Használati útmutató Peugeot 108 (2018)
Olvassa el alább 📖 a magyar nyelvű használati útmutatót Peugeot 108 (2018) (180 oldal) a autó kategóriában. Ezt az útmutatót 2 ember találta hasznosnak és 2 felhasználó értékelte átlagosan 4.5 csillagra
Oldal 1/180

PEUGEOT 108
INSTRUCTIEBOEKJE

Toegang tot het instructieboekje
Download vanaf de desbetreffende Store de app voor
smartphones Scan MyPeugeot APP.
Toegang tot het instructieboekje.
Het instructieboekje is beschikbaar op de PEUGEOT-
website, in de rubriek "MY PEUGEOT", of op het
volgende adres:
http://public.servicebox.peugeot.com/APddb/
Selecteer vervolgens:
- het model van uw auto,
- de uitgifteperiode van het boekje die overeenkomt met de eerste
registratiedatum van uw auto.
Download de content voor het instructieboekje van uw auto.
Selecteer:
- de taal,
- het model van uw auto en de carrosserievariant,
- de uitgifteperiode van het boekje die overeenkomt met de eerste
registratiedatum van uw auto.
Met dit symbool wordt de meest
recente en beschikbare informatie
aangeduid.

1
Welkom
Aan de beschrijvingen en afbeeldingen kunnen geen rechten worden
ontleend.
Automobiles PEUGEOT behoudt zich het recht voor de technische
kenmerken, uitrusting en accessoires te wijzigen zonder verplicht te zijn dit dit
specifieke boekje aan te passen.
In dit document vindt u alle aanwijzingen en adviezen voor het gebruik van uw
auto zodat u optimaal van uw auto kunt profiteren. Neem de tijd dit document
aandachtig door te lezen zodat u vertrouwd raakt met uw nieuwe auto. Lees
ook het garantie- en onderhoudsboekje door waarin u informatie vindt over de
garanties, het onderhoud en de pechhulpverlening.
Dit boekje bevat alle informatie en adviezen die u nodig hebt om optimaal en
in alle veiligheid gebruik te maken van de mogelijkheden van uw auto.
Uw auto kan, afhankelijk van het uitrustingsniveau, het type, de uitvoering en
de specifieke kenmerken voor het land waar uw auto verkocht is, slechts van
een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingselementen zijn voorzien.
Overhandig dit volledige instructieboekje bij verkoop van de auto aan de
nieuwe eigenaar.
Sleutel
Veiligheidswaarschuwing
Aanvullende informatie
Adviezen met betrekking tot de bescherming van het milieu
Auto's met linkse besturing
Auto's met rechtse besturing
Locatie van de apparatuur/knop beschreven met een zwart gebied

2
.
.
Inhoudsopgave
Instrumentenpanelen 8
Displays 9
Waarschuwingslampjes 9
Meters 18
Boordcomputer 18
Tijd instellen 20
Sleutels 22
"Keyless entry and start"-systeem 23
Portieren 26
Achterklep 27
Elektrisch bedienbare voorportierruiten 28
Zijruiten achter 29
Elektrisch bedienbaar canvasdak 29
Onderhoudstips 31
Voorstoelen 32
Achterbank 34
Spiegels 35
Stuurwielverstelling 36
Ventilatie 36
Verwarming 37
Handbediende airconditioning 37
Automatische airconditioning 38
Ontwasemen – Ontdooien voorruit en zijruiten 40
Achterruitverwarming 41
Plafonnier 41
Verlichting bagageruimte 41
Interieurvoorzieningen 42
Hoedenplank 44
Voorzieningen in de bagageruimte 45
Lichtschakelaar 46
Automatisch inschakelen verlichting 48
Richtingaanwijzers 48
Koplampen verstellen 49
Ruitenwisserschakelaar 49
Ruitenwisserbladen vervangen 50
Algemene aanbevelingen met betrekking tot
de veiligheid 51
Claxon 51
Alarmknipperlichten 52
ESP-systeem 52
Veiligheidsgordels 54
Airbags 56
Kinderzitjes 59
Uitschakelen van de airbag vóór aan
passagierszijde 60
ISOFIX-bevestigingen en -kinderzitjes 66
i-Size-kinderzitjes 70
Kinderbeveiliging 71
Instrumentenpaneel
ToegangOverzicht
Ergonomie en comfort
Verlichting en zicht
Veiligheid
Eco-rijden
Instrumenten en bedieningsknoppen 4
Milieubewust rijden 6

3
.
.
bit.ly/helpPSA
.
Inhoudsopgave
Starten/afzetten van de motor met de sleutel 73
Starten/afzetten van de motor met het systeem
Keyless entry and start 73
Handbediende parkeerrem 76
Handgeschakelde 5-versnellingsbak 76
ETG-versnellingsbak 76
Schakelindicator 79
Hill Start Assist 80
Stop & Start 81
snelheidslimietherkennings- en
snelheidsadviessysteem 82
Snelheidsbegrenzer 84
Active City Brake 86
Lane Departure Warning System 90
Achteruitrijcamera 91
Bandenspanningscontrolesysteem 92
Brandstoftank 96
Geschikte brandstoffen 97
Sneeuwkettingen 97
Eco-modus (energiespaarstand) 98
Allesdragers monteren 98
Motorkap 98
Onder de motorkap 99
Niveaus controleren 99
Controles 102
Bandenreparatieset 104
Reservewiel 107
Een lamp vervangen 111
Een zekering vervangen 114
12 V-accu 121
Slepen van de auto 123
Motorspecicaties 125
Motoren 125
Afmetingen 126
Identicatiemarkeringen 127
Rijden
Praktische informatie
In geval van pech
Technische gegevens
Index
Audio en telematica
Radio
7-inch touchscreen tablet
Toegang tot aanvullende video's

4
Overzicht
Instrumenten en bedieningsknoppen
1
Buitenspiegels
Elektrische ruitbediening
Centrale vergrendeling
2
Motorkap openen
3
Zekeringen dashboard
4
Instrumentenpaneel
Toerenteller
Centraal display
Waarschuwingslampjes
Controlelampjes
Boordcomputer
5
Plafonnier
Ontgrendelingsknop elektrisch bedienbaar
vouwdak
snelheidslimietherkennings- en
snelheidsadviessysteem
Active City Brake
Binnenspiegel
Zonneklep
6
Touchscreen
Radio
Instellen van de tijd
7
Verwarming, ventilatie
Handbediende airconditioning
Automatische airconditioning
Ontwasemen – ontdooien voorruit en zijruiten
Ontwasemen – ontdooien achterruit
8
12 V-aansluiting
USB-aansluiting
Jack-aansluiting
9
Handgeschakelde versnellingsbak
ETG-versnellingsbak
Opschakelindicator
Hill Start Assist
10
Handbediende parkeerrem
11
Airbag voorpassagier
12
Zij-uitstroomopeningen
13
Dashboardkastje
Uitschakelen van de airbag vóór aan
passagierszijde
Resetten van het
bandenspanningscontrolesysteem

5
.
Overzicht
Cockpit (vervolg) 1
Lichtschakelaar
Richtingaanwijzers
2
Stop & Start
Active City Brake
Elektrische verstelling buitenspiegels
Koplampen verstellen
DSC- en TRC-systeem uitschakelen.
Mistlampen vóór (accessoire)
3
Openen van de brandstofvulklep
4
Schakelflippers ETG-versnellingsbak
5
Hoogteverstelling stuurwiel
Claxon
Bestuurdersairbag
6
Stuurkolomschakelaars
- Touchscreen, audiosysteem
- Lane Departure Warning System
7
Snelheidsbegrenzer
8
Ruitenwisserschakelaar
9
Contact, starten/afzetten (sleutel)
Contact, starten/afzetten ("Keyless entry and
start"-systeem)
10
Alarmknipperlichten

6
Eco-rijden
Milieubewust rijden
Maak optimaal gebruik van de
versnellingsbak
Als uw auto is voorzien van een
handgeschakelde versnellingsbak, rijd dan
rustig weg, schakel zo snel mogelijk de tweede
versnelling in. Schakel snel op tijdens het
accelereren.
Als uw auto is voorzien van een ETG-
versnellingsbak, gebruik dan bij voorkeur de
automatische stand (Easy) en trap het gaspedaal
niet plotseling of diep in.
Kies voor een soepele rijstijl
Houd afstand van de auto's voor u, rem bij
voorkeur af op de motor in plaats van het
rempedaal te gebruiken en trap het gaspedaal
geleidelijk in. Als u deze aanwijzingen naleeft,
neemt het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot
af en wordt de geluidsoverlast door het verkeer
beperkt.
Matig het gebruik van uw
elektrische uitrusting
Als het passagierscompartiment te warm is,
ventileer dit dan voordat u gaat rijden door de
ruiten en de ventilatieopeningen te openen
voordat u de airconditioning gaat gebruiken.
Sluit bij snelheden boven 50 km/h de ruiten,
maar laat de ventilatieopeningen open staan.
Maak gebruik van alle uitrustingsdelen die
kunnen bijdragen aan een verlaging van de
temperatuur in het passagierscompartiment
(zonnedak en zonnescherm…).
Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste
temperatuur is bereikt (behalve bij auto's met
een automatische airconditioning).
Schakel de achterruitverwarming en de
ontwaseming uit zodra deze niet meer nodig zijn
als deze niet automatisch worden aangestuurd.
Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit.
Schakel de verlichting en de mistlampen uit als
het zicht voldoende is.
Laat de motor vooral 's winters na het starten
niet stationair warmdraaien, maar rijd zo snel
mogelijk weg: uw auto warmt sneller op als
u rijdt.
Sluit als passagier zo min mogelijk
multimedia-apparatuur (DVD-speler, MP3-
speler, spelcomputer, enz.) op de auto aan
om het elektriciteitsverbruik, en dus het
brandstofverbruik, te beperken.
Koppel externe apparatuur los als u de auto
verlaat.
Door in de dagelijkse praktijk een aantal
aanwijzingen op te volgen kunt u het
brandstofverbruik en de CO2-uitstoot van uw
auto verminderen.
De schakelindicator adviseert u de versnelling
in te schakelen die het best geschikt is
voor de rijomstandigheden: volg het op het
instrumentenpaneel weergegeven schakeladvies
zo snel mogelijk op.
Bij auto's met een ETG-versnellingsbak wordt
de schakelindicator uitsluitend in de handmatige
stand weergegeven.

.
7
Eco-rijden
Beperk de oorzaken van een
hoger brandstofverbruik
Verdeel het gewicht evenwichtig over de auto: plaats
de zwaarste voorwerpen in de bagageruimte, zo
dicht mogelijk bij de achterbank.
Beperk de belading en de luchtweerstand
(dakdragers, imperiaal enz.) van uw auto. Gebruik
liever een dakkoffer.
Verwijder na gebruik de dakdragers en het imperiaal.
Vervang na de winter zo snel mogelijk de
winterbanden door zomerbanden.
Houd u aan de
onderhoudsvoorschriften
Controleer regelmatig de bandenspanning
(bij koude banden), houd u daarbij aan de
bandenspanning die staat vermeld op de sticker
op de portiersponning aan bestuurderszijde.
Controleer de bandenspanning met name:
- voor een lange rit,
- bij de wisseling van de seizoenen,
- als de auto gedurende langere tijd niet is
gebruikt.
Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie
verversen, oliefilter, luchtfilter en interieurfilter
vervangen, enz.) en houd u daarbij aan het
aan uw situatie aangepaste garantie- en
onderhoudsboekje.
Vergeet niet het reservewiel en de wielen van
een aanhanger of caravan.

9
1
Instrumentenpaneel
Centraal display van de uitvoering
met ETG-versnellingsbak
1. Stand van de selectiehendel en
ingeschakelde versnelling.
2. Informatie over de auto met:
- Kilometerteller en dagteller.
- Informatie van de boordcomputer.
- Informatie van de snelheidsbegrenzer.
- Buitentemperatuur. De temperatuur
knippert bij kans op gladheid.
3. Brandstofniveaumeter.
Display verklikkerlampjes
veiligheidsgordels
achterpassagiers en airbag
vóór aan passagierszijde
2. Informatie over de auto met:
- Kilometerteller en dagteller.
- Informatie van de boordcomputer.
- Informatie van de snelheidsbegrenzer.
3. Brandstofniveaumeter.
A. Verklikkerlampje veiligheidsgordel links
achter.
B. Waarschuwingslampje veiligheidsgordel
rechts achter.
C. Verklikkerlampje airbag vóór aan
passagierszijde uitgeschakeld.
D. Verklikkerlampje airbag vóór aan
passagierszijde ingeschakeld.
Het verklikkerlampje C of D blijft branden,
afhankelijk van de status van de airbag vóór aan
passagierszijde (uitgeschakeld of ingeschakeld).
Waarschuwingslampjes
De verklikkerlampjes (weergegeven als
symbolen) informeren de bestuurder over
een defect (waarschuwingslampjes) of
de werking van een systeem (werking of
uitschakeling waarschuwingslampjes).
Bepaalde waarschuwingslampjes branden op
twee manieren (vast of knipperend) en/of in
verschillende kleuren.
Bijbehorende waarschuwingen
Het branden van een lampje kan in combinatie
met een geluidssignaal plaatsvinden en/of een
weergegeven melding op het display.
De manier van oplichten van het lampje t.a.v. de
werkingsfase bepaalt of de situatie normaal is of
dat er een fout is opgetreden, zie de beschrijving
van ieder lampje voor meer informatie.
Bij het aanzetten van het contact
Als het contact wordt aangezet, gaan bepaalde
rode of oranje waarschuwingslampjes enkele
seconden branden. Deze lampjes moeten doven
als de motor draait.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over uitrusting of een functie.

10
Instrumentenpaneel
Aanhoudend
waarschuwingslampje
Bij een draaiende motor of tijdens het rijden,
wijst het branden van een rood of oranje
waarschuwingslampje op een fout die nader
onderzocht moet worden aan de hand van het
bijbehorende bericht en de beschrijving van het
waarschuwingslampje in de documentatie.
Wanneer een
waarschuwingslampje blijft
branden
De aanduidingen (1) (2) en (3) in het
waarschuwingslampje geven aan of u naast de
onmiddellijk aanbevolen acties contact met een
gekwalificeerde professional moet opnemen.
(1 ): zet de auto zo snel mogelijk stil op een
veilige plaats en zet het contact af.
(2): neem contact op met een PEUGEOT-dealer
of een gekwalificeerde werkplaats.
(3): ga naar een PEUGEOT-dealer of een
gekwalificeerde werkplaats.

11
1
Instrumentenpaneel
Lijst met waarschuwingslampjes
Waarschuwings- resp.
verklikkerlampje
Status Oorzaak Acties/Opmerkingen
Rode waarschuwingslampjes
STOP Knippert, samen
met een ander
waarschuwingslampje.
Dit waarschuwingslampje brandt bij
een te lage motoroliedruk of bij een te
hoge koelvloeistoftemperatuur.
Voer (1) en dan (2) uit.
Remsysteem Permanent. Het remvloeistofniveau is te laag.
Vul het niveau bij met een vloeistof voorzien van een artikelnummer van PEUGEOT.
Voer (3) uit als het probleem blijft bestaan.
Storing remsysteem. Voer (1) en dan (2) uit.
Parkeerrem
Permanent in combinatie
met een geluidssignaal.
De parkeerrem is aangetrokken of niet
goed vrijgezet.
+
Motoroliedruk Permanent. De motoroliedruk is te laag. Voer (1) en dan (2) uit.
Te hoge
motorkoelvloeistoftemperatuur
Knippert. De koelvloeistoftemperatuur stijgt. Rijd voorzichtig.
Permanent. De temperatuur van de koelvloeistof
is te hoog. Voer uit (1), en wacht met het eventueel bijvullen van de
koelvloeistof tot de motor is afgekoeld. Voer (2) uit als
het probleem blijft bestaan.

12
Instrumentenpaneel
Waarschuwings- resp.
verklikkerlampje Status Oorzaak Acties/Opmerkingen
Veiligheidsgordels
vóór
Knippert in
combinatie met een
geluidssignaal.
De bestuurder heeft zijn/haar veiligheidsgordel
niet heeft vastgemaakt of weer losgemaakt.
De voorpassagier heeft zijn/haar
veiligheidsgordel losgemaakt.
Airbags Permanent. Een van de airbags of gordelspanners
is defect. Voer (3) uit.
ETG-
versnellingsbak Permanent. Er is een storing in de ETG-
versnellingsbak. Voer snel (3) uit.
Koppeling Knippert in
combinatie met een
geluidssignaal.
De temperatuur van de koppeling is
te hoog.
Voer (1) uit, zet de selectiehendel van de ETG-
versnellingsbak in de stand N en wacht ongeveer 15 minuten
om de temperatuur van de koppeling te laten zakken.
Stuurbekrachtiging
Knippert of blijft
branden in combinatie
met een geluidssignaal.
Er is een storing met betrekking tot de
stuurbekrachtiging. Rijd voorzichtig en met lage snelheid en voer dan (3) uit.
Laadtoestand
accu Permanent.
Er is een storing in het laadstroomcircuit
van de accu (vervuilde accuklemmen,
aandrijfriem dynamo niet correct
gespannen of gebroken enz.).
Reinig de nokjes en bevestig deze weer. Als het
waarschuwingslampje niet uitgaat wanneer de motor is
gestart, voer (2) uit.
Portier(en)/
achterklep open Permanent in
combinatie met een
geluidssignaal.
Een portier of de achterklep is niet
goed gesloten. Sluit het portier of de achterklep.

13
1
Instrumentenpaneel
Waarschuwings- resp.
verklikkerlampje Status Oorzaak Acties/Opmerkingen
Oranje waarschuwingslampjes
Antiblokkeersysteem
(ABS)
Permanent. Er is een storing in het
antiblokkeersysteem. De normale remwerking blijft behouden.
Rijd voorzichtig en met lage snelheid en voer dan (3) uit.
Emissieregelsysteem
Permanent. Er is een storing in de emissieregeling. Voer snel (3) uit.
Motorstoring Permanent.
Er is een ernstige storing gesignaleerd waar
geen specifiek waarschuwingslampje voor is.
Voer (2) uit zonder defect.
Laag
brandstofniveau Permanent in
combinatie met een
geluidssignaal.
Als het lampje gaat branden zit er nog
ongeveer 5 liter brandstof in de tank
(reservevoorraad ).
Tank bij de eerstvolgende gelegenheid om een lege
brandstoftank te voorkomen.
Rijd nooit door tot de tank helemaal leeg is, hierdoor
kunnen het emissieregelsysteem en het injectiesysteem
beschadigd raken.
Bandenspanning
te laag Permanent. De bandenspanning van een of
meerdere wielen is te laag. Controleer zo snel mogelijk de bandenspanning.
Reset na het afstellen van de druk het controlesysteem.
Dynamische
stabiliteitscontrole
(DSC)/
antislipregeling
(TRC)
Knippert. DSC/TRC wordt ingeschakeld als
er sprake is van verlies van grip of
koersstabiliteit.
Permanent. De DSC/TRC-systemen zijn defect. Voer (3) uit.

