142
A0A0636b

WEGWIJS IN UW AUTO
129
fig. 143
A0A0637b
fig. 144
A0A0658b
Als de achterklep weer wordt gesloten,
dan worden de functies hersteld en geeft
het systeem (behalve bij sommige uitvoe-
ringen in enkele landen) twee geluidssig-
nalen (“BIEP”).
ACHTERKLEP SLUITEN
U sluit de achterklep door de achterklep
te laten zakken en ter hoogte van het Alfa
Romeo embleem te drukken, totdat u de
vergrendeling van het slot hoort.
BAGAGERUIMTEVERLICHTING
(fig. 143)
Als u de achterklep opent, dan gaat
automatisch de verlichting ( ) aan deA
rechterzijde van de bagageruimte bran-
den. De verlichting gaat automatisch uit
als u de achterklep sluit.
BELANGRIJK Als u de contactsleutel
in stand zet, kan na het openenSTOP
van de achterklep, de plafondverlichting
nog 15 minuten ingeschakeld blijven.
Hierna gaat de verlichting uit om de accu
te sparen.
ACHTERKLEP IN GEVAL VAN
NOOD OPENEN
Om de achterklep vanuit het interieur te
openen (bij een lege accu of een storing
in het elektrische systeem), moet als volgt
te werk worden gegaan (zie “Bagage-
ruimte vergroten” in dit hoofdstuk):
– klap de zittingen van de achterbank
om;
– klap de rugleuningen naar voren;
– ontgrendel het slot door aan het
koordje ( ) te trekken (hetA-fig. 144
koordje is bereikbaar in de uitsparing
rechts op de achterklep).

WEGWIJS IN UW AUTO
130
Het maximum laadver-
mogen van de auto mag
nooit overschreden wor-
den (zie hoofdstuk “Technische
gegevens”). Controleer boven-
dien of de bagageruimte goed
geladen is, om te voorkomen dat
een voorwerp bij bruusk remmen
naar voren schiet en letsel ver-
oorzaakt.
Zware bagage die niet is
vastgezet kan bij een
ongeluk de passagiers
ernstig verwonden.
Als u reservebrandstof in
een jerrycan wilt vervoe-
ren, dan dient u zich aan
de geldende wetgeving te hou-
den. Gebruik alleen een goedge-
keurde jerrycan en bevestig deze
op de juiste wijze aan de daar-
voor bestemde ringen in de hoe-
ken van de bagageruimte. Toch
zal bij een ongeval de kans op
brand groter zijn.
BAGAGE VASTZETTEN
(fig. 145)
De vervoerde bagage kan met riemen of
spanbanden worden bevestigd aan de
daarvoor bestemde ringen ( ) in de baga-A
geruimte.
De ringen dienen ook voor het bevesti-
gen van het eventueel aanwezige baga-
genet (deze is leverbaar bij de Alfa
Romeo-dealer).
VOORZORGSMAATREGELEN
BIJ HET TRANSPORT VAN
BAGAGE
Als u voorwerpen vervoert en u ‘s nachts
rijdt, moet u controleren of de hoogtere-
gelaars op de koplampen in de juiste
stand staan (zie paragraaf “Koplampen”
in dit hoofdstuk). Controleer voor de juis-
te werking van de hoogteregelaars boven-
dien of de lading niet zwaarder is dan in
de gewichtentabel staat aangegeven.
fig. 145
A0A0638b