15
1
Instrumentenpaneel
Waarschuwings- resp.
verklikkerlampje Status Oorzaak Acties/Opmerkingen
Stop & Start Permanent. Het Stop & Start-systeem is
uitgeschakeld. Schakel de functie weer in door nogmaals op de toets
te drukken.
Knippert. Het Stop & Start-systeem is defect. Voer (3) uit.
Snelheidsbegrenzer
Permanent. De snelheidsbegrenzer is defect. Voer (3) uit.
Active City Brake Knippert. Er is een storing in het Active City
Brake-systeem. Voer (3) uit.
Active City Brake Permanent. Er is op een toets gedrukt.
De configuratie van het systeem is
gewijzigd.
Het Active City Brake-systeem is ingeschakeld.
Knippert in
combinatie met een
geluidssignaal.
Het Active City Brake-systeem is in
werking. Het systeem optimaliseert het remmen om een
aanrijding te voorkomen.
Active City Brake Permanent. Het Active City Brake-systeem is
uitgeschakeld. Schakel de functie weer in door nogmaals op de toets
te drukken.
Lane Departure
Warning System Permanent. Het Lane Departure Warning System
is defect. Voer (3) uit.
Lane Departure
Warning System Knippert (oranje) in
combinatie met een
geluidssignaal.
Overschrijding van een
rijstrookmarkering, rechts. Stuur de andere kant op om de auto weer op de juiste
koers te brengen.

16
Instrumentenpaneel
Waarschuwings- resp.
verklikkerlampje Status Oorzaak Acties/Opmerkingen
Lane Departure
Warning System Knippert (oranje) in
combinatie met een
geluidssignaal.
Er wordt een rijstrookmarkering aan de
linkerzijde overschreden. Draai het stuurwiel de andere kant op om de auto weer
in het juiste spoor te brengen.
Mistachterlicht Permanent. Het lampje brandt.
Groene verklikkerlampjes
Lane Departure
Warning System Permanent. Er is op een toets gedrukt. Het Lane Departure Warning System is ingeschakeld.
Lane Departure
Warning System Permanent. Er is op een toets gedrukt. Het systeem is in werking: het heeft rijstrookmarkeringen
links en/of rechts gedetecteerd.
Stop & Start Permanent.
Het Stop & Start-systeem heeft de motor
in de STOP-stand gezet (verkeerslicht,
stopbord, opstopping enz.).
Het lampje gaat uit en de motor wordt automatisch
gestart (START-stand) als u wilt wegrijden.
Systeem Keyless
entrée and start Permanent. Er wordt aan alle voorwaarden voor
het starten van de motor voldaan.
Knippert langzaam.
Het contact staat in de stand "ACC".
De accessoires (autoradio, 12 V-aansluiting,
enz.) kunnen worden gebruikt.
Knippert snel. Het stuurslot is niet ontgrendeld. Zet het contact in de stand "OFF" en vervolgens weer
in de stand "ON", en draai iets aan het stuurwiel om het
stuurslot te ontgrendelen.

17
1
Instrumentenpaneel
Waarschuwings- resp.
verklikkerlampje Status Oorzaak Acties/Opmerkingen
Snelheidsbegrenzer
Permanent. De snelheidsbegrenzer is actief.
Opschakelindicator
Permanent. Er kan worden opgeschakeld/
teruggeschakeld.
Richtingaanwijzers
Richtingaanwijzers met
geluidssignaal. De richtingaanwijzers zijn
ingeschakeld.
Parkeerlicht of
dimlicht Permanent. Het parkeerlicht of dimlicht is aan.
Blauwe verklikkerlampjes
Grootlicht Permanent. De lampen branden.
Mistlampen vóór Permanent. De mistlampen vóór zijn ingeschakeld. Let op: bij als accessoire gemonteerde mistlampen kan
de bediening anders zijn.

18
Instrumentenpaneel
Meters
Kilometerteller/dagteller
Bij het aanzetten van het contact wordt de
kilometerteller of de dagteller weergegeven,
afhankelijk van welke weergave bij het afzetten
van de motor was geselecteerd.
- bij de dagteller wordt TRIP weergegeven.
Houd, als de dagteller wordt weergegeven, een
van de twee knoppen 1 ingedrukt om de dagteller
op nul te zetten.
Brandstofniveaumeter
Laag brandstofniveau
Als het minimumbrandstofniveau is
bereikt, gaat dit verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel branden in
combinatie met een geluidssignaal.
Als de auto is gestrand met een lege brandstoftank,
moet minimaal 5 liter brandstof worden getankt.
Boordcomputer
De boordcomputer geeft actuele informatie over
het rijden (actieradius, brandstofverbruik enz.).
Weergave van de gegevens
* Afhankelijk van de uitvoering.
F Druk op de knop op het stuurwiel om
achtereenvolgens de verschillende functies
van de boordcomputer weer te geven.
- Totale kilometerstand.
- Traject A.
- Traject B.
- Tijd per traject van de STOP-stand van het
Stop & Start-systeem*.
- Totale tijd van de STOP-stand van het Stop
& Start-systeem*.
- De buitentemperatuur*.
- Actueel brandstofverbruik.
- Gemiddeld brandstofverbruik.
- Actieradius.
- Gemiddelde snelheid.
- Dimmer verlichting.
Druk op de een van de knoppen 1 om afwisselend
de kilometerteller en de dagteller weer te geven:
- bij de kilometerteller wordt ODO weergegeven,
De brandstofniveaumeter geeft de resterende hoeveelheid
brandstof aan:
- 1/1 en zes segmenten: de brandstoftank is vol.
- R en één segment: het minimumbrandstofniveau is bereikt.
Er zit dan nog ongeveer 5 liter brandstof in
de tank.

20
Instrumentenpaneel
Boordcomputer, enkele
definities
Actieradius
(km of miles)
De actieradius geeft aan hoeveel kilometer u nog
met de resterende hoeveelheid brandstof kunt
rijden (berekend op basis van het gemiddelde
verbruik over de laatste afgelegde kilometers).
Deze waarde kan schommelen door een
gewijzigde rijstijl of het rijden op een helling,
waardoor het actuele brandstofverbruik
aanzienlijk kan wijzigen.
Als het brandstofniveau erg laag is, wordt de
melding "Lo FUEL" weergegeven.
Als het brandstofniveau erg laag is, wordt de
actieradius niet meer herberekend.
Actueel brandstofverbruik
(l/100 km, km/l of mpg)
Berekend over de laatste seconden.
Gemiddeld brandstofverbruik
(l/100 km, km/l of mpg)
Berekend sinds de laatste nulstelling van de
trajectgegevens.
Gemiddelde snelheid
(km/h of mph)
Berekend sinds de laatste nulstelling van de
trajectgegevens.
Teller Stop & Start
(minuten/seconden of uren/minuten)
Als uw auto is uitgerust met het Stop & Start-
systeem, houdt een teller bij hoelang de STOP-
stand tijdens een rit is geactiveerd.
De teller wordt elke keer als u het contact aanzet
weer op nul gezet.
Tijd instellen
Radio
De tijd kan worden ingesteld met de draaiknop
"MENU":
- druk op de draaiknop om toegang te krijgen
tot de menu's en een gemaakte keuze te
bevestigen,
- draai aan de draaiknop om een functie of een
onderdeel in de lijst te selecteren.
U kunt altijd terugkeren naar de vorige stap door
op de toets "Back" te drukken.
F Druk op de draaiknop om toegang te krijgen
tot de menu's.
F Draai aan de draaiknop om "CLOCK" te
selecteren.
F Druk op de draaiknop om te bevestigen. De
cijfers van de uren knipperen.
F Draai aan de draaiknop om de uren in te
stellen.
F Druk op de draaiknop om te bevestigen. De
cijfers van de minuten knipperen.
F Draai aan de draaiknop om de minuten in te
stellen.
F Druk op de draaiknop om te bevestigen en het
menu te verlaten.

21
1
Instrumentenpaneel
Touchscreen
Druk op "Configuratie".
Druk op "Algemeen".
Selecteer "Datum/Tijd".
Stel de dag, de maand en het jaar in met behulp
van de pijlen op het scherm.
Selecteer het formaat van de tijdweergave.
Druk op "OK" om te bevestigen en het menu af
te sluiten.

23
2
Toegang tot de auto
Wanneer u de auto hebt vergrendeld en merkt dat
een van de portieren niet goed is gesloten, sluit
dan het portier en vergrendel de auto opnieuw.
Ontgrendeling
F Druk op deze knop om de auto te
ontgrendelen.
De richtingaanwijzers knipperen twee keer.
Lokaliseren van de auto
F Druk op deze toets om de eerder
vergrendelde auto te lokaliseren
op een parkeerplaats.
De richtingaanwijzers knipperen gedurende
enkele seconden.
Batterij van de
afstandsbediening vervangen
Batterij ref.: CR 2016/3 volt.
F Wip het deksel met een kleine
schroevendraaier bij de uitsparing los.
F Verwijder het deksel.
F Verwijder de lege batterij.
F Plaats een nieuwe batterij in de juiste richting
in de houder.
F Plaats het deksel terug en druk het vast.
Gooi de lege batterijen van de
afstandsbediening niet weg: ze bevatten
metalen die schadelijk zijn voor het milieu.
Lever ze in bij het PEUGEOT-netwerk of
bij een speciaal inzamelpunt.
"Keyless entry and start"-
systeem
Systeem dat het ontgrendelen, vergrendelen en
starten van de auto mogelijk maakt terwijl u de
elektronische sleutel gewoon op zak houdt.
Elektronische sleutel
Uit veiligheidsoverwegingen hebben de
detectiezones waarbinnen de elektronische
sleutel werkt een bereik van ongeveer 70 cm
rond elke knop voor het openen.
Deze elektronische sleutel kan ook worden
gebruikt als afstandsbediening.
Hij omvat een ingebouwde fysieke sleutel.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over de afstandsbediening.

24
Toegang tot de auto
Openen van de auto
Ontgrendelen via de portieren
Ontgrendelen via de achterklep
F Als u de elektronische sleutel op zak hebt
binnen één van de detectiezones, kunt
u de auto ontgrendelen door op één van de
knoppen op de voorportierhandgrepen te
drukken.
F Trek vervolgens aan de portiergreep om het
portier te openen.
Het ontgrendelen wordt bevestigd door
het twee keer snel knipperen van de
richtingaanwijzers.
Sluiten van de auto
Vergrendeling
De richtingaanwijzers knipperen één keer.
Als een van de portieren of de achterklep
geopend is of als een van de elektronische
sleutels van het Keyless entry and start-
systeem zich in de auto bevindt, wordt
u gewaarschuwd door een geluidssignaal en
werkt de centrale vergrendeling niet.
Als de auto wordt ontgrendeld en de
portieren en de achterklep gesloten blijven,
wordt de auto na ongeveer 30 seconden
automatisch weer vergrendeld.
Stel de elektronische sleutel nooit bloot aan
extreme temperaturen (lager dan -20°C
en hoger dan 60°C). Dit kan storingen
veroorzaken.
F Als u de elektronische sleutel op zak hebt
binnen de detectiezone aan de achterzijde,
kunt u de auto ontgrendelen en de achterklep
een stukje openen door op de knop op de
handgreep van de achterklep te drukken.
F Beweeg de achterklep omhoog om hem
volledig te openen.
F Druk, als de sleutel zich binnen een van de
detectiegebieden bevindt, op de knop van de
portiergreep van een van de voorportieren of
druk op de knop onder de achterklep.
Laat omwille van de veiligheid en ter
voorkoming van diefstal de elektronische
sleutel nooit in de auto achter, ook niet
wanneer u in de buurt bent.
Het is raadzaam de sleutel bij u te houden.

25
2
Toegang tot de auto
Noodprocedure
Met de geïntegreerde sleutel kan de auto
vergrendeld of ontgrendeld worden als de
elektronische sleutel niet werkt en als er een
storing in het "Keyless entry and start"-systeem
is:
- batterij sleutel leeg, accu ontladen of
losgekoppeld…
- auto bevindt zich in een omgeving met veel
elektromagnetische straling.
F Houd de nok 1 ingedrukt om de geïntegreerde
sleutel 2 uit de houder te halen.
Ontgrendelen
F Steek de geïntegreerde sleutel in het slot van
het bestuurdersportier en draai hem richting
de voorzijde van de auto om de auto te
ontgrendelen.
Vergrendelen
F Steek de geïntegreerde sleutel in het slot van
het bestuurdersportier en draai hem richting
de achterzijde van de auto om de auto te
vergrendelen.
Batterij van de elektronische
sleutel sparen
Om de batterij te sparen, kan de werking van de
elektronische sleutel worden uitgeschakeld (geen
ontvangst van radiogolven).
F Druk tweemaal op het open
hangslot, terwijl u het gesloten
hangslot ingedrukt houdt.

26
Toegang tot de auto
Controleer of het lampje op de elektronische
sleutel 4 keer knippert.
Hoewel deze functie is geactiveerd, is het
"Keyless entry and start"-systeem buiten werking.
Om de elektronische sleutel te activeren, drukt
u op één van de knoppen (open of gesloten
hangslot).
Batterij van de elektronische
sleutel vervangen
Batterijtype: CR2032/3 volt.
Als de batterij van de
elektronische sleutel defect is,
gaat dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel branden.
F Plaats een nieuwe batterij in de juiste richting
in de houder.
F Breng het afdekplaatje weer op zijn plaats.
F Klik het deksel op de afstandbediening vast.
Instructies
Afstandsbediening/elektronische sleutel
Deze radiografische afstandsbedieningen
zijn erg gevoelig. Het is raadzaam om niet
met de knoppen ervan te spelen om te
voorkomen dat de portieren per ongeluk
ontgrendeld worden.
Druk nooit op de knoppen van uw
afstandsbediening of uw elektronische
sleutel wanneer u buiten het bereik en
het zicht van uw auto bent. Dan werkt de
afstandsbediening mogelijk niet meer. De
afstandsbediening zou dan moeten worden
gereset.
Vergrendelen van de auto
Het rijden met vergrendelde portieren kan
in noodgevallen de toegang tot het interieur
voor de hulpdiensten bemoeilijken.
Neem uit veiligheidsoverwegingen (kinderen
in de auto) de sleutel met afstandsbediening
of de elektronische sleutel mee als u de auto
verlaat, zelfs al is dit voor korte duur.
Sleutels, afstandsbediening,
elektronische sleutel verloren
Ga met het kentekenbewijs van de auto,
uw legitimatiebewijs en indien mogelijk
de sticker met de sleutelcode naar het
PEUGEOT-netwerk.
Het PEUGEOT-netwerk kan de speciale
code van de sleutel en de transponder
opzoeken en voor nieuwe sleutels zorgen.
Bij het aanschaffen van een gebruikte auto
Laat door het PEUGEOT-netwerk controleren
of alle in uw bezit zijnde sleutels met uw auto
zijn gelinkt, zodat u er zeker van kunt zijn dat
deze sleutels de enige zijn waarmee uw auto
ontgrendeld en gestart kan worden.
F Wip het deksel met een kleine
schroevendraaier bij de uitsparing los.
F Til het deksel op.
F Verwijder het afdekplaatje van de batterij door
dit omhoog te trekken.
F Verwijder de lege batterij.
Portieren
Vergrendelen/ontgrendelen
van binnenuit

27
2
Toegang tot de auto
Om een portier te ver-/ontgrendelen, druk op/trek
aan knop A.
Uitvoeringen zonder centrale
vergrendeling
Door de knop A te bedienen wordt alleen het
desbetreffende portier vergrendeld/ontgrendeld.
Uitvoeringen met centrale
vergrendeling
Door de knop A aan bestuurderszijde te
bedienen worden alle portieren en de achterklep
vergrendeld/ontgrendeld.
Door de knop A aan passagierszijde te
bedienen wordt alleen het desbetreffende portier
vergrendeld/ontgrendeld.
Met het bedienen van de handgreep kan
het portier altijd vanuit het interieur worden
geopend, zelfs wanneer het vergrendeld is.
Portier geopend
Als de schakelaar in deze stand staat, blijft de
plafonnier branden als een portier is geopend.
Vergrendelen/ontgrendelen
en openen van de achterklep
Met de sleutel
- Steek de sleutel in het slot en draai hem
rechtsom om de achterklep te ontgrendelen
en op een kier te zetten. De portieren blijven
vergrendeld.
- Beweeg de achterklep omhoog via de
handgreep aan de buitenzijde.
Als u de achterklep sluit, wordt hij meteen
vergrendeld.
Met de afstandsbediening
F Druk op deze knop om de auto en
de bagageruimte te ontgrendelen.
F Druk op de knop voor het openen om de
achterklep gedeeltelijk te openen.
F Til de achterklep op aan de hendel aan de
buitenkant om deze te openen.
F Druk op deze knop om de
achterklep en de auto te
vergrendelen.

28
Toegang tot de auto
Met het "Keyless entry and
start"-systeem
Als de auto al was ontgrendeld via de
voorportieren, hoeft u de elektronische sleutel
niet bij u te dragen om de achterklep met de
ontgrendelknop te ontgrendelen.
F Druk terwijl u de elektronische sleutel bij
u draagt op de knop onder de achterklep om
de achterklep te vergrendelen.
of
Vergrendel de auto via de voorportieren.
Sla de achterklep niet dicht: begeleid de
klep bij het sluiten en laat hem pas los als hij
bijna is gesloten.
Noodbediening
Hiermee kan bij een lege accu of een eventuele
storing in de centrale vergrendeling de achterklep
mechanisch ontgrendeld worden.
Ontgrendelen
F Klap de rugleuning van de achterbank neer
om bij het slot in de bagageruimte te komen.
F Verwijder met een schroevendraaier
waarvan het uiteinde is omwikkeld met
een doek de 4 klemmen en vervolgens de
bagageruimtebekleding.
F Beweeg de pal naar rechts om de achterklep
te ontgrendelen.
Elektrisch bedienbare
voorportierruiten
(Afhankelijk van de uitvoering).
1. Linksvoor.
2. Rechtsvoor.
Druk bij aangezet contact op een van de
schakelaars om de desbetreffende ruit te openen
of trek hem omhoog om de ruit te sluiten. De ruit
stopt zodra de schakelaar wordt losgelaten.
Aan de bestuurderszijde bevinden zich schakelaars voor zowel
het bestuurdersportier als het voorportier aan passagierszijde.
De ruitbediening werkt niet als het contact
is afgezet.
Het onvoorzichtig sluiten van de ruiten kan
leiden tot ernstige verwondingen.
Zorg ervoor dat niets het sluiten van de
ruiten kan hinderen en let er met name op
dat kinderen zich niet kunnen bezeren.
F Druk terwijl u de elektronische sleutel bij
u draagt op de ontgrendelknop van de
achterklep om de achterklep te ontgrendelen
en op een kier te zetten.
De portieren worden dan ook ontgrendeld.
F Beweeg de achterklep omhoog via de
handgreep aan de buitenzijde.

30
Toegang tot de auto
Stand 0: Dak volledig gesloten.
Stand 1: Positie waarin het dak stopt bij het
automatisch sluiten.
Stand 2: Dak volledig geopend.
Openen
F Druk kort op de zijde "openen" van de
schakelaar om het dak in stappen te openen.
of
F Houd de zijde "openen" van de schakelaar
ingedrukt totdat het dak begint te bewegen;
het dak wordt volledig geopend. Door
nogmaals op de schakelaar te drukken wordt
de beweging van het dak gestopt.
Sluiten
F Druk kort op de zijde "sluiten" van de
schakelaar om het dak in stappen te sluiten.
of
F Houd de zijde "sluiten" van de schakelaar
ingedrukt totdat het dak begint te bewegen;
het dak wordt gesloten tot de positie 1. Door
nogmaals op de schakelaar te drukken wordt
de beweging van het dak gestopt.
F Houd, om het dak (tussen de posities 1 en 0)
volledig te sluiten, de schakelaar ingedrukt
totdat u het dak hoort vergrendelen.
Het sluiten van het dak kan ernstige
verwondingen veroorzaken: pas vooral goed
op met kinderen.
Als het dak niet goed gesloten kan worden:
- controleer of niets het sluiten hindert (afgezet
contact),
- herhaal de sluitprocedure (draaiende motor).
Als het probleem zich blijft voordoen, neem dan
contact op met het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Beveiliging van de elektromotoren
voor het openen en sluiten van het
dak
Als het dak herhaaldelijk wordt geopend en
gesloten, kunnen de elektromotoren oververhit
raken, waardoor het dak niet meer geopend of
gesloten kan worden. Laat de elektromotoren
afkoelen door het dak gedurende 10 minuten niet
te bedienen.
Storing
Raadpleeg in geval van een elektrische storing het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Windscherm
Er is een windscherm beschikbaar om het
comfort van de inzittenden onder bepaalde
rijomstandigheden (hoge snelheid) te verbeteren.
Hierdoor worden de luchtturbulenties in het
interieur zoveel mogelijk beperkt.
Bij het openen van het dak wordt het windscherm
uitgeklapt.
Bij het sluiten van het dak wordt het windscherm
automatisch weer ingeklapt.

31
2
Toegang tot de auto
Gebruiksvoorschriften
Plaats nooit voorwerpen op het geopende of
gesloten dak.
Ga nooit op de daktraverse zitten en plaats
er geen voorwerpen op als het dak is
geopend.
Open om beschadiging te voorkomen het
dak niet bij sneeuw of ijzel.
Gebruik nooit scherp gereedschap om
sneeuw of ijs van het dak te verwijderen.
Om blijvende vouwlijnen in het dak te
voorkomen, is het raadzaam het dak niet
langdurig geopend te houden.
Het wordt afgeraden de airconditioning van
de auto te gebruiken als het dak is geopend.
Wanneer u de auto voor een langere periode
buiten parkeert, is het raadzaam het dak te
beschermen met een hoes.
Het is raadzaam het dak te sluiten als u de
auto parkeert.
Ook als het dak is gesloten, is het beter om
geen waardevolle spullen in de auto achter
te laten.
Zet het contact af en haal de sleutel uit het
contact (of neem de elektronische sleutel
mee) als u de auto verlaat, om te voorkomen
dat het dak ongewild wordt bediend.
Onderhoudstips
Algemene adviezen voor wat betreft het
onderhoud van uw auto vindt u in het garantie- en
onderhoudsboekje.
Canvas dak
Voordat u het canvas gaat wassen, moet
u zoveel mogelijk vuil met een zachte borstel
of stofzuiger verwijderen.
Om beschadiging van het dak te voorkomen:
- gebruik nooit een hogedruksproeier,
- was uw auto niet in een wasstraat met
borstels.
Laat de auto in de schaduw drogen en niet in
direct zonlicht.
Om vlekken te verwijderen, moet u ze
afdeppen (nooit wrijven) met een spons
en wat zeepsop. Spoel het canvas hierna
meteen af met schoon water.
Vogelpoep of plantaardige harsen moet
u onmiddellijk verwijderen, wat de bijtende
stoffen hierin kunnen het canvas beschadigen.
Voor regelmatig onderhoud van het canvas,
zodat het zijn originele vorm behoudt,
raden wij u aan om de milieuvriendelijke
insectenverwijderaar uit het assortiment
"TECHNATURE" te gebruiken. U kunt dit
product bestellen bij een PEUGEOT-dealer.
Gebruik nooit chemische producten,
reinigingsmiddelen, vlekverwijderaars,
oplosmiddelen, alcohol, benzine… om het
canvas te reinigen.
Om het canvas waterdicht te maken,
gebruikt u alleen producten die specifiek zijn
bestemd voor canvas daken.
Akoestische luchtgeleider
Wij raden u aan de akoestische luchtgeleider
voorzichtig schoon te maken met een
zachte borstel.

32
Ergonomie en comfort
Voorstoelen
Stel vanwege veiligheidsredenen de stoelen
alleen af als de auto stilstaat.
Zorg er bij het verstellen van de stoel naar
achteren voor dat het schuiven van de stoel niet
wordt verhinderd door personen of voorwerpen.
Er is een risico op bekneld raken van de
achterpassagiers of op blokkeren van de stoel
als grote voorwerpen op de vloer achter de
stoel zijn geplaatst.
Juiste zitpositie
Stel alvorens te gaan rijden en te profiteren van
de ergonomische lay-out van de instrumenten
en bedieningen de afstellingen af in de volgende
volgorde:
- de hoek van de rugleuning,
- de hoogte van de zitting van de stoel,
- de positie in lengterichting van de stoel,
- de hoogte van het stuurwiel,
- de binnenspiegel en buitenspiegels.
Controleer vervolgens of u vanuit uw
zitpositie een goed zicht hebt op het
instrumentenpaneel.
Verstellen in lengterichting
F Trek de beugel omhoog en schuif de stoel in
de gewenste stand.
Hoek van de rugleuning
F Buig iets naar voren zodat u niet tegen de
rugleuning leunt.
F Draai de knop om de hoek van de rugleuning
te verstellen.
Hoogteverstelling van de
bestuurdersstoel
(Afhankelijk van de uitvoering).
F Trek de hendel omhoog of duw deze omlaag
tot de gewenste stand is bereikt.
Bediening stoelverwarming

3
33
Ergonomie en comfort
Bij draaiende motor is de stoelverwarming voor
beide voorstoelen afzonderlijk regelbaar.
F Druk op de schakelaar; het verklikkerlampje
gaat branden.
F Druk nogmaals op de schakelaar om de
verwarming uit te schakelen.
De temperatuur wordt automatisch geregeld.
De stoelverwarming wordt ongeveer twee minuten
na het afzetten van het contact uitgeschakeld. Zet
het contact aan en druk op de schakelaar om de
stoelverwarming weer in te schakelen.
Schakel de stoelverwarming uit als
u denkt dat dat nodig is, want hoe
lager het stroomverbruik, hoe lager het
brandstofverbruik.
Gebruik de functie niet als de stoel niet
wordt gebruikt.
Zet de stoelverwarming zo snel mogelijk
in een lagere stand.
U kunt de functie uitschakelen zodra
de temperatuur van de stoelen en
in het interieur op een aangenaam
niveau is gekomen. Dit vermindert
het stroomverbruik waardoor ook het
brandstofverbruik lager wordt.
Langdurig gebruik in de hoogste instelling
wordt afgeraden voor personen met een
gevoelige huid.
Personen waarvan de warmtewaarneming
beperkt is (bijvoorbeeld ziekte, medicijnen)
kunnen brandwonden krijgen.
Het systeem kan oververhit raken als
materiaal met isolerende eigenschappen
zoals kussens of stoelhoezen wordt
gebruikt.
Gebruik de functie niet:
- als vochtige kleding wordt gedragen,
- als kinderzitjes zijn aangebracht.
Om breken van het verwarmingselement in
de stoel te voorkomen:
- plaats geen zware voorwerpen op de
stoel,
- kniel of sta niet op de stoel,
- plaats geen scherpe voorwerpen op de
stoel,
- mors geen vloeistoffen op de stoel.
Voorkomen van de kans op kortsluiting:
- gebruik geen vloeibare producten om de
stoel te reinigen,
- gebruik de verwarmingsfunctie nooit
wanneer de stoel vochtig is.
Toegang tot de achterbank
(3-deurs)
F Trek deze hendel naar u toe om de rugleuning
naar voren te klappen en schuif de stoel
vooruit.
Beweeg de stoel bij het verstellen totdat de
rugleuning en de zitting in de desbetreffende
stand vergrendeld worden.
Zorg ervoor dat geen voorwerp of persoon
het terugschuiven in de oorspronkelijke
stand verhindert.
Let erop dat de veiligheidsgordel goed is
opgerold zodat de toegang tot de achterbank
niet wordt belemmerd.

34
Ergonomie en comfort
Achterbank
Uw auto is uitgerust met een achterbank met een
eendelige vaste zitting en, afhankelijk van de
uitvoering, met:
- een in delen (50/50) neerklapbare rugleuning,
- een eendelige neerklapbare rugleuning.
Opbergen van de
veiligheidsgordels
Berg de gespen van de veiligheidsgordels achter
op in de houders op de middenstijl als ze niet
worden gebruikt of voordat de rugleuning van
de achterbank (geheel of gedeeltelijk) wordt
neergeklapt.
Neerklappen van de
achterbankleuning
Het neerklappen geschiedt vanaf de achterzijde
van de auto met geopende achterklep.
F Zet de hoofdsteun in de lage stand.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over de hoofdsteunen achter.
F Trek aan de riem A aan de achterzijde van de
rugleuning en klap de rugleuning neer op de
zitting.
Terugplaatsen van de
achterbankleuning
3-deurs 5-deurs
F Klap de rugleuning omhoog en vergrendel
hem in de verankering B.
F Controleer of de achterbankleuning goed
vergrendeld is.
Hoofdsteunen achter
(Afhankelijk van de uitvoering).
De hoofdsteunen achter zijn afneembaar en
kunnen in twee standen worden gezet:
- omhoog, als ze gebruikt worden.
- omlaag, als ze niet gebruikt worden.

3
35
Ergonomie en comfort
Trek de hoofdsteun omhoog om hem omhoog te
zetten.
Druk op de pal A en vervolgens op de hoofdsteun
om hem omlaag te zetten.
Verwijderen:
- kantel de rugleuning iets naar voren,
- zet de hoofdsteun omhoog,
- druk op de pal A en trek gelijktijdig de
hoofdsteun omhoog.
Terugplaatsen:
- kantel de rugleuning iets naar voren,
- steek de pennen van de hoofdsteun in de
openingen.
Druk op de pal A om de hoofdsteun omlaag te
zetten.
Spiegels
Handmatig verstelbare
buitenspiegels
F Duw de hendel in een van de vier richtingen
om de spiegel af te stellen.
Elektrisch verstelbare
buitenspiegels
Afstellen
F Beweeg de knop A naar rechts of links om de
desbetreffende buitenspiegel te selecteren.
F Beweeg de knop B in de vier richtingen om de
spiegel af te stellen.
F Zet knop A weer terug op de beginstand
(midden).
De in de buitenspiegels waargenomen objecten
lijken verder af dan ze in werkelijkheid zijn.
Hiermee moet rekening worden gehouden om
de afstand ten opzichte van achteropkomend
verkeer goed in te schatten.
Buitenspiegelverwarming
Gebruik de schakelaar van de
achterruitverwarming.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over het ontwasemen en ontdooien
van de achterruit.
Inklappen/uitklappen
Als de auto stilstaat, kunnen de buitenspiegels
handmatig worden ingeklapt.
De oorspronkelijke instellingen blijven
behouden tijdens het uitklappen.
Binnenspiegel (handmatig)
De binnenspiegel kent 2 standen:
- dagstand (normaal),
- nachtstand (antiverblinding).
De spiegel kan in de dag- en nachtstand gezet
worden met behulp van het hendeltje aan de
onderzijde.

36
Ergonomie en comfort
Stuurwielverstelling (met
stuurbekrachtiging)
F Houd bij stilstaande auto het stuurwiel vast en druk
gelijktijdig de hendel naar beneden om het stuurwiel
te ontgrendelen.
F Zet het stuurwiel op de gewenste hoogte en beweeg
de hendel omhoog om het stuurwiel te vergrendelen.
Uit veiligheidsoverwegingen mogen deze handelingen
niet tijdens het rijden worden uitgevoerd.
Ventilatie 5. Uitstroomopeningen beenruimte achterste
inzittenden.
1. Uitstroomopeningen voor het ontdooien of
ontwasemen van de voorruit.
2. Centrale uitstroomopening.
3. Zij-uitstroomopeningen.
4. Uitstroomopeningen voetenruimte
voorpassagiers.
Gebruiksadviezen voor
ventilatie en airconditioning
Als de binnentemperatuur zeer
hoog is wanneer de auto lang in
de zon heeft gestaan, moet u het
passagierscompartiment kort ventileren.
Om een goede luchtverdeling te verkrijgen
mogen het luchtinlaatrooster, de
ventilatieroosters, de luchtkanalen en de
uitstroomopeningen onder de voorstoelen
niet zijn afgedekt.
Zorg ervoor dat het interieurfilter, dat zich
achter het dashboardkastje in de aircogroep
bevindt, in een goede staat verkeert.
De filterelementen dienen periodiek te
worden vervangen. Laat de filterelementen
twee keer zo vaak vervangen als de
omstandigheden dit vereisen.
Zet de airconditioning 1 tot 2 keer per maand
5 tot 10 minuten aan om het systeem in
perfecte staat te houden.
Laat de airconditioning regelmatig
controleren om het systeem in perfecte staat
te houden.
Gebruik de airconditioning niet als deze niet
koelt. Neem in dat geval contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.

3
37
Ergonomie en comfort
Condensvorming door de airconditioning kan
ertoe leiden dat zich een klein plasje water onder
de auto vormt. Dit is een normaal verschijnsel.
Het airconditioningssysteem is chloorvrij
en is niet schadelijk voor de ozonlaag.
Verwarming
De verwarming werkt uitsluitend bij draaiende
motor.
1. Regeling temperatuur.
2. Regeling van de luchtopbrengst.
3. Regeling van de luchtverdeling.
Temperatuurregeling
F Draai de knop 1 naar het blauwe gedeelte
(koud) of het rode gedeelte (warm) om de
temperatuur naar eigen wens in te stellen.
Regeling luchtopbrengst
F Draai de knop 2 van stand 1 naar stand 4 om
de luchtopbrengst naar uw wens in te stellen.
Wanneer de knop van de luchtopbrengstregeling
in de stand 0 (systeemdeactivering) staat, wordt
het thermische comfort niet meer geregeld.
Er blijft door de rijwind nog wel een kleine
luchtstroom gehandhaafd.
Schakel zo snel mogelijk de toevoer van buitenlucht
weer in om te voorkomen dat de luchtkwaliteit in het
interieur achteruitgaat en de ruiten beslaan.
Regeling luchtverdeling
Draai de knop 3 om de luchtverdeling in het
interieur te variëren.
Middelste ventilatierooster en
zijventilatieroosters.
Middelste ventilatierooster,
zijventilatieroosters en voetenruimte.
Beenruimte.
Voorruit en voetenruimte.
Voorruit.
Handbediende airconditioning
Het systeem werkt alleen als de motor draait.
1. Regeling temperatuur.
2. Regeling van de luchtopbrengst.

38
Ergonomie en comfort
3. Regeling van de luchtverdeling.
4. Recirculatie van de interieurlucht.
5. In-/uitschakelen van de airconditioning.
Temperatuurregeling
F Draai de knop 1 naar het blauwe gedeelte
(koud) of het rode gedeelte (warm) om de
temperatuur naar eigen wens in te stellen.
Regeling luchtopbrengst
F Draai de knop 2 van stand 1 naar stand 4 om
de luchtopbrengst naar uw wens in te stellen.
Wanneer de knop van de luchtopbrengstregeling
in de stand 0 (systeemdeactivering) staat, wordt
het thermische comfort niet meer geregeld.
Er blijft door de rijwind nog wel een kleine
luchtstroom gehandhaafd.
Schakel zo snel mogelijk de toevoer van buitenlucht
weer in om te voorkomen dat de luchtkwaliteit in het
interieur achteruitgaat en de ruiten beslaan.
Regeling luchtverdeling
Draai de knop 3 om de luchtverdeling in het
interieur te variëren.
Airconditioning
Middelste ventilatierooster en
zijventilatieroosters.
Middelste ventilatierooster,
zijventilatieroosters en voetenruimte.
Beenruimte.
Voorruit en voetenruimte.
Voorruit.
De airconditioning werkt doeltreffend in elk
jaargetijde, bij draaiende motor en mits de ruiten
zijn gesloten.
Dit systeem maakt het mogelijk om:
- in de zomer de temperatuur in het interieur te
verlagen,
- in de winter bij temperaturen boven 3°C
beslagen ruiten snel te ontwasemen.
Aan/uit
F Druk op toets 5 om de airconditioning in of uit
te schakelen.
De airconditioning werkt niet als de aanjager
is uitgeschakeld.
Automatische airconditioning
De airconditioning werkt uitsluitend bij draaiende
motor.
1. Temperatuurregeling.
2. Luchtopbrengstregeling.
3. Luchtverdeling.
4. Recirculatie van de interieurlucht.
5. Airconditioning AAN/UIT.
6. Automatisch programma
Automatisch programma
In deze stand worden automatisch en op optimale
wijze de interieurtemperatuur, de luchtopbrengst
en de luchtverdeling geregeld overeenkomstig het
door u ingestelde comfortniveau.

3
39
Ergonomie en comfort
Het systeem kan tijdens alle seizoenen effectief
gebruikt worden, mits de ruiten en het elektrisch
bedienbare vouwdak zijn gesloten.
Voor uw comfort worden de instellingen van de
airconditioning de volgende keer dat uw auto
wordt gestart, gehandhaafd.
Om bij koude motor de toevoer van koude lucht
te beperken, wordt de ventilatie geleidelijk op het
optimale niveau gebracht.
F Druk op de toets 6 "AUTO". Het symbool
AUTO gaat uit.
Door nogmaals op de toets 6 "AUTO" te drukken
kunt u achtereenvolgens een van de volgende
modi kiezen:
Voor een optimale werking van het
systeem.
Voor een aangenaam thermisch
comfort met een beperkte
luchtstroom.
Voor een dynamische luchttoevoer via
voornamelijk de zijventilatieroosters.
Handmatige bediening
Het is mogelijk één of meer functies van de
airconditioning handmatig in te stellen. De
overige functies worden nog steeds automatisch
geregeld.
Temperatuurregeling
De op het display weergegeven waarde heeft
betrekking op een bepaald comfortniveau en
niet op een temperatuur in graden Celsius of
Fahrenheit.
F Duw toets 1 omlaag om de waarde te verlagen
of omhoog om de waarde te verhogen.
Een waarde van rond de 21 zorgt voor een
optimaal comfort. Desgewenst kunt u echter een
andere waarde instellen; een waarde tussen
18 en 24 is gebruikelijk.
Als de temperatuur in de auto bij het instappen
erg laag of erg hoog is, heeft het geen zin om
voor een optimaal comfort de ingestelde waarde
te wijzigen. Het systeem corrigeert automatisch
en zo snel mogelijk het temperatuurverschil.
Om het interieur maximaal te verkoelen of te
verwarmen is het mogelijk de minimale waarde
14 of de maximale waarde 28 te overschrijden.
F Duw op de onderzijde van de toets tot LO
wordt weergegeven of op de bovenzijde
van de toets tot HI wordt weergegeven.
Regeling luchtopbrengst
F Druk op de toets 2 (ventilator met gevulde
schoepen of ventilator met lege schoepen) om
de luchtopbrengst te verhogen of te verlagen.
Het symbool van de luchtopbrengst (ventilator)
wordt geleidelijk opgevuld.
Regeling luchtverdeling
F Druk herhaaldelijk op de toets 3 om de
luchtstroom te verdelen naar:
- de middelste ventilatieroosters en de
zijventilatieroosters,
- de middelste ventilatieroosters, de
zijventilatieroosters en de voetenruimte,
- de voetenruimte,
- de voorruit en de voetenruimte,
- de middelste ventilatieroosters, de
zijventilatieroosters en de voorruit,
- de voorruit.
Airconditioning aan/uit
F Druk nogmaals op toets 5 om de
airconditioning uit te schakelen.
Als de airconditioning wordt uitgeschakeld, wordt
het thermische comfort niet meer geregeld (vocht,
beslagen ruiten).
Druk nogmaals op de toets om de automatische
werking van de airconditioning te hervatten. Het
symbool A/C wordt weergegeven.
Zodra u een instelling wijzigt, verdwijnt het
symbool "AUTO".