WEGWIJS IN UW AUTO
131
fig. 147
A0A0707b
Open de motorkap
alleen als de auto stil-
staat.
GEVAAR - ERNSTIG LET-
SEL. Als u controle- of
onderhoudswerkzaam-
heden in de motorruimte uitvoert,
moet u er vooral op letten dat u
uw hoofd niet stoot tegen het
uitstekende deel van de motor-
kap.
Kom bij het uitvoeren
van werkzaamheden in
de motorruimte niet in de
buurt van de elektroventilateur
als de motor nog warm is: de
elektroventilateur kan, ook bij
uitgeschakeld contact, onver-
wacht inschakelen. Wacht totdat
de motor is afgekoeld.
MOTORKAP
De hendel voor het openen van de motor-
kap bevindt zich uiterst links onder het
dashboard.
Openen:
– trek aan hendel (A-fig. 146) totdat
u de ontgrendeling hoort;
– druk het hendeltje ( ) vanA-fig. 147
de beveiliging omhoog;
– til de motorkap op.
BELANGRIJK Het optillen van de
motorkap wordt vergemakkelijkt door
twee gasveren aan de zijkant. Wij raden u
aan deze gasveren niet te demonteren en
de motorkap tijdens het optillen te bege-
leiden.
fig. 146
A0A0135b
Ook sjaals, dassen of
loszittende kledingstuk-
ken kunnen door de
bewegende onderdelen worden
gegrepen.
Controleer altijd of de
motorkap vergrendeld is
om te voorkomen dat
deze tijdens het rijden opengaat.
Controleer daarom altijd of de
motorkap goed vergrendeld is.
Als u tijdens het rijden merkt dat
de motorkap niet goed is
vergrendeld, stop dan onmiddel-
lijk en sluit de motorkap op de
juiste wijze.
Sluiten:
– laat de motorkap tot op ongeveer 2
cm van de motorruimte zakken, laat
motorkap vallen en controleer of
motorkap goed is gesloten door de mo
kap omhoog te trekken. De motork
mag niet alleen door de vanghaak v
grendeld zijn.
Druk in dit laatste geval de motork
niet dicht, maar til hem opnieuw op
herhaal de handeling.

WEGWIJS IN UW AUTO
132
KOPLAMPEN
Goed afgestelde koplampen zijn belang-
rijk voor het comfort en de veiligheid van
uzelf en de overige weggebruikers.
Bovendien zijn er wettelijke voorschrif-
ten.
Wendt u voor controle of afstelling tot de
Alfa Romeo-dealer.
BELANGRIJK Aan de binnenzijde kan
de koplamp een beetje beslagen zijn: dit
duidt niet op een defect maar is een
natuurlijk verschijnsel dat veroorzaakt
wordt door de lage temperatuur en de
luchtvochtigheidsgraad en verdwijnt snel
als de koplampen worden ingeschakeld.
De aanwezigheid van druppels aan de bin-
nenzijde van de koplamp duidt daarente-
gen op het binnendringen van water:
wendt u in dat geval tot de Alfa Romeo-
dealer.
KOPLAMPSTAND AANPASSEN
(fig. 148)
Als de auto beladen is, helt hij achter-
over. Het gevolg is dat de lichtbundel van
de koplampen meer naar boven schijnt.
De stand van de koplampen moet nu
worden gecorrigeerd.
Druk voor de afstelling (alleen mogelijk
als het dimlicht brandt) op de knopp
▲ ▼/ :
– druk op knop om een stand te verhogen (bij▲
0
➟
1
➟
2
➟
3
);
– druk op knop om een stand te verlagen (bij▼
3
➟
2
➟
1
➟
0).
Display (A), in de snelheidsmeter, to
de stand gedurende de koplampafstelli
fig. 148
A0A1106b

WEGWIJS IN UW AUTO
135
Wees voorzichtig bij het remmen in
bochten, ook als de auto is voorzien van
ABS.
Het allerbelangrijkste advies is echter het
volgende:
Als het ABS in werking
treedt, merkt u dat aan
een trilling in het rempe-
daal. Verlaag de remdruk niet
maar houd het rempedaal juist
goed ingedrukt; op deze manier
hebt u, afhankelijk van de condi-
tie van het wegdek, de kortste
remweg.
Als u deze aanwijzingen opvolgt, zult u
onder alle omstandigheden de remmen
het beste benutten.
BELANGRIJK Op auto’s die met ABS
zijn uitgerust, mogen uitsluitend door de
fabriek voorgeschreven velgen, banden en
remblokken gemonteerd worden.
Het systeem wordt gecompleteerd met
een elektronische remdrukverdeling EBD
(Electronic Brake Distributor), die via de
regeleenheid en de sensoren van het ABS
de prestaties van het remsysteem ver-
hoogt.
De auto is uitgerust met
elektronische remdrukver-
deling (EBD). Als bij een
draaiende motor tegelijkertijd de
waarschuwingslampjes
>
en
x
gaan branden, dan is er een storing
in het EBD-systeem; in dat geval
kunnen bij hard remmen de achter-
wielen vroegtijdig blokkeren
waardoor de auto kan gaan slip-
pen. Rijd zeer voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde Alfa Romeo-dealer
om het systeem te laten controle-
ren.
Als bij een draaiende
motor alleen het waarschu-
wingslampje
>
gaat bran-
den, dan is er een storing in het
ABS. In dat geval werkt het con-
ventionele remsysteem op de nor-
male manier, terwijl geen gebruik
wordt gemaakt van het antiblok-
keersysteem. Onder deze omstan-
digheden kan ook de werking van
het EBD-systeem verminderen.
Ook in dit geval raden wij u aan
onmiddellijk en zeer voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde Alfa
Romeo-dealer te rijden om het sys-
teem te laten controleren.
Als het waarschuwings-
lampje
x
voor te laag
remvloeistofniveau gaat
branden, stop dan onmiddellijk de
auto en neem contact op met de
Alfa Romeo-dealer. Als er vloei-
stof lekt uit het hydraulische sys-
teem, wordt de werking van
zowel het conventionele remsys-
teem als het ABS in gevaar
gebracht.
Als het noodreservewiel
is gemonteerd, is het ABS
uitgeschakeld en brandt
lampje
>
op het instrumentenpa-
neel.
BELANGRIJK Het kan voorkomen dat
bij een lege accu tijdens het starten de
lampjes
>
en
x
gaan branden. Ze
doven echter als de motor is gestart. Dit is
geen storing, maar geeft slechts aan dat
het ABS tijdens het starten niet is inge-
schakeld. Als de lampjes doven, dan geeft
dit aan dat het systeem normaal werkt.