40
Ergonomie en comfort
Uitschakelen van het systeem
F Druk op de knop van de
luchtopbrengstregeling 2 (ventilator met lege
schoepen) tot het symbool van de ventilator is
verdwenen.
Alle functies van het airconditioningsysteem zijn
nu uitgeschakeld.
Het thermische comfort wordt niet meer geregeld.
Er blijft door de rijwind echter nog wel een kleine
luchtstroom gehandhaafd.
Als u op de toets 6 "AUTO" drukt, wordt het
systeem weer ingeschakeld waarbij de instellingen
van vóór de uitschakeling worden toegepast.
Rijd niet te lang met een uitgeschakeld
airconditioningssysteem (kans op beslaan van
de ruiten en vermindering van de luchtkwaliteit).
Luchtrecirculatie
De luchtrecirculatie dient om de toevoer
van buitenlucht bij stank (bijvoorbeeld van
uitlaatgassen) af te sluiten.
Schakel zo snel mogelijk de toevoer van
buitenlucht weer in om te voorkomen dat de
luchtkwaliteit in het interieur achteruitgaat en de
ruiten beslaan.
Rijd niet te lang met ingeschakelde
luchtrecirculatie (kans op beslaan van de
ruiten en vermindering van de luchtkwaliteit).
Met handbediende airconditioning
F Schuif de knop 4 naar links in de stand
"Luchtrecirculatie in het interieur" of naar
rechts in de stand "Toevoer van buitenlucht".
Met automatische airconditioning
F Druk op de knop 4 om de lucht in het interieur
te laten recirculeren of om de toevoer van
buitenlucht toe te staan.
Druk nogmaals op de knop 4 of op de knop
"AUTO" 6 om de automatische toevoer van
buitenlucht te hervatten. Het symbool van de
luchtrecirculatie gaat uit.
Ontwasemen – Ontdooien
voorruit en zijruiten
Deze opdruk op het bedieningspaneel
geeft aan in welke stand de knoppen
moeten staan om de voorruit en de
zijruiten snel te ontwasemen of te
ontdooien.
Richt bij koud weer de
zijventilatieroosters op de zijruiten
zodat deze sneller ontwasemd
worden.
Bij auto's met een Stop & Start-systeem geldt
dat zolang de voorruitontwaseming in werking
is, de STOP-functie niet beschikbaar is.
Met verwarmings-/
ventilatiesysteem
F Zet de knoppen van de temperatuurregeling
en de luchtverdeling in de met de
desbetreffende opdruk weergegeven stand.
F Zet de knop van de luchtverdeling in de stand
"Voorruit".
Met handbediende
airconditioning
F Zet de knoppen van de temperatuurregeling
en de luchtverdeling in de met de
desbetreffende opdruk weergegeven stand.
F Zet de knop van de luchttoevoer in de stand
"Toevoer van buitenlucht" (knop naar rechts
geschoven).
F Zet de knop van de luchtverdeling in de stand
"Voorruit".
F Schakel de airconditioning in door de toets
A/C in te drukken; het lampje van de toets
gaat branden.

3
41
Ergonomie en comfort
Met automatische airconditioning
F Druk op de betreffende toets; het lampje van
de toets gaat branden.
F Druk nogmaals op deze toets om het
programma uit te schakelen. Het lampje ervan
gaat uit.
De overige instellingen (luchtopbrengst,
luchtverdeling, enz.) worden automatisch geregeld.
Achterruitverwarming
De achterruitverwarming kan worden
ingeschakeld met de toets op het
bedieningspaneel van de verwarming/
ventilatie of de airconditioning.
Inschakelen
De achterruitverwarming werkt uitsluitend bij
draaiende motor.
F Druk op deze toets om de achterruit
en, afhankelijk van de uitvoering, de
buitenspiegels te ontwasemen. Het
verklikkerlampje van de toets gaat branden.
Uitschakelen
F Druk op deze knop om de ontwaseming weer
uit te schakelen; het verklikkerlampje van de
knop gaat uit.
Schakel, zodra de omstandigheden
het toelaten, de achterruit- en
buitenspiegelverwarming uit (volgens
uitvoering), omdat een geringer
stroomverbruik leidt tot een verlaging van
het brandstofverbruik.
Plafonnier
In deze stand wordt de verlichting
ingeschakeld bij het openen van een
van de portieren.
De plafonnier is permanent
uitgeschakeld.
De plafonnier is permanent
ingeschakeld.
Indien deze positie ("permanent
ingeschakeld") zal de plafonnier ongeveer
20 minuten nadat het laatste portier gesloten
is, automatisch uitgaan.
Verlichting bagageruimte
(Afhankelijk van de uitvoering.)
De verlichting van de bagageruimte gaat
automatisch branden zodra de bagageruimte
wordt geopend en dooft zodra deze wordt
gesloten.

42
Ergonomie en comfort
Voorzieningen vóór 1. Zonneklep.
2. Dashboardkastje.
3. Radio, touchscreen of opbergvak.
4. 12 volt aansluiting (max. 120 W) Houd u aan
het maximaal toegestane vermogen om
schade aan apparatuur te voorkomen.
5. USB-poort.
6. Jack-aansluiting.
7. Opbergvakken en bekerhouders.
8. Bekerhouder.
9. Portiervakken. Opbergvak voor waterfles.
Zonneklep
De zonneklep is voorzien van een make-
upspiegel met klep en een kaarthouder (of
tickethouder).
Dashboardkastje
In het dashboardkastje kan de
boorddocumentatie, enz. worden opgeborgen.
F Trek de handgreep omhoog om het
dashboardkastje te openen.
Hierin is de schakelaar voor het
uitschakelen van de passagiersairbag
A en de knop voor het resetten van het
bandenspanningscontrolesysteem B opgenomen
(afhankelijk van de uitvoering).
Daarnaast is er ook een opbergvak aan de zijkant
beschikbaar voor het opbergen van een fles water
(maximaal 1 liter).

3
43
Ergonomie en comfort
12 V-aansluiting
Neem het maximale vermogen van de
aansluiting in acht (kans op beschadiging
van uw accessoire).
Het aansluiten van elektrische apparatuur
die niet door PEUGEOT is goedgekeurd,
zoals een lader met USB-aansluitingen, kan
leiden tot storingen in de werking van de
elektrische componenten van de auto, zoals
een slechte radio-ontvangst of storingen in
de weergave van de displays.
USB-poort
Op de USB-poort kunt u draagbare apparatuur,
zoals een digitale audiospeler (iPod®) of een
USB-stick aansluiten.
Via deze aansluiting kunt u de audiobestanden
op uw draagbare apparatuur beluisteren via de
luidsprekers van het audiosysteem.
U kunt deze bestanden beheren met de
toetsen op het stuurwiel of de toetsen van de
audiosysteem.
Tijdens het gebruik van de USB-poort
kan de draagbare apparatuur automatisch
worden opgeladen.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de Audio en
telematica en in het bijzonder over het
gebruik van deze voorziening.
AUX-aansluiting (JACK)
Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten
om muziekbestanden via de geluidsinstallatie van
de auto te kunnen beluisteren.
De muziekbestanden worden beheerd via het
draagbare apparaat.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de Audio en
telematica en in het bijzonder over het
gebruik van deze voorziening.
De USB-poort en de AUX-aansluiting kunnen ook
gebruikt worden om een smartphone aan te sluiten:
- als een MirrorLinkTM-verbinding via alleen de
USB-poort
- of als een iPhone®-verbinding via de USB-poort
en tegelijkertijd ook via de AUX-aansluiting.
Via deze verbindingen kunnen bepaalde apps
van uw telefoon op het het touchscreen gebruikt
worden.
F Open, wanneer u een 12 V-accessoire
(maximaal vermogen: 120 W) wilt aansluiten,
het kapje en sluit een geschikte adapter aan.

44
Ergonomie en comfort
Wanneer u een nieuwe mat bevestigt aan
bestuurderszijde, gebruik dan uitsluitend de
bevestigingen uit het bijgeleverde zakje.
De overige matten worden gewoon op de
vloerbedekking gelegd.
Verwijderen
Monteren
Terugplaatsen van de mat aan bestuurderszijde:
F leg de mat goed op zijn plaats,
F druk de bevestigingen vast,
F controleer of de mat goed vastzit.
Om te voorkomen dat de pedalen blijven
hangen:
- gebruik uitsluitend matten die op de
bevestigingen van de auto passen;
het gebruik van deze bevestigingen is
verplicht,
- leg nooit meerdere matten boven op
elkaar.
Bij gebruik van niet door PEUGEOT
goedgekeurde matten kunnen de
bediening van de pedalen en de werking
van de snelheidsbegrenzer of de ETG-
versnellingsbak worden gehinderd.
Hoedenplank
Matten
Bevestigen
Verwijderen van de mat aan de bestuurderszijde:
F zet de stoel in de achterste stand,
F maak de bevestigingen los,
F verwijder vervolgens de mat.
Verwijderen van de hoedenplank:
F open de achterklep,
F maak de twee koorden los,
F trek hard aan de hoedenplank om deze
los te maken van de scharnieren aan de
achterklepbekleding.
U kunt de hoedenplank vervolgens rechtop achter
de voorstoelen opbergen.
Voor het makkelijk inladen van bagage, is de
hoedenplank aan de achterklep bevestigd.
Controleer dat de hoedenplank bij het sluiten
van de achterklep op zijn plek kan terugkeren en
hierbij niets in de weg zit.
Terugplaatsen van de hoedenplank:
F open de achterklep,
F houd de hoedenplank vast met de onderzijde
naar u toe gericht,

3
45
Ergonomie en comfort
Leg geen zware voorwerpen op de hoedenplank,
om te voorkomen dat deze losraakt.
Voorzieningen in de
bagageruimte
1. Haken.
2. Noodreservewiel en gereedschap of
opbergruimte onder de vloer.
Het noodreservewiel of de opbergbak onder
de vloer moet op de daarvoor bestemde
plaats zijn aangebracht voordat u de
bagageruimte gaat beladen.
Haken
Maximaal toegestaan gewicht aan de haken:
2 kg.
Opbergvak
Hierin vindt u, afhankelijk van de
uitrustingsvariant, verschillende ruimtes voor het
opbergen van:
- sleepoog,
- bandenreparatieset.
Uitvoeringen met een opbergbak onder de
vloer: deze moet op de daarvoor bestemde
plaats zijn aangebracht voordat u de
bagageruimte gaat beladen.
F haak de hoedenplank in beide scharnieren,
F voer aan weerszijden de twee koorden bij de
gasveren door de geleidehaken,
F klem beide koorden op hun plaats vast.
Hieraan kunt u een tas ophangen.
F Trek de vloerbekleding van de bagageruimte
terug om bij de opbergbak te komen.

46
Verlichting en zicht
Lichtschakelaar
Hoofdverlichting
De lichtschakelaar heeft verschillende standen
om de zichtbaarheid van de auto en het zicht van
de bestuurder aan te passen aan de omgeving:
- parkeerlicht: om gezien te worden,
- dimlicht: voor een optimaal zicht zonder
medeweggebruikers te verblinden,
- grootlicht: voor een optimaal zicht op wegen
zonder ander verkeer.
Aanvullende verlichting
Uw auto is voorzien van aanvullende verlichting
voor specifieke rijomstandigheden:
- een mistachterlicht,
- mistlampen vóór,
- dagrijverlichting voor een betere zichtbaarheid
van uw auto overdag.
Onder bepaalde weersomstandigheden
(lage temperatuur, vochtigheid) kan zich een
laagje condens aan de binnenzijde van de
koplampen en de achterlichten vormen; dit
verdwijnt enkele minuten na het ontsteken
van de koplampen.
Reizen naar het buitenland
Wanneer u uw auto gaat gebruiken in een
land waarin het verkeer aan de andere
kant van de weg rijdt, moet de afstelling
van de dimlichten worden gewijzigd om te
voorkomen dat tegemoetkomend verkeer
wordt verblind.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Zonder automatische
verlichting
Met automatische verlichting
Hoofdverlichting
Draai aan de ring om het symbool van de
gewenste stand tegenover het merkteken te
zetten. Lichten uit/dagrijverlichting.
Alleen parkeerlichten.
Dimlicht of grootlicht.
Automatisch inschakelen van het
dimlicht als het donker wordt.
Overschakelen van dim- naar
grootlicht en terug

47
4
Verlichting en zicht
Als de verlichting is uitgeschakeld of wanneer
alleen de parkeerlichten zijn ingeschakeld, kunt
u een lichtsignaal geven door de hendel naar
u toe te trekken.
Weergave
Een verklikkerlampje op het instrumentenpaneel
geeft aan dat de geselecteerde verlichting is
ingeschakeld.
Ring voor de selectie van de
mistlampen
Mistlampen vóór en
mistachterlicht
Duw de hendel bij ingeschakeld dimlicht naar
voren om over te schakelen naar grootlicht. Trek
de hendel naar u toe om het dimlicht weer in te
schakelen.
De mistlampen kunnen alleen geactiveerd worden
als het dimlicht of het grootlicht ingeschakeld is.
Verdraai de ring:
F één standen naar voren om het mistachterlicht
in te schakelen,
F twee standen naar voren om de mistlampen
vóór in te schakelen,
F één stand naar achteren om de mistlampen
vóór uit te schakelen,
F twee standen naar achteren om het
mistachterlicht uit te schakelen.
Als de verlichting automatisch wordt
uitgeschakeld (uitvoeringen met automatische
verlichting) of als het dimlicht handmatig wordt
uitgeschakeld, blijven de mistverlichting en het
parkeerlicht branden.
F Draai de ring naar achteren en laat hem los
om alle verlichting uit te schakelen.
Bij helder of regenachtig weer, zowel
overdag als 's nachts, zijn de mistlampen
vóór en de mistachterlichten verblindend
voor medeweggebruikers en daarom niet
toegestaan. Gebruik de mistlampen vóór en
de mistachterlichten uitsluitend bij mist of
sneeuwval.
Onder deze weersomstandigheden dient
u de mistlampen en het dimlicht handmatig
in te schakelen, omdat de zonlichtsensor
voldoende licht kan waarnemen.
Vergeet niet de mistlampen vóór en het
mistachterlicht uit te schakelen zodra ze niet
meer nodig zijn.
De verlichting uitschakelen na het
afzetten van het contact
Bij het afzetten van het contact gaat alle
verlichting onmiddellijk uit, behalve het
dimlicht als de automatische follow me
home-verlichting is geactiveerd.
Inschakelen van de verlichting na het
afzetten van het contact
Draai om de lichtschakelaar weer te activeren
terwijl de verlichting uit is, de ring in de stand
0 en vervolgens in de stand van uw keuze.
Als het bestuurdersportier wordt geopend,
klinkt er een geluidssignaal om aan te geven
dat de verlichting nog brandt.

48
Verlichting en zicht
Automatische verlichting
Inschakelen
F Draai de ring in de stand "AUTO".
Uitschakelen
F Draai de ring in een andere stand.
Bij mist of sneeuw kan de lichtsensor ten
onrechte voldoende licht waarnemen; de
verlichting wordt dan niet automatisch
ingeschakeld.
Dek de lichtsensor niet af. De aan de sensor
gekoppelde functies worden dan niet meer
geregeld.
Handbediende follow me
home-verlichting
Inschakelen
F Zet de ring van de lichtschakelaar in de stand
"Lichten uit" of "Auto".
F Geef bij afgezet contact een "lichtsignaal" met
de lichtschakelaar.
De koplampen gaan ongeveer 30 seconden
branden.
Uitschakelen
De handbediende follow me home-verlichting
stopt onmiddellijk als u:
- weer "met de koplampen knippert",
Met behulp van een lichtsensor worden de
parkeerlichten en het dimlicht automatisch
ingeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving
onvoldoende is.
De lichten worden automatisch uitgeschakeld
zodra er voldoende omgevingslicht is.
De sensor bevindt zich onderaan de voorruit.
(Afhankelijk van de uitvoering.)
Deze functie zorgt ervoor dat na het afzetten
van het contact de dimlichten nog even blijven
branden om het uitstappen in het donker te
vergemakkelijken.
Richtingaanwijzers
Drie keer knipperen
F Beweeg de schakelaar kort omhoog of
omlaag, zonder deze door de weerstand te
drukken. De desbetreffende richtingaanwijzers
zullen drie keer knipperen.
- de verlichtingsbediening in een andere stand
zet,
- het contact aanzet.
F Links: duw de hendel omlaag, voorbij het
zware punt.
F Rechts: duw de hendel omhoog, voorbij het
zware punt.

49
4
Verlichting en zicht
Koplampen verstellen
Verstel de koplampen afhankelijk van de
belading van uw auto om verblinding van
medeweggebruikers te voorkomen.
0. Alleen bestuurder.
0,5. Bestuurder + voorpassagier.
1,5. 4 personen.
3. 4 personen + maximaal toegestane
belading.
3,5. Bestuurder + maximaal toegestane
belading.
Stand 0: basisinstelling.
Ruitenwisserschakelaar
Verwijder onder winterse omstandigheden
sneeuw, ijs of rijp van de voorruit, van het
gebied rondom de ruitenwisserarmen en
-bladen en van de voorruitrand alvorens de
ruitenwissers in te schakelen.
Schakel de ruitenwissers niet in als de
voorruit droog is. Controleer voordat u bij
extreem koud of warm weer de ruitenwissers
inschakelt of de ruitenwisserbladen niet
vastzitten aan de voorruit.
Handmatige bediening
Ruitenwissers vóór
Selectiehendel wissnelheid: zet de hendel in de
gewenste stand.
Eén keer wissen.
Voor één keer wissen duwt u de hendel omhoog
en laat u hem weer los.
Uit.
Intervalstand.
Wissen op normale snelheid (matige
regen).
Wissen op hoge snelheid (hevige
neerslag).
Ruitensproeiers voor
Trek de hendel naar u toe: de ruitensproeiers
treden in werking en na enige tijd worden ook de
ruitenwissers ingeschakeld.