WEGWIJS IN UW AUTO
136
VDC-SYSTEEM
(Vehicle Dynamics Control)
(optional voor bepaalde uitvoe-
ringen/markten)
Het VDC-systeem is een elektronisch
geregeld systeem dat de stabiliteit van de
auto bewaakt door het motorkoppel en de
remwerking op de wielen afzonderlijk te
regelen als de wielen hun grip verliezen,
waardoor de auto beter op koers blijft.
Tijdens de rit is de auto onderworpen
aan zijwaartse krachten en krachten in de
lengterichting, die door de bestuurder kun-
nen worden gecontroleerd, totdat de ban-
den de grip verliezen; als dit gebeurt, dan
wijkt de auto af van de door de bestuurder
gewenste koers.
Vooral als op onregelmatig wegdek
wordt gereden (klinkers, nat, beijzeld of
modderig wegdek), de snelheid wordt
gewijzigd (accelereren of remmen) en/of
niet rechtuit wordt gereden (door een
bocht of uitwijken), kan de grip van de
banden te laag worden.
Het systeem beïnvloedt de motor en de
remmen, waardoor een stabiel koppel
wordt geleverd als de sensoren de
omstandigheden signaleren waarin de
auto kan gaan slippen.
WERKING VAN HET
VDC-SYSTEEM
Het systeem wordt automatisch ing
schakeld als de motor wordt gestart
kan niet worden uitgeschakeld.
De belangrijkste componenten van
systeem zijn:
– een elektronische regeleenheid die
signalen van de sensoren verwerkt en
best mogelijke regeling uitvoert;
– een stuurhoeksensor;
– vier sensoren die de draaisnelheid v
elk wiel meten;
– een gierhoeksensor die de verdraai
van de auto om de verticale as meet;
– een dwarsversnellingsensor die de
waartse versnelling meet (centrifug
kracht).
Het hart van het systeem is de regele
heid, die met de gegevens van de senso
op de auto de centrifugale krachten b
kent, die op een auto werken in een bo
De gierhoeksensor is uit de luchtva
afkomstig en meet de draaiing van de a
om de verticale as. De centrifugale krac
die worden gecreëerd als de auto een b
neemt, worden gemeten met een dwa
versnellingsensor met een hoge gevo
heid.
De prestaties van het sys-
teem vergroten in principe
de actieve veiligheid, maar
mogen de bestuurder er niet toe
verleiden onnodige en onverant-
woorde risico’s te nemen. De rijstijl
moet altijd zijn aangepast aan het
wegdek, het zicht en het verkeer.
De verantwoordelijkheid voor de
verkeersveiligheid ligt altijd en
overal bij de bestuurder van de
auto.
Het systeem helpt de bestuurder de auto
onder controle te houden als de grip van
de banden onvoldoende is.
De krachten die het systeem regelt om
de stabiliteit van de auto te handhaven,
zijn altijd afhankelijk van de grip tussen
band en wegdek.