50
Verlichting en zicht
Ruitenwisser achter
Draai de ring in de stand voor continu
wissen.
Ruitensproeier achter
Bedien de ruitensproeiers voor en achter
niet als het ruitensproeiervloeistofreservoir
leeg is. De pomp kan anders beschadigd
raken.
Ruitenwisserbladen
vervangen
Ruitenwisserblad verwijderen
F Til de ruitenwisserarm op.
F Verwijder het blad door dit naar buiten te
schuiven.
Ruitenwisserblad aanbrengen
F Breng het nieuwe ruitenwisserblad aan en zet
het vast.
F Leg de ruitenwisser voorzichtig op de voorruit.
Om een goede werking van de ruitenwissers
te behouden adviseren wij u:
- voorzichtig met de ruitenwissers om te
gaan,
- de wisserbladen regelmatig te reinigen
met zeepsop,
- de ruitenwissers niet te gebruiken om
een stuk karton tegen de voorruit te
houden,
- de wisserbladen te vervangen zodra ze
tekenen van slijtage vertonen.
Duw de hendel naar voren voor het activeren van
de ruitensproeier tijdens het wissen (houd de
hendel vast voor continu sproeien).
Trek de ruitenwisser naar u toe bij uitgeschakelde
ruitenwisser achter. De ruitensproeier treedt
in werking (houd de ruitenwisser vast als de
ruitensproeier geactiveerd moet blijven).

51
5
Veiligheid
Algemene aanbevelingen
met betrekking tot de
veiligheid
Op verschillende plaatsen in uw auto
zijn labels aangebracht. Ze bevatten
veiligheidswaarschuwingen en informatie
over de identificatie van uw auto. Verwijder
ze niet: ze horen namelijk bij de auto.
Neem voor alle werkzaamheden aan uw
auto contact op met een gekwalificeerde
werkplaats die beschikt over de juiste
technische informatie, vakkennis en
apparatuur. Het PEUGEOT-netwerk is in
staat u dit te bieden.
Afhankelijk van de landelijke wetgeving
kan de aanwezigheid van bepaalde
veiligheidsuitrusting verplicht zijn:
veiligheidsvesten, gevarendriehoeken,
alcoholtests, een set reservelampen,
reservezekeringen, een brandblusser,
een verbandtrommel, spatlappen aan de
achterzijde van de auto, enz.
Belangrijke informatie:
- Het monteren van elektrische
uitrustingen of accessoires die niet onder
een artikelnummer in het assortiment
van PEUGEOT voorkomen, kan tot een
hoger verbruik leiden en storingen in
het elektronische systeem van uw auto
veroorzaken. Neem contact op met het
PEUGEOT-netwerk voor meer informatie
over het aanbod aan accessoires met
een artikelnummer.
- Uit veiligheidsoverwegingen is toegang
tot de diagnose-aansluiting, die is
gekoppeld aan de elektronische
systemen in de auto, uitsluitend
voorbehouden aan het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats waar de beschikking is over
geschikt gereedschap (kans op storingen
in de elektronische systemen die kunnen
leiden tot pech of ernstige ongevallen).
De fabrikant kan niet aansprakelijk
worden gesteld als deze aanwijzing niet
wordt opgevolgd.
- Wijzigingen of aanpassingen die
niet door PEUGEOT zijn voorzien of
toegestaan, of die niet volgens de
technische voorschriften van de fabrikant
zijn uitgevoerd, leiden tot het vervallen
van de wettelijke en contractuele
garanties.
Monteren van als accessoire geleverde
radiocommunicatiezenders
Voordat u een radiocommunicatiezender
met buitenantenne monteert, moet u bij
het PEUGEOT-netwerk de technische
gegevens (frequentieband, maximaal
uitgangsvermogen, positie antenne,
specifieke installatievoorschriften) van de
voor montage geschikte zenders opvragen,
conform de Richtlijn Elektromagnetische
Compatibiliteit (2004/104/EG).
Claxon
F Druk op een van de spaken van het stuurwiel.

52
Veiligheid
Alarmknipperlichten
F Wanneer u deze rode knop indrukt, knipperen
alle vier de richtingaanwijzers tegelijkertijd.
De alarmknipperlichten werken ook als het
contact is afgezet.
F Druk op het middelste gedeelte van het
stuurwiel.
Elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP)
Het ESP-systeemsprogramma omvat de volgende
systemen:
- antiblokkeersysteem (ABS) en elektronische
remdrukregelaar (REF),
Begrippen
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar
(REF)
Deze systemen zorgen tijdens het remmen voor
een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van
uw auto en voor een betere controle in bochten,
vooral op een slecht of glad wegdek.
Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen in
het geval van een noodstop.
De elektronische remdrukregelaar verdeelt de
remdruk over de wielen.
Noodremassistentie (BAS)
Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de
optimale remdruk sneller wordt bereikt, zodat de
remafstand kleiner wordt.
Het systeem wordt ingeschakeld als het
rempedaal snel wordt ingetrapt en zorgt ervoor
dat de benodigde bedieningskracht wordt
verminderd en de effectiviteit van het remmen
wordt vergroot.
Antispinregeling (TRC)
Dit systeem past de aandrijfkracht aan om het
doorspinnen van de wielen te beperken via de
remmen van de aangedreven wielen en de motor.
De ASR zorgt ook voor meer koersstabiliteit bij
het accelereren.
- noodremassistentie (BAS),
- antispinregeling (TRC),
- dynamische stabiliteitscontrole (DCS).
Dynamische stabiliteitscontrole
(DSC)
Dit systeem houdt de vier wielen in de gaten en
grijpt, als de koers van de auto afwijkt van de door
de bestuurder gewenste richting, automatisch in
via de remmen van een of meerdere wielen en het
motorkoppel om de auto voor zover mogelijk weer
in de juiste koers te brengen.
Werking
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar
(REF)
Als dit verklikkerlampje gaat branden
in combinatie met een geluidssignaal,
duidt dit op een storing in het ABS-
systeem, waardoor u tijdens het
remmen de controle over uw auto zou
kunnen verliezen.
Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg
zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.

53
5
Veiligheid
Als dit verklikkerlampje gaat branden
in combinatie met een geluidssignaal,
duidt dit op een storing in het systeem
van de elektronische remdrukregelaar
(REF), waardoor u tijdens het remmen
de controle over uw auto zou kunnen
verliezen.
Stop zo snel mogelijk op een veilige plaats.
Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Zorg er bij vervanging van de wielen (banden
en velgen) voor dat wielen worden gemonteerd
die voor uw auto zijn gehomologeerd.
De normale werking van het
antiblokkeersysteem kan merkbaar zijn door
het trillen van het rempedaal.
Trap het rempedaal bij een noodstop
krachtig in en laat het niet los.
Dynamische stabiliteitscontrole
(DSC) en antispinregeling (TRC)
Activeren
Deze systemen worden automatisch geactiveerd
zodra de motor wordt gestart.
De activering van deze systemen
wordt aangeduid door het knipperen
van dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel, in combinatie met
een geluidssignaal voor het DCS-systeem.
Uitschakelen
In bijzondere omstandigheden (als de auto vastzit
in de modder, sneeuw, in mulle grond…) kan
het nuttig zijn het DSC- en TRC-systeem uit te
schakelen, zodat de wielen kunnen spinnen en
weer grip kunnen krijgen.
Het is echter raadzaam om deze systemen zodra
het mogelijk is weer in te schakelen.
Alleen TRC uitschakelen
F Druk kort op deze toets.
Als dit verklikkerlampje gaat branden,
grijpt het TRC-systeem niet meer in op
de werking van de motor.
Uitschakelen van het TRC- en DSC-systeem
F Druk wanneer de auto stilstaat langer dan
3 seconden op deze toets.
Als deze verklikkerlampjes gaan
branden, grijpen het TRC- en het
DSC-systeem niet meer in op de
werking van de motor.
Opnieuw inschakelen
De TRC- en DSC-systemen worden automatisch
ingeschakeld zodra de motor wordt gestart.
F Druk nogmaals op deze toets om
de systemen handmatig weer in te
schakelen.
Indien alleen het TRC-systeem is uitgeschakeld,
wordt dit weer ingeschakeld zodra de snelheid
van de auto toeneemt.
Als zowel het TRC- als het DSC-systeem zijn
uitgeschakeld, worden ze niet automatisch weer
ingeschakeld, ook niet als de snelheid van de
auto toeneemt.
Storing
Als dit verklikkerlampje gaat branden
in combinatie met een geluidssignaal,
duidt dit op een storing in het systeem.
Zodra deze systemen detecteren dat de wielen te
weinig grip hebben of de koers van de auto afwijkt
van de door de bestuurder gewenste richting, grijpen
ze in op de werking van de motor en het remsysteem.

54
Veiligheid
Rijd voorzichtig met lage snelheid en neem
contact op met het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Het TRC- en het DSC-systeem zorgen
voor meer veiligheid tijdens het rijden. De
bestuurder mag zich echter nooit laten
verleiden tot het nemen van meer risico's of
tot het te snel rijden.
De goede werking van de systemen
wordt verzekerd door de naleving van
de voorschriften van de fabrikant met
betrekking tot de wielen (banden en
velgen), onderdelen van het remsysteem,
elektronische onderdelen alsmede van de
montage- en reparatieprocedures die door
het PEUGEOT-netwerk worden toegepast.
Laat de systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-netwerk of
door een gekwalificeerde werkplaats.
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels vóór
De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien van
een pyrotechnische gordelspanner en een
spankrachtbegrenzer.
Deze systemen zorgen voor extra bescherming
van de bestuurder en passagier bij frontale
en zijdelingse aanrijdingen. Bij een krachtige
aanrijding zorgen de pyrotechnische
gordelspanners ervoor dat de veiligheidsgordels
stevig tegen de lichamen van de inzittenden
worden getrokken.
De pyrotechnische gordelspanners zijn actief
zodra het contact wordt aangezet.
Voor een nog betere bescherming beperken de
spankrachtbegrenzers de kracht waarmee de
gordels tegen het lichaam van de inzittenden
getrokken wordt.
Veiligheidsgordels achter
De zitplaatsen achter zijn elk voorzien van een
driepuntsveiligheidsgordel.
Vastmaken
F Trek aan de gordel en steek de gesp in de
gordelsluiting.
F Controleer of de gordel goed is vastgemaakt
door even aan de riem te trekken.

55
5
Veiligheid
Losmaken
F Druk op de rode knop van de gordelsluiting.
F Geleid de gordel tijdens het oprollen.
Verklikkerlampjes
veiligheidsgordel(s) losgemaakt/
niet vastgemaakt
1. Waarschuwingslampje veiligheidsgordel(s)
vóór niet vastgemaakt/losgemaakt op het
instrumentenpaneel.
2.
Verklikkerlampje veiligheidsgordel linksachter
niet vastgemaakt (op het display van de
verklikkerlampjes voor de veiligheidsgordels
en de airbag vóór aan passagierszijde).
Als u een lading op de voorstoel aan
passagierszijde plaatst, kan dit ertoe leiden
dat het verklikkerlampje gaat branden.
Verklikkerlampje(s) veiligheidsgordel(s)
vóór
Verklikkerlampje 1 brandt op het
instrumentenpaneel als de veiligheidsgordel niet
vastgemaakt of losgemaakt is.
Als de rijsnelheid hoger is dan 20 km/h, knippert
het verklikkerlampje ongeveer 30 seconden in
combinatie met een geluidssignaal.
Indien de veiligheidsgordel hierna nog steeds
niet is vastgemaakt, verandert de toon van het
geluidssignaal en blijft dit nog eens 90 seconden
actief.
Verklikkerlampje(s) veiligheidsgordel(s)
achter
Verklikkerlampje 2 en/of 3 brandt (op het display van
de verklikkerlampjes voor de veiligheidsgordels en de
airbag vóór aan passagierszijde) wanneer een of meer
passagiers achterin hun veiligheidsgordel losmaken.
Als de rijsnelheid hoger is dan 20 km/h, knippert het
verklikkerlampje ongeveer 30 seconden in combinatie
met een geluidssignaal.
Indien de veiligheidsgordel hierna nog steeds niet is
vastgemaakt, verandert de toon van het geluidssignaal
en blijft dit nog eens 90 seconden actief.
Instructies
Alvorens te gaan rijden dient de bestuurder
te controleren of alle passagiers hun
veiligheidsgordel goed hebben omgedaan
en vastgemaakt.
Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het
rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al
betreft het een korte rit.
Wissel de gespen van de veiligheidsgordels
onderling niet om; de gordels zijn dan niet
voldoende effectief.
De veiligheidsgordels zijn voorzien van een
oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte
van de gordel automatisch wordt aangepast
aan de lichaamsbouw van de gebruiker. De
gordel wordt automatisch opgerold als deze
niet wordt gebruikt.
Controleer zowel voor en na het gebruik van
de gordel of deze goed is opgerold.
De heupgordel moet zo laag mogelijk op het
bekken worden geplaatst.
De schoudergordel moet langs het holle
gedeelte van de schouder worden geplaatst.
De oprolautomaten zijn voorzien van
een automatische blokkeerinrichting die
in werking treedt bij een aanrijding, een
noodstop of het over de kop slaan van
de auto. U kunt de blokkeerinrichting
deblokkeren door stevig aan de riem te
trekken en deze weer los te laten, zodat de
riem weer een stukje wordt opgerold.
3.
Verklikkerlampje veiligheidsgordel rechtsachter
niet vastgemaakt (op het display van de
verklikkerlampjes voor de veiligheidsgordels en
de airbag vóór aan passagierszijde).

56
Veiligheid
Instructies
Voor een effectieve werking van de
veiligheidsgordel:
- dient deze strak om het lichaam te
worden gedragen,
- moet deze in een vloeiende beweging
naar voren worden getrokken, zonder dat
de gordel gedraaid raakt,
- mag deze door niet meer dan één
persoon worden gedragen,
- mag deze geen beschadigingen of rafels
vertonen,
- mag er om te voorkomen dat de gordel
niet goed werkt, niets aan worden
gewijzigd.
Vanwege de wettelijke
veiligheidsvoorschriften moeten
werkzaamheden en controles aan de
veiligheidsgordels worden uitgevoerd
door het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats, om te
garanderen dat de werkzaamheden volgens
de voorschriften worden uitgevoerd.
Laat de veiligheidsgordels van uw auto
regelmatig controleren door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats,
vooral als de gordels beschadigingen
vertonen.
Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop
of een reinigingsmiddel voor textiel,
verkrijgbaar bij het PEUGEOT-netwerk.
Controleer na het neerklappen of verstellen
van een stoel of de achterbank of de gordel
zich op de juiste plaats bevindt en goed is
opgerold.
Instructies voor kinderen
Maak voor kinderen tot 12 jaar of kleiner dan
1,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje.
De veiligheidsgordel mag door niet meer dan
één persoon gedragen worden.
Laat nooit een kind op schoot zitten tijdens
het rijden.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over kinderzitjes.
In het geval van een aanrijding
De gordelspanners kunnen, afhankelijk van
de aard en de kracht van de aanrijding, vóór
en onafhankelijk van de airbags afgaan.
Het afgaan van de gordelspanners gaat
gepaard met wat onschadelijke rook en een
knal, als gevolg van de activering van de
pyrotechnische lading die in het systeem is
geïntegreerd.
In alle gevallen gaat het
waarschuwingslampje van de airbag
branden.
Laat het gordelsysteem na een aanrijding
controleren en eventueel vervangen door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Airbags
De airbags zijn speciaal ontworpen om de
veiligheid van de inzittenden bij ernstige
aanrijdingen te verbeteren. Ze vormen
een aanvulling op de werking van de
veiligheidsgordels met spankrachtbegrenzers.
Bij een aanrijding registreren en analyseren de
elektronische schoksensoren de frontale en
zijdelingse krachten waaraan de detectiezones
voor een aanrijding worden blootgesteld:
- bij een ernstige aanrijding gaan de airbags
onmiddellijk af en verbeteren ze de
bescherming van de inzittenden van de
auto. Direct na de aanrijding ontsnapt het
gas snel uit de airbags, zodat het zicht niet
wordt belemmerd en de inzittenden de auto
eventueel kunnen verlaten.
- bij een minder ernstige aanrijding, een
aanrijding van achteren of in bepaalde
gevallen waarbij de auto over de kop slaat,
gaan de airbags mogelijk niet af. In deze
situaties beschermen de veiligheidsgordels de
inzittenden.
De airbags werken alleen als het contact
aan is.
De airbags werken slechts eenmaal. Als er
een tweede aanrijding plaatsvindt (tijdens
hetzelfde of een volgend ongeval), worden
de airbags niet meer opgeblazen.

57
5
Veiligheid
Detectiezones voor een
aanrijding
A. Impactzone vóór.
B. Impactzone opzij.
Het activeren van een airbag gaat gepaard
met wat rook en een knal, als gevolg van de
activering van de pyrotechnische lading die
in het systeem is geïntegreerd.
De rook is niet schadelijk, maar kan voor
personen die hier gevoelig voor zijn,
irriterend zijn.
De knal die bij het afgaan van een airbag
wordt geproduceerd, kan het gehoor
gedurende een korte periode enigszins
verminderen.
Airbags vóór
De airbags vóór beschermen de bestuurder en
voorpassagier bij een ernstige frontale aanrijding
om de kans op hoofd- en borstletsel te verkleinen.
De bestuurdersairbag is geïntegreerd in
het stuurwiel en de passagiersairbag in het
dashboard boven het dashboardkastje.
Activering
De airbags worden geactiveerd, met uitzondering
van de airbag aan passagierszijde als deze is
uitgeschakeld, bij een ernstige frontale aanrijding
binnen (een gedeelte van) de impactzone vóór
(A), in de lengterichting van de auto in het
horizontale vlak en vanaf de voorzijde richting de
achterzijde van de auto.
De airbags vóór worden opgeblazen in het
gebied tussen thorax/hoofd van de bestuurder
en het stuurwiel en tussen thorax/hoofd van de
passagier en dashboard om hun voorwaartse
bewegingen te dempen.
Storing
Als dit lampje op het
instrumentenpaneel gaat branden, dan
duidt dit op een storing bij de airbags.
Neem zo snel mogelijk contact op
met het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het
systeem te laten controleren. De kans
bestaat dat de airbags bij een ernstige
aanrijding niet worden geactiveerd.
Plaats in dit geval geen kinderzitje op de
voorpassagiersstoel en laat hier niemand op zitten.
Zijairbags
Dit systeem beschermt de bestuurder en de
voorpassagier bij een ernstige zijdelingse
aanrijding om de kans op letsel aan het
bovenlichaam, tussen de heup en de schouder, te
verkleinen.
De zijairbags zijn aangebracht in het frame van de
rugleuning, aan de portierzijde.