WEGWIJS IN UW AUTO
138
INSCHAKELEN VAN DE ASR
Het ASR-systeem schakelt automat
in als de motor wordt gestart.
Tijdens het rijden kan het systeem w
den uit- of ingeschakeld door schake
(A-fig. 151) op de middenconsole in t
drukken.
Als de functie is uitgeschakeld, bra
het lampje
V
op het instrumenten-
paneel.
Als het systeem tijdens het rijden w
uitgeschakeld, schakelt het als de au
opnieuw wordt gestart automatisch w
in.
fig. 151
A0A1107b
ASR-SYSTEEM
( )AntiSlip Regulation
(optional voor bepaalde uitvoe-
ringen/markten)
Het ASR-systeem controleert de trek-
kracht van de auto en grijpt automatisch
in als een of beide aangedreven wielen
dreigen door te slippen.
Afhankelijk van de oorzaak van het
doorslippen, worden er twee verschillende
regelsystemen geactiveerd:
1) Als het doorslippen van beide aange-
dreven wielen wordt veroorzaakt door een
te hoog motorvermogen, vermindert de
ASR het motorvermogen.
2) Als slechts één aangedreven wiel
dreigt door te slippen, zorgt het ASR-sys-
teem ervoor dat het wiel automatisch
wordt afgeremd. Het effect is hetzelfde
als dat van een sperdifferentieel.
De prestaties van het
systeem vergroten in
principe de actieve veilig-
heid, maar mogen de bestuurder
er niet toe verleiden onnodige en
onverantwoorde risico’s te
nemen. De rijstijl moet altijd zijn
aangepast aan het wegdek, het
zicht en het verkeer. De
verantwoordelijkheid voor de
verkeersveiligheid ligt altijd en
overal bij de bestuurder van de
auto.
De ASR is vooral nuttig onder de volgen-
de omstandigheden:
– doorslippen van het binnenste wiel in
bochten, door verandering van de wielbe-
lasting of door te felle acceleratie;
– te hoog vermogen naar de wielen,
ook in samenhang met de condities van
het wegdek;
– acceleratie op gladde wegen en bij
sneeuw en ijzel;
– verlies van grip op natte weggedeel-
ten (aquaplaning).

WEGWIJS IN UW AUTO
139
Storing signaleren
in het ASR-systeem
Bij een storing in het ASR-systeem wordt
het systeem automatisch uitgeschakeld en
gaat lampje
V
op het instrumentenpa-
neel continu branden. Bovendien ver-
schijnt een bericht op het instelbare multi-
functionele display.
Bij een storing in het ASR-systeem
gedraagt de auto zich hetzelfde als uit-
voeringen die niet met dit systeem zijn uit-
gerust: het verdient wel aanbeveling om u
zo snel mogelijk tot een Alfa Romeo-
dealer te wenden.
MSR-systeem (regeling van
motorremwerking)
Dit systeem, dat geïntegreerd is in
ASR, verhoogt bij bruusk terugschak
het motorkoppel, zodat overmatige v
traging van de aangedreven wielen w
voorkomen. Dit heeft vooral voordele
een wegdek met weinig grip, waarop
stabiliteit van de auto snel verloren k
gaan.
Als met het noodreser-
vewiel wordt gereden,
dan wordt de ASR uitge-
schakeld en gaat lampje
V
op
het instrumentenpaneel continu
branden. Gelijktijdig verschijnt
een mededeling op het instelbare
multifunctionele display.
Voor de juiste werking
van het ASR-systeem is
het noodzakelijk dat de
banden van alle wielen van het-
zelfde merk en type zijn. De ban-
den moeten in perfecte conditie
zijn en de voorgeschreven afme-
tingen hebben.
BELANGRIJK Schakel het ASR-sys-
teem uit als u met sneeuwkettingen rijdt:
onder deze omstandigheden levert het
doorslaan van de aangedreven wielen juist
meer trekkracht op.