59
5
Veiligheid
Airbags vóór
Houd het stuurwiel niet aan de spaken
vast en laat uw handen niet op het
stuurwielkussen rusten.
Laat aan passagierszijde uw voeten niet op
het dashboard rusten.
Rook niet in de auto. Als de airbag afgaat,
kunnen brandende sigaretten of een pijp
brandwonden of ander letsel veroorzaken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen
gaten in de stuurwielbekleding en sla er
niet op.
Bevestig geen voorwerpen of stickers op
het stuurwiel of op het dashboard. Deze
kunnen bij het afgaan van de airbags letsel
veroorzaken.
Window-airbags
Bevestig nooit iets op of aan de
hemelbekleding; dit zou bij het afgaan
van de window-airbags kunnen leiden tot
hoofdletsel.
Demonteer nooit de handgrepen van het dak
(indien aanwezig); deze maken deel uit van
de bevestiging van de window-airbags.
Zijairbags
Bedek de stoelen uitsluitend met daarvoor
goedgekeurde stoelhoezen, die in
combinatie met zijairbags gebruikt kunnen
worden. Voor informatie over de stoelhoezen
die geschikt zijn voor uw auto kunt u zich
wenden tot het PEUGEOT-netwerk.
Bevestig nooit iets aan de rugleuning
van de stoelen (kleding…): dit zou bij het
afgaan van de zijairbags kunnen leiden tot
verwondingen aan armen of borstkas.
Ga niet onnodig dicht tegen het
portierpaneel zitten.
Algemene informatie met
betrekking tot kinderzitjes
De regelgeving met betrekking tot het
vervoer van kinderen zijn per land
verschillend. Raadpleeg de in uw land
geldende regels.
- De veiligste plaats voor het vervoeren van
een kind is volgens de statistieken een
plaats op de achterbank van uw auto,
- Kinderen tot 9 kg moeten zowel voor-
als achterin met de rug in de rijrichting
worden vervoerd.
Het is raadzaam om kinderen op de
achterzitplaatsen van uw auto te
vervoeren:
- tot 3 jaar "met de rug in de rijrichting",
- vanaf 3 jaar "met het gezicht in de
rijrichting".
Controleer of de veiligheidsgordel goed
gepositioneerd is en strak staat.
Controleer bij kinderzitjes met een steun
of deze steun stevig en stabiel op de vloer
staat.
Voorin: verstel indien nodig de
passagiersstoel.
Achterin: verstel indien nodig de betreffende
voorstoel.
Volg voor een optimale veiligheid de volgende
adviezen op:
- Conform de Europese wetgeving dienen
kinderen jonger dan 12 jaar of kleiner
dan 1,50 m in gehomologeerde, aan het
lichaamsgewicht aangepaste kinderzitjes
op met veiligheidsgordels of ISOFIX-
bevestigingen uitgeruste plaatsen te worden
vervoerd

60
Veiligheid
Kinderzitje op de passagiersstoel
voor
"Met de rug in de rijrichting"
Zet als een kinderzitje "met de rug in de
rijrichting" op de voorpassagiersstoel is
geplaatst, deze stoel in de achterste stand van de
verstelling in lengterichting en zet de rugleuning
rechtop.
De airbag vóór aan passagierszijde moet zijn
uitgeschakeld, zonder uitzondering. Gebeurt
dit niet, dan kan het kind bij het afgaan van
de airbag levensgevaarlijk gewond raken.
"Met het gezicht in de
rijrichting"
Zet als een kinderzitje "met het gezicht in de
rijrichting" op de voorpassagiersstoel is
geplaatst, de stoel in de achterste stand van de
verstelling in lengterichting en zet de rugleuning
rechtop. Schakel de airbag vóór passagierszijde
niet uit.
Passagiersstoel in de achterste stand van de
verstelling in lengterichting.
Uitschakelen van de airbag
vóór aan passagierszijde
Plaats nooit een kind in een kinderzitje "met de
rug in de rijrichting" op de voorpassagiersstoel
als de airbag vóór aan passagierszijde is
ingeschakeld. Het kind kan in dat geval bij een
aanrijding levensgevaarlijk gewond raken.
Dit voorschrift wordt tevens vermeld op de
waarschuwingssticker aan beide zijden van de
zonneklep aan passagierszijde.
Conform de wettelijke voorschriften vindt u in
de volgende tabellen deze waarschuwing in alle
benodigde talen.
Airbag passagierszijde UIT
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de airbags.

61
5
Veiligheid
Uitschakelen van de airbag
vóór aan passagierszijde
Uitsluitend de airbag vóór aan passagierszijde
kan worden uitgeschakeld.
F Steek bij afgezet contact de sleutel in de
schakelaar voor het uitschakelen van de
airbag vóór aan passagierszijde.
F Draai de schakelaar in de stand "OFF".
F Houd de schakelaar in deze stand en
verwijder de sleutel.
Bij het aanzetten van het contact
brandt dit waarschuwingslampje in het
display met de waarschuwingslampjes
voor de veiligheidsgordels en de
voorste airbag. Het blijft branden
zolang de airbag is uitgeschakeld.
Schakel voor de veiligheid van uw kind de
airbag aan passagierszijde altijd uit als
u een kinderzitje "met de rug in de rijrichting"
op de voorstoel plaatst.
Anders kan een kind bij het afgaan van de
airbag levensgevaarlijk gewond raken.
Opnieuw inschakelen
van de airbag vóór aan
passagierszijde
Als u het met de rug in de rijrichting geplaatste
kinderzitje hebt verwijderd, zet dan met afgezet
contact de schakelaar weer op ON om de airbag
opnieuw in te schakelen en zo de veiligheid van
uw voorpassagier te garanderen.
Bj het aanzetten van het contact
brandt dit waarschuwingslampje in het
display met de waarschuwingslampjes
voor de veiligheidsgordels en de
voorste passagiersairbag. Het
blijft branden zolang de airbag is
uitgeschakeld.

62
Veiligheid
AR
BG НИКОГАНЕинсталирайтедетскостолченаседалкасАКТИВИРАНАпреднаВЪЗДУШНАВЪЗГЛАВНИЦА.ТоваможедапричиниСМЪРТ
илиСЕРИОЗНОНАРАНЯВАНЕнадетето.
CS NIKDYneumisťujtedětskézádržnézařízeníorientovanésměremdozadunasedadlochráněnéAKTIVOVANÝMčelnímAIRBAGEM.Hrozí
nebezpečíSMRTIDÍTĚTEneboVÁŽNÉHOZRANĚNÍ.
DA Brug ALDRIG en bagudvendt barnestol på et sæde, der er beskyttet af en AKTIV AIRBAG. BARNET risikerer at blive ALVORLIGT KVÆSTET eller
DRÆBT.
DE Montieren Sie auf einem Sitz mit AKTIVIERTEM Front-Airbag NIEMALS einen Kindersitz oder eine Babyschale entgegen der Fahrtrichtung, das
Kind könnte schwere oder sogar tödliche Verletzungen erleiden.
EL ΜηχρησιμοποιείτεΠΟΤΕπαιδικόκάθισμαμετηνπλάτητουπροςτοεμπρόςμέροςτουαυτοκινήτου,σεμιαθέσηπουπροστατεύεταιαπό
ΜΕΤΩΠΙΚΟαερόσακοπουείναιΕΝΕΡΓΟΣ.ΑυτόμπορείναέχεισανσυνέπειατοΘΑΝΑΤΟήτοΣΟΒΑΡΟΤΡΑΥΜΑΤΙΣΜΟτουΠΑΙΔΙΟΥ
EN NEVER use a rearward facing child restraint on a seat protected by an ACTIVE AIRBAG in front of it, DEATH or SERIOUS INJURY to the CHILD
can occur
ES NO INSTALAR NUNCA un sistema de retención para niños de espaldas al sentido de la marcha en un asiento protegido mediante un AIRBAG
frontalACTIVADO,yaquepodríacausarlesionesGRAVESoinclusolaMUERTEdelniño.
ET Ärge MITTE KUNAGI paigaldage "seljaga sõidusuunas" lapseistet juhi kõrvalistmele, mille ESITURVAPADI on AKTIVEERITUD. Turvapadja
avanemine võib last TÕSISELT või ELUOHTLIKULT vigastada.
FI ÄLÄ KOSKAAN aseta lapsen turvaistuinta selkä ajosuuntaan istuimelle, jonka edessä suojana on käyttöön aktivoitu TURVATYYNY. Sen
laukeaminen voi aiheuttaa LAPSEN KUOLEMAN tai VAKAVAN LOUKKAANTUMISEN.
FR NE JAMAIS installer de système de retenue pour enfants faisant face vers l'arrière sur un siège protégé par un COUSSIN GONFLABLE frontal
ACTIVÉ.CelapeutprovoquerlaMORTdel'ENFANTouleBLESSERGRAVEMENT.
HR NIKADAnepostavljatidječjusjedaliculeđimausmjeruvožnjenasjedalozaštićenoUKLJUČENIMprednjimZRAČNIMJASTUKOM.Tobimoglo
uzrokovati SMRT ili TEŠKU OZLJEDU djeteta.
HU SOHAnehasználjonmenetiránynakháttalbeszereltgyermeküléstAKTIVÁLT(BEKAPCSOLT)FRONTLÉGZSÁKKALvédettülésen.Ezagyermek
HALÁLÁTvagySÚLYOSSÉRÜLÉSÉTokozhatja.
IT NON installare MAI seggiolini per bambini posizionati in senso contrario a quello di marcia su un sedile protetto da un AIRBAG frontale ATTIVATO.
Ciò potrebbe provocare la MORTE o FERITE GRAVI al bambino.
LT NIEKADAneįrenkitevaikoprilaikymopriemonėssuatgalatgręžtuvaikuantsėdynės,kurisaugomaVEIKIANČIOSpriekinėsOROPAGALVĖS.
IšsiskleidusoropagalveivaikasgalibūtiMIRTINAIarbaSUNKIAITRAUMUOTAS.

63
5
Veiligheid
LV NEKADNEuzstādietuzaizmugurivērstubērnusēdeklītipriekšējāpasažierasēdvietā,kurāirAKTIVIZĒTSpriekšējaisDROŠĪBASGAISA
SPILVENS.TasvarizraisītBĒRNANĀVIvairadītNOPIETNUSIEVAINOJUMUS.
MT Qatt m'ghandek thalli tifel/tifla marbut f'siggu dahru lejn l-Airbag attiva, ghaliex tista' tikkawza korriment serju jew anke mewt lit-tifel/tifla
NL Plaats NOOIT een kinderzitje met de rug in de rijrichting op een zitplaats waarvan de AIRBAG is INGESCHAKELD. Bij het afgaan van de airbag kan
het KIND LEVENSGEVAARLIJK GEWOND RAKEN
NO Installer ALDRI et barnesete med ryggen mot kjøreretningen i et sete som er beskyttet med en frontal AKTIVERT KOLLISJONSPUTE, BARNET
risikerer å bli DREPT eller HARDT SKADET.
PL NIGDYnieinstalowaćfotelikadziecięcegowpozycji"tyłemdokierunkujazdy"nasiedzeniuwyposażonymwCZOŁOWĄPODUSZKĘ
POWIETRZNĄwstanieAKTYWNYM.MożetodoprowadzićdoŚMIERCIDZIECKAlubspowodowaćuniegoPOWAŻNEOBRAŻENIACIAŁA.
PT NUNCA instale um sistema de retenção para crianças de costas para a estrada num banco protegido por um AIRBAG frontal ACTIVADO. Esta
instalaçãopoderáprovocarFERIMENTOSGRAVESouaMORTEdaCRIANÇA.
RO Nu instalati NICIODATA un sistem de retinere pentru copii, dispus cu spatele in directia de mers, pe un loc din vehicul protejat cu AIRBAG frontal
ACTIVAT. Aceasta ar putea provoca MOARTEA COPILULUI sau RANIREA lui GRAVA.
RU ВОВСЕХСЛУЧАЯХЗАПРЕЩАЕТСЯиспользоватьобращенноеназаддетскоеудерживающееустройствонасиденье,защищенном
ФУНКЦИОНИРУЮЩЕЙПОДУШКОЙБЕЗОПАСНОСТИ,установленнойпередэтимсиденьем.ЭтоможетпривестикГИБЕЛИРЕБЕНКА
илиНАНЕСЕНИЮЕМУСЕРЬЕЗНЫХТЕЛЕСНЫХПОВРЕЖДЕНИЙ
SK NIKDYneinštalujtedetskézádržnézariadenieorientovanésmeromdozadunasedadlochránenéAKTIVOVANÝMčelnýmAIRBAGOM.Mohloby
dôjsťkSMRTEĽNÉMUaleboVÁŽNEMUPORANENIUDIEŤAŤA.
SL NIKOLInenameščajteotroškegasedežashrbtomvsmerivožnje,čejeVARNOSTNABLAZINApredsprednjimsopotnikovimsedežem
AKTIVIRANA.TakšnanamestitevlahkopovzročiSMRTOTROKAaliHUDEPOŠKODBE.
SR NIKADAnekoristitedečjesedištekojeseokrećeunazadnasedištuzaštićenimAKTIVNIMVAZDUŠNIMJASTUKOMisprednjega,jermogu
nastupiti SMRT ili OZBILJNA POVREDA DETETA.
SV Passagerarkrockkudden fram MÅSTE vara avaktiverad om en bakåtvänd bilbarnstol installeras på denna plats. Annars riskerar barnet att DÖDAS
eller SKADAS ALLVARLIGT.
TR KESİNLKLEHAVAYASTIĞIAKTİFolanönkoltuğayüzüarkayadönükbirçocukkoltuğuyerleştirmeyiniz.BuÇOCUĞUNÖLMESİNEveyaÇOK
AĞIRYARALANMASINAsebepolabilir.

64
Veiligheid
Kinderzitje achterin
"Met de rug in de rijrichting"
Schuif als u een kinderzitje "met de rug in de
rijrichting" achterin plaatst de voorstoel naar
voren en zet de rugleuning van de voorstoel
rechtop, zodat het kinderzitje de voorstoel niet
raakt.
"Met het gezicht in de
rijrichting"
Schuif als u een kinderzitje "met het gezicht in
de rijrichting" op een zitplaats achter plaatst de
voorstoel naar voren en zet de rugleuning van de
voorstoel rechtop, zodat de benen van het kind de
voorstoel niet raken.
Aanbevolen kinderzitjes
Deze aanbevolen kinderzitjes kunnen met
een driepunts veiligheidsgordel worden
vastgemaakt.
Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg
L1
"RÖMER Baby-Safe Plus"
Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst.
Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg
L4
"KLIPPAN Optima"
Van 22 kg (vanaf ongeveer 6 jaar): gebruik
alleen de zitverhoging.
Categorie 2 en 3: van 15 tot 36 kg
L5
"RÖMER KIDFIX"
Kan aan de ISOFIX-bevestigingen van de auto
worden bevestigd.
Het kind wordt beschermd door de
veiligheidsgordel.

65
5
Veiligheid
Bevestiging kinderzitjes met de veiligheidsgordel
Overeenkomstig de Europese wetgeving toont dit overzicht de mogelijkheden voor het bevestigen met de veiligheidsgordel van een universeel gehomologeerd
kinderzitje (a) in uw auto, gerangschikt naar het gewicht van het kind en de plaats in de auto.
Gewicht van het kind/leeftijdsindicatie
Zitplaats Tot 13 kg
Groep 0 (b) en 0+
Tot ongeveer 1 jaar
9-18 kg
Groep 1
Van 1 tot ± 3 jaar
15-25 kg
Groep 2
Van 3 tot ± 6 jaar
22-36 kg
Groep 3
Van 6 tot ± 10 jaar
Passagiersstoel vóór (c)(e) U (R)* U (R)* U (R)* U (R)*
Zitplaatsen achter (d) UUUU
d: Als u een kinderzitje met de rug of
het gezicht in de rijrichting op een
achterzitplaats bevestigt, moet u de
voorstoel naar voren schuiven en de
rugleuning ervan rechtop zetten zodat er
voldoende ruimte is voor het kinderzitje
en de benen van het kind.
e: Wanneer u een kinderzitje met
de rug in de rijrichting op de
voorpassagiersstoel plaatst, moet
de airbag vóór aan passagierszijde
worden uitgeschakeld. Het kind kan
anders bij het afgaan van de airbag
levensgevaarlijk gewond raken. Als
een kinderzitje met het gezicht in de
rijrichting op de voorpassagiersstoel
is bevestigd, moet de airbag vóór aan
passagierszijde ingeschakeld blijven.
*
Op de voorstoel:
- Bij het aanbrengen van een kinderzitje op de
zitting: indien de rugleuning in de weg zit bij
het bevestigen van het kinderzitje op de zitting,
verstel de rugleuning dan zodanig dat deze niet
meer in de weg zit.
- Bij het aanbrengen van een kinderzitje "met
het gezicht in de rijrichting": indien er ruimte
zit tussen het kinderzitje en de rugleuning,
verstel de rugleuning dan zodanig dat het
kinderzitje en de rugleuning contact maken.
Als de bevestigingsring van de gordel zich vóór
de gordelgeleider van het kinderzitje bevindt,
schuif de voorstoel dan naar voren.
- Bij het aanbrengen van een stoelverhoger: als
het kind teveel rechtop zit, verstel de rugleuning
dan voor een comfortabelere zithouding. Als
de bevestigingsring van de gordel zich vóór
de gordelgeleider van het kinderzitje bevindt,
schuif de voorstoel dan naar voren.
a: Universeel kinderzitje: kinderzitje dat in
alle auto's met de veiligheidsgordel kan
worden bevestigd.
b: Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg.
Reiswiegen en "autobedjes" mogen
niet op de passagiersstoel vóór worden
bevestigd. Als ze op een zitplaats in de
2e zitrij worden geplaatst, zijn de andere
zitplaatsen mogelijk niet meer bruikbaar.
c: Raadpleeg de wettelijke bepalingen van
uw land alvorens een kinderzitje op deze
plaats te bevestigen.

66
Veiligheid
U: Zitplaats geschikt voor de bevestiging
van een universeel gehomologeerd
kinderzitje met een veiligheidsgordel,
zowel "met de rug in de rijrichting" als
"met het gezicht in de rijrichting", met de
voorstoel in de middelste stand van de
verstelling in lengterichting.
U (R): als U, waarbij de stoel in de achterste
stand van de verstelling in lengterichting
moet worden gezet met de rugleuning
rechtop.
ISOFIX-bevestigingen
De hieronder aangegeven zitplaatsen zijn
uitgerust met de voorgeschreven ISOFIX-
bevestiging:
Elke zitplaats is voorzien van drie bevestigingsringen:
- twee bevestigingsringen A, die zich tussen
de rugleuning en de zitting van de zitplaats
bevinden, aangegeven met een merkteken,
- één bevestigingsring B achter de stoel, TOP
TETHER genoemd, voor de bevestiging van de
bovenste riem. De plaats hiervan is gemarkeerd.
Aan de TOP TETHER kan de bovenste riem
(indien aanwezig) van het kinderzitje worden
bevestigd. Dit systeem beperkt het naar voren
kantelen van het kinderzitje bij een frontale
aanrijding.
Met de ISOFIX-bevestigingen kan een kinderzitje
veilig, degelijk en snel in uw auto worden
gemonteerd.
ISOFIX-kinderzitjes zijn voorzien van
twee vergrendelingen die aan de twee
bevestigingsringen A kunnen worden verankerd.
Sommige kinderzitjes zijn bovendien voorzien van
een top tether (bovenste riem) die kan worden
vastgemaakt aan bevestigingsring B.
Kinderzitje vastmaken met behulp van de TOP
TETHER:
- verwijder de hoofdsteun en berg deze op
alvorens het kinderzitje op deze stoel te
bevestigen (plaats de hoofdsteun terug zodra
het kinderzitje is verwijderd),
- voer de riem van het kinderzitje over de
rugleuning van de zitplaats, tussen de
openingen voor de pennen van de hoofdsteun
door,
- bevestig de klem van de bovenste riem (top
tether) aan de bevestigingsring B,
- zet de bovenste riem vast.
Bij een onjuist geplaatst kinderzitje is de
bescherming van het kind bij een aanrijding
niet meer gewaarborgd.
Houd u nauwkeurig aan de
montagevoorschriften die zijn vermeld in de
gebruiksaanwijzing van het kinderzitje.
Raadpleeg het overzicht voor meer informatie
over de bevestiging van ISOFIX-kinderzitjes in
uw auto.

67
5
Veiligheid
Aanbevolen ISOFIX-
kinderzitjes
Raadpleeg voor het aanbrengen en
verwijderen van het kinderzitje de montage-
instructies van de fabrikant.
De basis ISOFIX BABY P2C moet zo zijn
geplaatst dat op de ISOFIX-bevestigingen de
nummers 3, 4 en 5 zichtbaar zijn. En bij de steun
moeten 6 gaten zichtbaar zijn.
Baby P2C Mini met ISOFIX-basis
(lengtecategorie: C, D, E)
Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg
Dit kinderzitje wordt met de rug in de rijrichting
geplaatst met behulp van een ISOFIX-basis die
aan de ogen A wordt bevestigd.
De basis is voorzien van een in hoogte
verstelbare steun die op de vloer van de auto
rust.
Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd met de
veiligheidsgordel.
In dat geval wordt het zitje zonder basis
gebruikt en wordt het op de stoel van de auto
bevestigd met de driepuntsveiligheidsgordel.
"RÖMER Baby-Safe Plus met ISOFIX-basis"
(lengtecategorie: E)
Categorie 0+: vanaf geboorte tot 13 kg.
Dit kinderzitje wordt met de rug in de rijrichting
geplaatst met behulp van een ISOFIX-basis die
aan de ogen A wordt bevestigd.
De basis is voorzien van een in hoogte
verstelbare steun die op de vloer van de auto
rust.
Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd met
een veiligheidsgordel. In dat geval wordt het
zitje zonder basis met de driepuntsgordel op de
zitplaats van de auto bevestigd.

68
Veiligheid
"Baby P2C Midi met ISOFIX-basis"
(lengtecategorie: D, C, A, B, B1)
Groep 1: 9-18 kg
Dit kinderzitje wordt met de rug in de rijrichting
geplaatst met behulp van een ISOFIX-basis die
aan de ogen A wordt bevestigd.
De basis is voorzien van een in hoogte
verstelbare steun die op de vloer van de auto
rust.
Dit kinderzitje kan ook "met het gezicht in de
rijrichting" worden geplaatst.
Dit kinderzitje kan niet met een
veiligheidsgordel worden vastgezet.
We adviseren u het zitje voor kinderen tot 3 jaar
"met de rug in de rijrichting" te plaatsen.
"RÖMER Duo Plus ISOFIX"
(lengtecategorie: B1)
Groep 1: 9-18 kg
Dit zitje wordt uitsluitend met het gezicht in de
rijrichting geplaatst.
Het wordt verankerd aan de ringen A en met
de bovenste riem, de TOP TETHER, aan de
ring B.
Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand.
Dit kinderzitje kan ook worden gebruikt op
zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-
bevestigingspunten. In dat geval moet het zitje
met de driepuntsveiligheidsgordel op de stoel
van de auto worden bevestigd. Stel de voorstoel
zo af dat de voeten van het kind de rugleuning
niet kunnen raken.

69
5
Veiligheid
Overzichtstabel van zitplaatsen geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes
Overeenkomstig de Europese wetgeving toont dit overzicht de mogelijkheden voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de auto voorzien
van ISOFIX-bevestigingen.
Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-lengtecategorie op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een letter (A
t/m G).
Gewicht van het kind/leeftijdsindicatie
Tot 10 kg (groep
0)
Tot ongeveer
6 maanden
Tot 10 kg (groep 0)
Tot 13 kg (groep 0+)
Tot ongeveer 1 jaar
9-18 kg (groep 1)
Van ± 1 tot 3 jaar
Type ISOFIX-kinderzitje Reiswieg rug in de rijrichting rug in de rijrichting gezicht in de rijrichting
ISOFIX-lengtecategorie: F G C D E C D A B B1
Passagiersstoel voor Geen ISOFIX
Zitplaatsen achter XIL-SU
(2) IL-SU (1) IL-SU
(2) IL-SU
(1) IUF
IL-SU
IUF: Zitplaats geschikt voor de bevestiging
met behulp van de TOP TETHER van
een universeel ISOFIX-kinderzitje met
het "gezicht in de rijrichting".
IL-SU: Zitplaats geschikt voor de bevestiging
van een
semi-universeel gehomologeerd ISOFIX-
kinderzitje:
- "met de rug in de rijrichting", bevestigd met
behulp van een TOP TETHER of een steun,
- "met het gezicht in de rijrichting", bevestigd
met behulp van een steun,
- een reiswieg bevestigd met behulp van een
bovenste riem (TOP TETHER) of een steun.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over de ISOFIX-bevestigingen en
in het bijzonder de bevestiging van de bovenste
riem.
(1): De voorstoel moet in de voorste stand
van de verstelling in lengterichting moet
worden gezet, minimaal 9 inkepingen.
(2): De voorstoel moet in de voorste stand
van de verstelling in lengterichting moet
worden gezet, minimaal 4 inkepingen.

70
Veiligheid
Overzicht van zitplaatsen
geschikt voor i-Size-
kinderzitjes
i-Size-kinderzitjes zijn voorzien van twee sloten
die aan de twee bevestigingsringen A kunnen
worden vastgemaakt.
i-Size-kinderzitjes zijn ook uitgerust met:
- een bovenste bevestigingsriem die kan worden
vastgemaakt aan de bevestigingsring B,
- of een steun die op de vloer rust vóór de voor
i-Size-kinderzitjes geschikte zitplaats van de
auto. Deze steun voorkomt dat het zitje bij een
ongeval kantelt.
Overeenkomstig de nieuwe Europese wetgeving
toont dit overzicht de mogelijkheden voor
het bevestigen van een i-Size-kinderzitje op
een plaats in de auto voorzien van ISOFIX-
bevestigingen die voor i-Size-kinderzitjes zijn
goedgekeurd.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over de ISOFIX-kinderzitjes en in het
bijzonder de ISOFIX-bevestigingen en de ringen.
i-Size-
kinderzitje
1e zitrij Passagiersstoel
vóór Geen i-Size
2e zitrij Buitenste
zitplaatsen (a)i-U
i-U: zitplaats geschikt voor de bevestiging van
een universeel gehomologeerd i-Size-
kinderzitje in de rijrichting of met de rug in
de rijrichting.
(a) Als u een kinderzitje met de rug of
het gezicht in de rijrichting op een
achterzitplaats bevestigt, moet u de
voorstoel naar voren schuiven en de
rugleuning ervan rechtop zetten zodat er
voldoende ruimte is voor het kinderzitje en
de benen van het kind.
Veiligheidsvoorschriften
Bij een onjuist geplaatst kinderzitje is de
bescherming van het kind bij een aanrijding
niet meer gewaarborgd.
Controleer of er geen veiligheidsgordel of
gesp van de veiligheidsgordel onder het
kinderzitje zit; dat zou de stabiliteit van het
zitje in gevaar kunnen brengen.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels of
het tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte
ritten, worden vastgemaakt waarbij de
speling ten opzichte van het lichaam van het
kind zoveel mogelijk moet worden beperkt.
Zorg er bij het bevestigen van het
kinderzitje met de veiligheidsgordel voor
dat de veiligheidsgordel correct tegen het
kinderzitje is gespannen en dat de gordel het
kinderzitje stevig op zijn plaats houdt. Schuif
de passagiersstoel, wanneer deze versteld
kan worden, indien nodig naar voren.
Verwijder de hoofdsteun alvorens
een kinderzitje met een rugleuning te
plaatsen op een passagiersstoel.
Berg de hoofdsteun zorgvuldig op om te
voorkomen dat de hoofdsteun door de auto
vliegt bij krachtig afremmen. Plaats de
hoofdsteun terug zodra het kinderzitje is
verwijderd.

71
5
Veiligheid
Kinderzitje achterin
Laat bij de achterzitplaatsen altijd voldoende
ruimte tussen de voorstoel en:
- een kinderzitje dat met de rug in de
rijrichting wordt geplaatst,
- de voeten van het kind wanneer het
kinderzitje in de rijrichting wordt geplaatst.
Schuif daartoe de voorstoel naar voren en zet
de rugleuning ervan, indien nodig, rechter op.
Voor een optimale bevestiging van het
kinderzitje met "het gezicht in de rijrichting"
is het noodzakelijk dat de afstand tussen
de rugleuning van het kinderzitje en de
rugleuning van de stoel van de auto zo klein
mogelijk is.
Kinderen voorin
De regelgeving met betrekking tot
het vervoer van kinderen op de
voorpassagiersstoel verschilt per land. Houd
u aan de regels die gelden in het land waar
u zich bevindt.
Schakel de airbag vóór aan passagierszijde
uit zodra een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de voorpassagiersstoelen
wordt geplaatst.
Anders kan een kind bij het afgaan van de
airbag levensgevaarlijk gewond raken.
Plaatsen van een stoelverhoger
Het bovenste gedeelte van de
veiligheidsgordel moet over de schouder van
het kind liggen zonder de hals te raken.
Controleer of de heupgordel goed over de
bovenbenen van het kind ligt.
Er wordt aanbevolen een stoelverhoger met
rugleuning te gebruiken voorzien van een
gordelgeleider ter hoogte van de schouder.
Extra beveiliging
Gebruik de kinderbeveiliging om te
voorkomen dat de portieren en de
portierruiten achter per ongeluk geopend
worden.
Zorg ervoor dat de achterzijruiten niet verder
dan voor 1/3 deel worden geopend.
Plaats zonneschermen op de achterste
zijruiten om jonge kinderen tegen de zon te
beschermen.
Laat uit veiligheidsoverwegingen:
- geen kinderen zonder toezicht achter in
een auto,
- nooit een kind of een dier in een auto
achter wanneer alle ruiten gesloten zijn
en de auto in de zon staat,
- de sleutels nooit binnen bereik van de
kinderen achter in de auto.
Kinderbeveiliging
Als de kinderbeveiliging is ingeschakeld, kunnen
de achterportieren niet meer van binnenuit
geopend worden.
De knop bevindt zich op de zijkant van beide
achterportieren.
F Duw de hendel omlaag.
Controleer bij het aanzetten van het contact altijd
de stand van de kinderbeveiliging.
Dit systeem werkt onafhankelijk van de centrale
vergrendeling.

72
Rijden
Adviezen
Houd u altijd aan de verkeersregels en let onder
alle omstandigheden goed op.
Richt uw aandacht op het verkeer en houd
uw handen op het stuurwiel, zodat u snel kunt
reageren op onverwachte situaties.
Uit veiligheidsoverwegingen moet de bestuurder
handelingen die veel aandacht vergen altijd bij
stilstaande auto uitvoeren.
Las tijdens een lange rit om de twee uur een
pauze in.
Rijd bij slecht weer defensief, rem eerder af en
houd meer afstand tot uw voorligger.
Laat de motor nooit stationair draaien
in een slecht geventileerde, afgesloten
ruimte: verbrandingsmotoren stoten giftige
uitlaatgassen uit, zoals koolmonoxide. Dit
kan leiden tot een vergiftiging met dodelijke
afloop!
Laat onder extreem koude omstandigheden
(temperaturen lager dan -23°C) de motor
gedurende 4 minuten stationair draaien
alvorens weg te rijden. Deze handelswijze
komt de goede werking en de duurzaamheid
van de mechanische onderdelen van de
auto, motor en versnellingsbak ten goede.
Belangrijk!
Rijd nooit met aangetrokken parkeerrem –
Kans op oververhitting en beschadiging van
het remsysteem!
Het uitlaatsysteem van uw auto wordt
erg warm en blijft ook na het afzetten
van de motor nog enige tijd warm. Zet uw
auto daarom niet stil (om te parkeren of
met draaiende motor) op een plaats met
brandbaar materiaal (gras, afgevallen
bladeren enz.). Brandgevaar!
Laat de auto nooit onbewaakt met
draaiende motor achter. Als u uw auto met
draaiende motor moet verlaten, trek dan de
parkeerrem aan en zet de versnellingsbak
in de neutraalstand of in de stand N of P,
afhankelijk van het type versnellingsbak.
Rijden op een overstroomde
weg
Probeer het rijden over overstroomde wegen zo
veel mogelijk te vermijden, want het water kan de
motor, versnellingsbak en het elektrische systeem
van uw auto ernstig beschadigen.
Bent u genoodzaakt over een overstroomd
weggedeelte te rijden, doe dan het volgende:
- controleer dat de diepte van het water nergens
meer is dan 15 cm en houd daarbij rekening
met de golven die kunnen worden veroorzaakt
door andere gebruikers;
- schakel de functie Stop & Start uit,
- rijd zo langzaam mogelijk zonder de motor te
laten afslaan. Rijd in elk geval niet sneller dan
10 km/h,
- zet de auto niet stil en zet de motor niet af.
Als u het overstroomde weggedeelte achter
u hebt gelaten, rem dan, zodra de verkeerssituatie
dat toelaat, meerdere keren licht af om de
remschijven en remblokken te drogen.
Als u twijfels hebt over de staat van uw auto,
neem dan contact op met het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.

73
6
Rijden
Starten/afzetten van de
motor met de sleutel
Contactslot
1. Stand LOCK. Het stuurslot wordt
vergrendeld.
2. Stand ACC. De accessoires (audiosysteem,
12 V-aansluiting, enz.) kunnen gebruikt
worden.
3. Stand ON. Contact aanzetten.
4. Stand START. Starten van de motor.
Als u langere tijd accessoires gebruikt (met
de sleutel in stand 2 of 3), dan loopt u het
risico dat de accu ontladen raakt. Starten
van uw auto is dan niet meer mogelijk. Let
hierop.
Starten van de motor
F Steek de sleutel in het contactslot.
F Zet de sleutel in de stand 2.
F ontgrendel het stuurslot door licht aan het
stuurwiel te draaien.
In bepaalde gevallen is veel kracht nodig bij
het draaien aan het stuurwiel (bijvoorbeeld
als de wielen niet rechtuit staan).
F Trap bij uitvoeringen met een
handgeschakelde versnellingsbak het
koppelingspedaal volledig in en zet de
versnellingshendel vervolgens in neutraal.
F Trap bij uitvoeringen met een ETG-
versnellingsbak het rempedaal stevig in
en zet de selectiehendel vervolgens in de
stand N.
F Bedien de startmotor door de sleutel in de
stand 4 (START) te draaien.
F Laat de sleutel los zodra de motor is
aangeslagen. Het contactslot keert
automatisch terug naar de stand 3 (ON).
Afzetten van de motor
F Breng de auto tot stilstand.
F Zet bij uitvoeringen met een handgeschakelde
versnellingsbak de versnellingshendel in de
neutraalstand.
F Zet bij uitvoeringen met een ETG-
versnellingsbak de selectiehendel in de
stand N.
F Zet de sleutel in de stand 2 (ACC).
F Duw de sleutel naar binnen en zet de sleutel in
de stand 1 (LOCK).
F Verwijder de sleutel uit het contactslot.
F Draai het stuurwiel tot het stuurslot wordt
vergrendeld.
Hang geen zware voorwerpen aan de
sleutel: dit kan namelijk storingen aan het
contactslot veroorzaken.
Starten/afzetten van de
motor met het systeem
Keyless entry and start
Stand van het contact
wijzigen

74
Rijden
Door op de knop "START/STOP" te drukken met
de elektronische sleutel in de auto, kunt u zonder
een pedaal in te trappen de stand van het
contact wijzigen.
F Druk eenmaal op (stand "ACC"). De
accessoires (autoradio, 12 V-aansluiting, enz.)
kunnen worden gebruikt.
F Druk een tweede maal op (stand "ON").
Contact aan.
F Druk een derde maal op (stand "OFF").
Als u langere tijd accessoires gebruikt,
keert het voertuig na ongeveerd 20 minuten
automatisch terug naar de stand "OFF".
Let op dat de accu niet ontladen raakt.
Starten van de motor
Wanneer de knop "START/STOP"
voor het eerst wordt ingedrukt,
knippert dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel langzaam.
Elektronische sleutel in de auto
F Zet bij auto's met een handgeschakelde
versnellingsbak de versnellingshendel in de
neutraalstand en houd het koppelingspedaal
volledig ingetrapt.
F Zet bij auto's met een elektronisch gestuurde
versnellingsbak de selectiehendel in de stand
N en trap het rempedaal stevig in.
Op het instrumentenpaneel gaat dit
lampje branden.
Afhankelijk van de buitentemperatuur kan
elke startpoging circa 30 seconden duren.
Druk gedurende die tijd niet nogmaals
op de knop "START/STOP" en laat het
koppelingspedaal of rempedaal (afhankelijk
van het versnellingsbaktype) niet los.
Als de motor hierna niet is gestart, druk dan
nogmaals op de knop "START/STOP" voor
een nieuwe poging.
F Druk op de knop "START/STOP" en laat de
knop vervolgens los.
Als aan een van de voorwaarden voor het
starten niet wordt voldaan, dan knippert de
"Keyless entrée and start" systeemindicator
snel op het instrumentenpaneel. In sommige
gevallen moet het stuurwiel heen en weer
worden bewogen terwijl de knop "START/
STOP" wordt ingedrukt om het stuurslot te
ontgrendelen.
Voor het inschakelen van het contact en het
starten van de motor moet de elektronische
sleutel zich in de detectiezone bevinden.
Zorg er na het starten van de motor voor dat
de elektronische sleutel zich tot het einde
van de rit in de auto bevindt. U kunt het
voertuig anders niet vergrendelen.
Afzetten van de motor
F Breng de auto tot stilstand.
F Zet bij uitvoeringen met een handgeschakelde
versnellingsbak de versnellingshendel in de
neutraalstand.
F Zet bij uitvoeringen met een ETG-
versnellingsbak de selectiehendel in de
stand N.
Druk, terwijl de elektronische sleutel zich in de
auto bevindt, op de knop "START/STOP".
De motor wordt afgezet.
Het stuurslot wordt vergrendeld wanneer een
portier geopend wordt of de auto vergrendeld
wordt.