WEGWIJS IN UW AUTO
146
Radio
– Ontvangst van verkeersinformatie (TA)
– Automatisch opslaan van 6 stations
op een aparte FM-golfband - FMT (AS –
Autostore)
Audiosysteem
– Functie Loudness (behalve uitvoer
gen met Bose HIFI-systeem)
– Voorgeprogrammeerde equalizerin
stellingen (behalve uitvoeringen met
Bose HIFI-systeem)
– Persoonlijke equalizerinstellingen
(behalve uitvoeringen met Bose HIFI-
teem)
– Automatische snelheidsafhankelijk
volumeregeling (behalve bij uitvoerin
met Bose HIFI-systeem)
– Functie MUTE
MP3 CD-speler
– Play / Pause
– Vorige/volgende muziekstuk
selecteren
– FF / FR
– Volgende/vorige map selecteren
BEDIENINGSKNOPPEN OP HET FRONTPANEEL
fig. 152
A0A1113b
Toets ALGEMENE FUNCTIES Wijze
ON
VOL+
VOL-
Inschakelen
Uitschakelen
Volume verhogen
Volume verlagen
Toets kort indrukken
Toets even ingedrukt houden
Toets indrukken
Toets indrukken

WEGWIJS IN UW AUTO
155
Functie EON
(Enhanced Other Network)
In enkele landen zijn netwerken gefor-
meerd van meerdere stations die ver-
keersinformatie uitzenden. Als dit het
geval is, wordt het programma van het
station waarnaar u luistert tijdelijk onder-
broken voor:
– verkeersinformatie (alleen bij inge-
schakelde TA-functie);
– regionale programma’s, iedere keer
als deze worden uitgezonden door een
station van hetzelfde netwerk.
Uitzendingen in stereo
Als het ontvangstsignaal te zwak is,
wordt de weergave automatisch veran-
derd van stereo in mono.
MENU
Functies toets MENU
Druk voor het inschakelen van de M
functie kort op de toets MENU. Op
display verschijnt het opschrift “MEN
De Menufuncties kunnen worden do
pen met toets
▲
of
▼
. De instelling van
de geselecteerde functie kan word
gewijzigd met toets
÷
of
˜
.
Op het display verschijnt de huidige
tus van de geselecteerde functie.
De menufuncties zijn:
– AF (zoeken naar alternatieve frequ
tie);
– TA (verkeersinformatie);
– REG (regionale programma’s);
– MP3 DISP (instelling display van M
CD-speler);
– SVC (snelheidsafhankelijke volum
geling);
– EXT VOL (regelmethode voor ext
audiobronnen);
– IGN TIME (uitschakelwijze radio)
– DEFAULT (fabrieksinstellingen h
len).
Druk om het Menu te verlaten opnie
op de toets MENU.
Ontvangst van alarmberichten
De autoradio is bij ingeschakeld RDS
voorbereid op de ontvangst van alarmbe-
richten in geval van uitzonderlijke omstan-
digheden of gebeurtenissen die gevaar
kunnen opleveren (aardbevingen, over-
stromingen enz.). Deze berichten worden
uitgezonden op het station waarop is
afgestemd.
Deze functie wordt automatisch inge-
schakeld en kan niet worden uitgescha-
keld.
Tijdens het uitzenden van een alarmbe-
richt verschijnt op het display het opschrift
“ALARM”. Tijdens het bericht wijzigt het
volume van de autoradio op dezelfde
wijze als bij het weergeven van verkeers-
informatie (zie “Functie TA).

WEGWIJS IN UW AUTO
156
Functie TA
(verkeersinformatie)
Enkele stations op de FM-golfband
(FM1, FM2 en FMT) zenden ook ver-
keersinformatie uit. In dat geval verschijnt
op het display het opschrift “TP”.
Druk voor het in-/uitschakelen van de
TA-functie voor verkeersinformatie kort op
de toets MENU en selecteer het punt “TA
ON” of “TA OFF”.
BELANGRIJK Als de TA-functie (ver-
keersinformatie) is ingeschakeld bij inge-
schakelde CD-speler, CD-wisselaar (indien
aangesloten), Telefoon of Mute/Pause,
dan wordt er gezocht naar een station dat
verkeersinformatie kan uitzenden.
Met de TA-functie is het mogelijk:
– RDS-stations te zoeken die verkeersin-
formatie uitzenden op de FM-golfband;
– verkeersinformatie te ontvangen ook
als de CD-speler of CD-wisselaar is inge-
schakeld;
– verkeersinformatie te ontvangen op
een vooraf ingesteld minimum geluidsni-
veau, ook als het volume van de autora-
dio op nul staat.
BELANGRIJK In enkele landen bestaan
er radiostations die bij ingeschakelde
functie (op het display verschijnt h
opschrift “TP”) geen verkeersinformati
zenden.
Als de radio is afgestemd op de AM-
band en de TA-functie wordt geactiv
dan wordt overgeschakeld naar de FM
golfband en afgestemd op het laatst be
terde station.
Het geluidsniveau van de verkeersinfo
tie is afhankelijk van het ingestelde vol
– ingestelde volume lager dan de waa
20: geluidsniveau van de verkeersinfo
tie gelijk aan 20 (vaste waarde);
– ingestelde volume hoger dan de waa
20: geluidsniveau van de verkeersinfo
tie gelijk aan het normale volume +1.
Als het volume tijdens een verkeersbe
wordt gewijzigd, wordt de waarde nie
het display weergegeven en wordt de n
we waarde alleen aangehouden voor
verkeersbericht dat wordt uitgezonden.
De TA-functie wordt onderbroken al
willekeurige toets van de autoradio w
ingedrukt.
Functie AF (zoeken naar alterna-
tieve frequentie)
Met het RDS-systeem kan de autoradio
op twee verschillende manieren werken:
– “AF ON”: zoeken naar alternatieve
frequentie ingeschakeld (op het display
verschijnt het opschrift “AF”);
– “AF OFF”: zoeken naar alternatieve
frequentie uitgeschakeld.
Als u de functie inschakelt (“AF ON”),
wordt automatisch afgestemd op het sta-
tion met het sterkste signaal dat hetzelfde
programma uitzendt. Tijdens het rijden
kunt u zo blijven luisteren naar het gese-
lecteerde station, zonder dat u op een
andere frequentie hoeft af te stemmen als
u in een ander gebied komt.
Uiteraard moet het station ontvangen
kunnen worden in het betreffende gebied.
Druk voor het in-/uitschakelen van de
AF-functie op toets MENU en selecteer het
punt “AF ON” of “AF OFF”. Als de AF-
functie is ingeschakeld, verschijnt op het
display het opschrift “AF”.
Als de radio is afgestemd op de AM-golf-
band en de AF-functie wordt geactiveerd,
dan wordt overgeschakeld naar de FM1-
golfband en afgestemd op het laatst
beluisterde station.

WEGWIJS IN UW AUTO
157
Op het display verschijnt de huidige sta-
tus van de functie:
– “REG ON”: functie ingeschakeld.
– “REG OFF”: functie uitgeschakeld.
Als de functie is uitgeschakeld en u hebt
afgestemd op een regionaal station dat in
een bepaald gebied uitzendt, dan zult u
als u in een ander gebied komt, het regio-
nale station van dat nieuwe gebied ont-
vangen.
BELANGRIJK Als de functies AF en
REG gelijktijdig zijn ingeschakeld en u reist
in een overgangsgebied tussen twee
regio’s, dan kan de radio mogelijk niet
correct op een juiste alternatieve frequen-
tie overschakelen.
Functie MP3 DISP (weergave
van de gegevens van de
MP3-CD)
Met deze functie kunt u kiezen wel
informatie op het display wordt wee
geven als u naar een MP3-CD luistert
Deze functie kan alleen worden geko
als er een MP3-CD is geladen: in dat g
verschijnt op het display het opsch
“MP3 DISP”.
De functie kan worden gewijzigd m
toets
÷
of
˜
.
Er zijn zes instellingen mogelijk:
– TITLE (titel van muziekstuk, mits
ID3-tag)
– AUTHOR (auteur van muziekst
mits met ID3-tag)
– ALBUM (albumnaam, mits met I
tag)
– DIR (naam die aan de map is toeg
kend);
– FILENAME (naam die aan het M
bestand is toegekend);
– TIME (verstreken speelduur vanaf
begin van het muziekstuk).
Functie REG
(ontvangst van regionale uitzen-
dingen)
Enkele nationale stations zenden, op
bepaalde uren van de dag, regionale pro-
gramma’s uit die per gebied verschillen.
Met deze functie wordt automatisch
alleen op lokale (regionale) stations afge-
stemd (zie paragraaf “Functie EON”).
Als u wilt dat de autoradio automatisch
afstemt op regionale stations binnen het
gekozen netwerk, dan moet u deze func-
tie inschakelen.
De functie kan worden in-/uitgeschakeld
met toets
÷
of
˜
.

WEGWIJS IN UW AUTO
165
DIESELMOTOREN
Bij lage buitentemperaturen kan de
vloeibaarheid van de dieselbrandstof ver-
minderen door de vorming van paraffine,
waardoor het brandstofsysteem niet meer
goed werkt.
Om dit probleem te voorkomen wordt
er, afhankelijk van het seizoen, diesel-
brandstof geleverd die speciaal voor de
zomer, voor de winter en voor zeer lage
temperaturen (bergachtige/koude gebie-
den) is ontwikkeld.
Als dieselbrandstof wordt getankt die
niet toereikend is voor de gebruikstempe-
ratuur, raden wij aan de dieselbrandstof te
mengen met het vorstbeveiligingsmiddel
TUTELA DIESEL ART in de verhouding
die in de gebruiksaanwijzing van het mid-
del is aangegeven. Doe eerst het middel
in de tank en voeg daarna de diesel-
brandstof toe.
U moet het vorstbeveiligingsmiddel
TUTELA DIESEL ART door de diesel-
brandstof mengen voordat de dieselbrand-
stof door de kou van samenstelling is ver-
anderd. Achteraf toevoegen heeft geen
enkel effect.
Als de auto lange tijd wordt
gebruikt/stilstaat in bergachtige/koud
gebieden, is het raadzaam dieselbrand
te tanken die ter plaatse beschikbaar is
dat geval is het bovendien raadzaam e
hoeveelheid brandstof in de tank te h
den die groter is dan 50% van de nutt
inhoud.
TANKEN
BENZINEMOTOREN
Tank uitsluitend loodvrije benzine.
Om vergissingen te voorkomen is de dia-
meter van de vulpijp van de tank kleiner,
zodat het vulpistool voor loodhoudende
benzine er niet in past.
Het octaangetal van de benzine moet
ten minste 95 RON zijn.
BELANGRIJK Een beschadigde kata-
lysator laat schadelijke stoffen in het uit-
laatgas achter, waardoor het milieu wordt
vervuild.
BELANGRIJK Tank nooit, niet in nood-
gevallen en ook niet een klein beetje,
loodhoudende benzine. U zou de kataly-
sator onherstelbaar beschadigen.
Tank bij auto’s met diesel-
motor uitsluitend diesel-
brandstof voor motor-
voertuigen die voldoet aan de
Europese specificatie EN590. Het
gebruik van andere producten of
mengsels kan de motor onherstel-
baar beschadigen en het vervallen
van de garantie tot gevolg hebben.
Mocht u onverhoopt een ander
type brandstof tanken, dan mag de
motor niet worden gestart en moet
de brandstoftank worden afgetapt.
Ook als de motor slechts kort heeft
gedraaid, moet naast de brandstof-
tank, ook alle brandstof uit de
brandstofleidingen worden afge-
tapt.

WEGWIJS IN UW AUTO
166
BELANGRIJK Omdat de tank herme-
tisch is afgesloten, kan een kleine over-
druk worden waargenomen. Het is daar-
om normaal als u bij het losdraaien van de
tankdop een sissend geluid hoort.
Draai na het tanken de dop rechtsom
vast en sluit het klepje.
BELANGRIJK Controleer voordat u de
motor start voor uw eigen veiligheid of het
vulpistool goed in de brandstofpomp is
teruggeplaatst.
Als het tankklepje niet elektrisch k
worden geopend, dan is er in de baga
ruimte een speciaal koordje (A-fig
156) om het klepje handmatig te ope
nen.
DOP VAN DE BRANDSTOF-
TANK
Het tankklepje ( ) van deC-fig. 154
auto wordt elektrisch bediend. Druk voor
het openen op knop (D-fig. 155); het
klepje kan uitsluitend bij stilstaande motor
worden geopend.
De tankdop (A-fig. 154) is bereikbaar
na het openen van het klepje (C) en is voor-
zien van een koord ( ) dat aan het klepjeB
vastzit, om verlies van de dop te voorko-
men.
Haak tijdens het tanken de dop aan het
klepje, zoals is afgebeeld. Kom niet dicht bij de vul-
opening met open vuur of
een brandende sigaret:
brandgevaar. Houd uw hoofd ook
niet dicht bij de vulopening om te
voorkomen dat u schadelijke
dampen inademt.
Vervang de tankdop zo
nodig alleen door een
ander exemplaar van het-
zelfde type, anders kan de wer-
king van het benzinedamp-
opvangsysteem in gevaar wor-
den gebracht.
fig. 154
A0A0644b
fig. 155
A0A1108b
fig. 156
A0A0652b

WEGWIJS IN UW AUTO
167
De emissiereductiesystemen voor diesel-
motoren zijn:
– oxidatiekatalysator;
– uitlaatgasrecirculatie-systeem (E.G.R.);
– roetfilter (DPF).
DPF-ROETFILTER
(Diesel Particulate Filter)
(optional voor bepaalde uit-
voeringen/markten)
Het roetfilter (Diesel Particulate Filter) is
een mechanisch filter in het uitlaatsys-
teem dat de partikels in het uitlaatgas van
dieselmotoren opvangt.
Het roetfilter (Diesel Particulate Filter)
vangt bijna de totale hoeveelheid roet-
deeltjes op om te voldoen aan de huidi-
ge/toekomstige wettelijke normen.
Tijdens het normale gebruik van de auto
registreert de inspuitregeleenheid een
aantal gegevens met betrekking tot het
gebruik (gebruiksduur, type traject,
bereikte temperatuur enz.) en berekent
de hoeveelheid verzameld roet in het fil-
ter.
Het filter verzamelt de roetdeeltjes en
moet periodiek worden geregenereerd
(schoongemaakt) door de roetdeeltjes te
verbranden.
BESCHERMING VAN
HET MILIEU
De emissiereductiesystemen voor benzi-
nemotoren zijn:
– driewegkatalysator;
– Lambdasondes;
– benzinedamp-opvangsysteem.
Laat de motor nooit, ook niet tijdens
testwerkzaamheden, met losgenomen
bougiekabels draaien.
Onder normale bedrijfs-
omstandigheden bereiken
de katalysator en het
roetfilter (DPF) hoge tempera-
turen. Parkeer daarom niet boven
brandbare materialen (gras,
droge bladeren, dennennaalden
enz.): brandgevaar.
Termékspecifikációk
Márka: | Opel |
Kategória: | autó |
Modell: | GT (2007) |
Szüksége van segítségre?
Ha segítségre van szüksége Opel GT (2007), tegyen fel kérdést alább, és más felhasználók válaszolnak Önnek
Útmutatók autó Opel

6 Október 2024

4 Október 2024

25 Augusztus 2024

13 Augusztus 2024

9 Augusztus 2024

30 Július 2024

29 Július 2024

28 Július 2024

27 Július 2024

26 Július 2024
Útmutatók autó
- autó Peugeot
- autó Pioneer
- autó Kia
- autó Renault
- autó Citroën
- autó Honda
- autó Volvo
- autó Toyota
- autó BMW
- autó Hyundai
- autó Mercedes-Benz
- autó Jeep
- autó Suzuki
- autó Ford
- autó Mazda
- autó Chrysler
- autó Fiat
- autó Volkswagen
- autó DS
- autó Chevrolet
- autó Skoda
- autó Audi
- autó Subaru
- autó Mitsubishi
- autó Seat
- autó Lexus
- autó Genesis
- autó Nissan
- autó Mercury
- autó Lancia
- autó Alfa Romeo
- autó Smart
- autó Audio-Technica
- autó MG
- autó Tesla
- autó Mini
- autó Dacia
- autó Rover
- autó Acme
- autó Saturn
- autó Land Rover
- autó Jaguar
- autó Dodge
- autó Polaris
- autó Maserati
- autó Saab
- autó Porsche
- autó Acura
- autó Vauxhall
- autó Infiniti
- autó GMC
- autó Buick
- autó Cadillac
- autó Pontiac
- autó Polestar
- autó RAM
- autó Scion
- autó Tata
- autó GEM
- autó VDL
- autó Sharper Image
- autó Abarth
- autó Lincoln
- autó Mahindra
- autó Chery
- autó Lada
- autó Aston Martin
- autó McLaren
Legújabb útmutatók autó

26 Március 2025

25 Március 2025

18 Március 2025

16 Január 2025

15 Január 2025

14 Január 2025

14 Január 2025

13 Január 2025

13 Január 2025

12 Január 2025