75
6
Rijden
Als de auto niet stilstaat, wordt de motor niet
afgezet.
Als u het bestuurdersportier opent en de auto in
de stand "ACC" staat, klinkt een geluidssignaal.
F Druk nogmaals op de knop "START/STOP"
om naar de stand "OFF" te gaan.
Noodprocedure voor het starten
Als de elektronische sleutel zich
in het detectiegebied bevindt en
uw auto niet start als u op de knop
"START/STOP" drukt, knippert
deze waarschuwingslamp op het
instrumentenpaneel.
F Raak de knop "START/STOP" met de hoek
van de elektronische sleutel aan die zich het
dichtst bij het lampje bevindt. Er klinkt een
pieptoon wanneer de elektronische selutel
herkend wordt en de auto wordt in de stand
"ON" gezet.
F Trap bij uitvoeringen met een
handgeschakelde versnellingsbak het
koppelingspedaal volledig in.
F Trap bij uitvoeringen met een ETG-
versnellingsbak het rempedaal in.
F Controleer of het verklikkerlampje van het
"Keyless entry and start"-systeem op het
instrumentenpaneel groen wordt.
F Druk op de toets "START/STOP". De motor
wordt gestart.
Neem als de motor niet start contact op met
het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Noodprocedure voor het
afzetten van de motor
Uitsluitend in noodgevallen kan de motor
geforceerd worden afgezet. Hiervoor moet u de
knop "START/STOP" langer dan twee seconden
ingedrukt houden of de knop minstens 3 keer
achter elkaar indrukken.
In dit geval wordt het stuurslot vergrendeld zodra
de auto stilstaat.
Als de elektronische sleutel
niet wordt herkend
Als de elektronische sleutel zich niet meer in
het detectiegebied bevindt tijdens het rijden of
wanneer u (op een later moment) de motor wilt
afzetten, klinkt er een geluidsignaal om u te
waarschuwen.
F Houd de knop "START/STOP" langer dan
twee seconden ingedrukt of druk de knop
minstens 3 keer achter elkaar in als u de
motor geforceerd wilt afzetten (let op: zonder
de sleutel kan de motor niet meer gestart
worden).
F Zet bij uitvoeringen met een handgeschakelde
versnellingsbak de versnellingshendel in de
neutraalstand.
F Zet bij uitvoeringen met een ETG-
versnellingsbak de selectiehendel in de stand N.
Elektronische
startblokkering
Blokkeert het motormanagementsysteem zodra
het contact wordt afgezet en voorkomt zo het
starten van de motor bij een inbraak.
In de sleutel is een chip aangebracht die over
een specifieke code beschikt. Om te kunnen
starten, moet bij het aanzetten van het contact
de code van de sleutel worden herkend door de
startblokkering.
Bij een storing zal de auto niet starten.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Breng geen wijzigingen aan in de
elektronische startblokkering.

76
Rijden
Handbediende parkeerrem
Vergrendelen
F Trek de parkeerremhendel aan zodat de auto
stil blijft staan.
Ontgrendelen
F Trek de parkeerremhendel licht omhoog,
druk de ontgrendelknop in en duw de hendel
geheel omlaag.
Als de auto beweegt en het
verklikkerlampje brandt in combinatie
met een geluidssignaal, geeft dit
aan dat de parkeerrem nog (iets) is
aangetrokken.
Draai bij het parkeren van de auto op een
helling de wielen vast tegen het trottoir,
trek de parkeerrem aan, zet de motor af en
schakel een versnelling in (uitvoeringen met
handgeschakelde versnellingsbak).
Handgeschakelde
5-versnellingsbak
Inschakelen van de
achteruitversnelling
F Trap het koppelingspedaal volledig in.
F Beweeg de versnellingshendel zo ver mogelijk
naar rechts en vervolgens naar achteren.
Schakel de achteruitversnelling alleen in als
de auto stilstaat en de motor stationair draait.
ETG-versnellingsbak
Bij de ETG-versnellingsbak met vijf versnellingen
kunt u kiezen tussen het gemak van
automatische bediening en het plezier van
handmatig schakelen.
Selectiehendel
R. Achteruit: trap het rempedaal in en beweeg
de selectiehendel naar rechts en vervolgens
naar voren om deze stand te selecteren.
N. Neutraal: trap het rempedaal in en selecteer
deze stand om de motor te kunnen starten.
E. Easy (automatische stand): duw de
selectiehendel naar achteren om deze stand
te selecteren.

77
6
Rijden
M. Handmatige stand om zelf te schakelen:
beweeg de selectiehendel naar achteren
en vervolgens naar links om deze stand te
selecteren.
Bedieningselementen op de
stuurkolom
Beweeg de flipper + naar u toe om op
te schakelen.
Beweeg de flipper - naar u toe om
terug te schakelen.
Het selecteren van de neutraalstand
en het in- en uitschakelen van de
achteruitversnelling is niet mogelijk met de
flippers.
Weergave op het instrumentenpaneel
Starten van de auto
F Trap met aangetrokken parkeerrem het
rempedaal in en selecteer vervolgens de
stand N.
F Start de motor.
Als u het rempedaal loslaat terwijl de
selectiehendel niet in de stand D staat, dan
is het starten van de motor niet mogelijk.
F Trap het rempedaal in en selecteer de stand
R, E of M.
F Zet de parkeerrem vrij.
F Laat het rempedaal geleidelijk los; de auto zet
zich direct in beweging.
Kruipfunctie
Door deze functie is de auto wendbaarder bij lage
snelheden (inparkeren, files, enz.).
Nadat u de selectiehendel in de stand E, M
of R hebt gezet, begint de auto zodra u het
rempedaal loslaat traag te rijden, waarbij de
motor stationair draait.
Laat bij draaiende motor daarom geen
kinderen alleen achter in de auto.
De kruipfunctie kan tijdelijk niet beschikbaar
zijn als de koppeling te warm is geworden
of als de helling te steil is. Er klinkt een
geluidssignaal wanneer de temperatuur van
de koppeling te hoog is.
De stand van de selectiehendel (R, N, E of M)
wordt op het instrumentenpaneel weergegeven.
In de automatische stand (Easy) kunt u op ieder
moment zelf schakelen. De ingeschakelde
versnelling wordt hierbij ook op het
instrumentenpaneel weergegeven.

78
Rijden
F Zet de selectiehendel in de stand E.
De transmissie werkt dan in de auto-adaptieve
stand, zonder dat u zelf hoeft te schakelen.
De versnellingsbak kiest automatisch de meest
geschikte versnelling, afhankelijk van de volgende
parameters:
- optimalisatie van het brandstofverbruik,
- rijstijl,
- de staat van de weg,
- de belading van de auto.
Trap om krachtig te accelereren, bijvoorbeeld
voor een inhaalmanoeuvre, het gaspedaal met
kracht in, tot voorbij het zware punt.
U kunt op elk moment een andere rijstand
selecteren door de selectiehendel te verplaatsen
van de stand E naar de stand M of andersom.
Selecteer de neutraalstand (stand N) nooit
tijdens het rijden.
Tijdelijk handmatig schakelen
U kunt tijdelijk zelf schakelen met de flippers +
en -.
Handmatig schakelen
Bij het remmen of het verminderen van de
snelheid schakelt de versnellingsbak automatisch
terug naar de juiste versnelling om de auto weer
te laten accelereren.
Wanneer u het gaspedaal diep intrapt, wordt
er geen hogere versnelling ingeschakeld
zonder dat u de selectiehendel of de flippers
bedient (behalve als het toerental dicht bij het
maximumtoerental ligt).
Automatisch schakelen
(EASY) Het schakelen naar een andere versnelling
gebeurt alleen als het motortoerental dit
toestaat. Als het schakelen naar een andere
versnelling niet wordt toegestaan, klinkt er een
geluidssignaal.
De ingeschakelde versnelling wordt op het
instrumentenpaneel weergegeven.
Met deze functie kunt u anticiperen op bepaalde
rijsituaties, zoals het inhalen van een auto of een
bocht in de weg.
Als de flippers enige tijd niet meer gebruikt
worden, gaat de versnellingsbak weer over op de
automatische stand.
F Zet de selectiehendel in de stand M.
F Schakel met:
- de selectiehendel, door die:
- achteruit te bewegen, + om op te
schakelen,
- vooruit te bewegen, - om terug te
schakelen,
- of de stuurwielflippers + of -.
De ingeschakelde versnelling wordt
weergegeven.
Het schakelen naar een andere versnelling
gebeurt alleen als de snelheid van de auto en het
motortoerental dit toestaan.
Het is niet noodzakelijk om bij het schakelen het
gaspedaal los te laten. Als het schakelen naar
een andere versnelling niet wordt toegestaan,
klinkt er een geluidssignaal.
U kunt op elk moment een andere rijstand
selecteren door de selectiehendel te verplaatsen
van de stand M naar de stand E of andersom.
Selecteer de neutraalstand (stand N) nooit
tijdens het rijden.
Achteruitversnelling
Selecteer de achteruitversnelling uitsluitend
als de auto volledig stilstaat en de voet op het
rempedaal wordt gehouden.
F Selecteer de stand R.
Een geluidssignaal geeft aan dat de
achteruitversnelling is ingeschakeld.
Parkeren van de auto
De auto kan worden stilgezet ongeacht in welke
stand de selectiehendel staat (N, E of R).
Als echter het bestuurdersportier geopend wordt
terwijl de selectiehendel niet in de stand N staat,
klinkt er een geluidssignaal.

79
6
Rijden
Wanneer u de auto stilzet, maar de motor
laat draaien, dient u altijd de selectiehendel
in de stand N te zetten.
Als u het contac in de stand "OFF" zet
terwijl de 2e, 3e, 4e of 5e versnelling
is ingeschakeld, klinkt er een continu
geluidssignaal.
Indien dit gebeurt, zet het contact dan
in de stand "ON", zet de selectiehendel
in de stand N, zet de hendel vervolgens
in de stand E, M of R en zet het contact
vervolgens weer in de stand "OFF".
Als de auto op een helling staat, gebruik dan de
rem om de beweging van de auto te stoppen en
zet de selectiehendel in de stand N, E of R.
U moet altijd de parkeerrem aantrekken
om de auto volledig stil te zetten.
Controleer voordat u werkzaamheden
onder de motorkap uitvoert altijd of de
selectiehendel in de neutraalstand N staat
en de parkeerrem is aangetrokken.
Grenzen van het systeem
Indien de auto zich op een helling bevindt of Hill
Start Assist geactiveerd is, laat de auto dan niet
stilstaan door bediening van het gaspedaal:
hierdoor kan de koppeling beschadigd raken.
In deze situaties klinkt een geluidssignaal.
F Zet de selectiehendel in dat geval in de
stand N.
F Wacht 15 minuten voordat u verder rijdt om de
koppeling te laten afkoelen.
Storingen
Als bij aangezet contact dit
verklikkerlampje gaat branden,
duidt dit op een storing in de
versnellingsbak.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Als N knippert op het instrumentenpaneel en er
lange tijd een geluidssignaal klinkt:
- controleer of het contact correct in de stand
'"ON" is gezet,
- beweeg de selectiehendel naar de stand N en
vervolgens naar de stand E, M of R.
Als 1 op het instrumentenpaneel knippert:
- beweeg de selectiehendel naar de stand E of
M en vervolgens naar de stand N.
Als R op het instrumentenpaneel knippert:
- beweeg de selectiehendel naar de stand R en
vervolgens naar de stand N.
Schakelindicator
Dit systeem geeft aan welke versnelling moet
worden ingeschakeld om het brandstofverbruik te
verminderen.
Werking
Afhankelijk van de rijomstandigheden en
de uitrusting van uw auto kan het systeem
u adviseren om te schakelen.
Het is niet verplicht om het schakeladvies ook
daadwerkelijk op te volgen. De keuze van de
optimale versnelling hangt namelijk altijd af van
de situatie op de weg, de verkeersdrukte en de
veiligheid. De bestuurder blijft dan ook altijd zelf
verantwoordelijk voor het al dan niet opvolgen van
het schakeladvies van het systeem.
Deze functie kan niet worden uitgeschakeld.
Voorbeeld:
- U rijdt in de derde versnelling.
- U trapt het gaspedaal in.
- Het systeem kan u adviseren een hogere
versnelling in te schakelen.

80
Rijden
De informatie wordt in de vorm van
een pijl op het instrumentenpaneel
weergegeven.
Het systeem past het schakeladvies aan de
rijomstandigheden (helling, belading van de
auto, …) en de rijstijl van de bestuurder (veel
vermogen nodig, accelereren, remmen, …)
aan.
Het systeem zal u nooit adviseren om:
- de eerste versnelling in te schakelen,
- de achteruitversnelling in te schakelen.
Bij auto's met een ETG-versnellingsbak werkt
dit systeem alleen in de handbediende stand.
Hill Start Assist
Dit systeem houdt uw auto bij het wegrijden
op een helling kort (ongeveer 2 seconden) op
zijn plaats. In die tijd kunt u uw voet van het
rempedaal naar het gaspedaal verplaatsen.
Deze functie is alleen actief:
- de auto volledig stilstaat met het rempedaal
ingetrapt,
- aan bepaalde hellingcondities is voldaan,
- het bestuurdersportier is gesloten.
De Hill Start Assist kan niet worden
uitgeschakeld.
Verlaat de auto niet in de korte periode dat
u de Hill Start Assist gebruikt.
Als u de auto moet verlaten terwijl de motor
draait, trek de parkeerrem dan handmatig
aan.
Werking
Als de auto bergopwaarts stilstaat, wordt
deze even op zijn plaats gehouden als u het
rempedaal loslaat en:
- bij een handgeschakelde versnellingsbak
de eerste versnelling of de neutraalstand is
ingeschakeld,
- bij een ETG-versnellingsbak de stand E of M
is ingeschakeld.
Als de auto bergafwaarts stilstaat en de
achteruitversnelling ingeschakeld is, wordt
de auto even op zijn plaats gehouden als u het
rempedaal loslaat.
Storing
Bij een storing in het systeem gaat dit
verklikkerlampje branden. Raadpleeg
het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het
systeem te laten controleren.

81
6
Rijden
Werking
Overgang naar de STOP-stand van
de motor
Dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel gaat branden
en de motor wordt automatisch in de
STOP-stand gezet:
- wanneer u bij stilstaande auto de
versnellingshendel in de neutraalstand zet en
het koppelingspedaal loslaat.
Tellers Stop & Start
Een deelteller registreert hoe lang de STOP-stand
tijdens een traject is geactiveerd.
Voor uw gebruiksgemak tijdens
parkeermanoeuvres zal het systeem
enkele seconden na het schakelen uit de
achteruitversnelling niet werken.
Stop & Start is niet van invloed op de
werking van voertuigsystemen zoals
remmen, stuurbekrachtiging enz.
Tank nooit als de motor din de STOP-stand
is gezet; zet in dat geval altijd het contact af.
Bijzonderheden: STOP-stand niet
beschikbaar
Stop & Start
Het Stop & Start-systeem zet de motor tijdelijk
af (STOP-stand) als u stopt (bij rood licht,
opstoppingen enz.). De motor wordt automatisch
opnieuw gestart (START-stand) als u weer weg
wilt rijden. Het starten gebeurt direct, snel en stil.
Het Stop & Start-systeem is perfect afgestemd
op stadsgebruik en zorgt voor een lager
brandstofverbruik, minder uitstoot van schadelijke
stoffen en een aangename rust in het interieur
tijdens het wachten.
- de klimaatregeling in het interieur laat dit niet
toe,
- de ruitontwaseming is ingeschakeld,
- bepaalde bijzondere omstandigheden
(laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, voeruig gestopt op een
steile helling, grote hoogte enz.) laten dit niet
toe.
Overgang naar de START-stand
Dit verklikkerlampje gaat uit en de
motor wordt automatisch gestart:
- wanneer u het koppelingspedaal helemaal
intrapt.
Bijzonderheden: START-stand
wordt automatisch geactiveerd
De START-stand wordt automatisch geactiveerd
wanneer:
- het bestuurdersportier wordt geopend,
- de motorkap wordt geopend,
- de veiligheidsgordel van de bestuurder wordt
losgemaakt,
- bepaalde tijdelijke omstandigheden
(laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, auto op een helling,
instelling airconditioning…) dit niet toelaten.
Dit wordt weergegeven in de boordcomputer
zodra de Stop & Start geactiveerd wordt.
Druk op een van de "DISP"-toetsen om naar de
vorige weergave te gaan.
Een algemene teller registreert hoe vaak de
STOP-stand sinds de laatste reset naar nul
geactiveerd is.
Wanneer deze teller wordt weergegeven, drukt
u om te resetten naar nul langer dan twee
seconden op een van de "DISP"-toetsen.
De belangrijkste redenen waarom de STOP-stand
niet wordt geactiveerd zijn:
- het bestuurdersportier is geopend,
- de veiligheidsgordel van de bestuurder is niet
vastgemaakt,

82
Rijden
Storing
Bij een storing in het systeem
gaat dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel knipperen.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Onderhoud
Schakel het Stop & Start-systeem altijd uit
als u handelingen onder de motorkap wilt
uitvoeren, om letsel door het automatisch
activeren van de START-stand te voorkomen.
Auto's met het Stop & Start-systeem zijn
voorzien van een speciale 12 V-accu.
Laat eventuele werkzaamheden aan
deze accu uitsluitend uitvoeren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de 12 V-accu.
Rijden op een overstroomde weg
Schakel het Stop & Start-systeem uit
wanneer u over een overstroomde weg moet
rijden.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer rijadviezen, met name over het rijden
op overstroomde wegen.
Uitschakelen/Handmatig
inschakelen
Druk op deze knop om het systeem uit te
schakelen.
Het uitschakelen wordt bevestigd door
het branden van het verklikkerlampje
op het instrumentenpaneel.
Als u het systeem met de motor in de STOP-
stand uitschakelt, dan wordt de motor direct weer
gestart.
Druk nogmaals op deze knop.
Het systeem is dan weer ingeschakeld; het
verklikkerlampje op het instrumentenpaneel gaat uit.
Het systeem wordt automatisch weer
ingeschakeld zodra u de motor opnieuw start.
Snelheidslimietherkennings-
en snelheidsadviessysteem
Met dit systeem kunnen bepaalde door de
camera gedetecteerde verkeersborden worden
weergegeven op het het touchscreen (vooral de
maximaal toegestane snelheid).
Voorbeelden van herkende verkeersborden:
Bepaalde snelheidslimieten, zoals voor
vrachtwagens, worden niet weergegeven.
De weergave van de snelheidslimiet in het
touchscreen wordt bijgewerkt als u een
snelheidslimietbord bedoeld voor auto's (lichte
voertuigen) passeert.

86
Rijden
Tijdelijk overschrijden van de
ingestelde snelheid
F Trap het gaspedaal met kracht in tot voorbij
het zware punt om de ingestelde snelheid te
overschrijden.
De werking van de snelheidsregelaar wordt
tijdelijk onderbroken en de weergegeven
ingestelde snelheid knippert.
Als de ingestelde snelheid zonder ingreep
van de bestuurder wordt overschreden
(bijvoorbeeld in een steile afdaling),
knippert de snelheid in combinatie met een
geluidssignaal.
Zodra de rijsnelheid weer is gedaald tot
beneden de ingestelde snelheid, werkt de
snelheidsbegrenzer weer en stopt het knipperen
van de snelheid.
Uitschakelen
F Druk op het uiteinde van de hendel: de
informatie over de snelheidsbegrenzer wordt
niet meer weergegeven.
Storing
Als dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel gaat branden, dan
duidt dit op een storing van de begrenzer.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Het gebruik van matten die niet door
PEUGEOT zijn goedgekeurd, kan de werking
van de snelheidsbegrenzer hinderen.
Om te voorkomen dat de pedalen blijven
hangen:
- controleer of de mat goed is bevestigd,
- leg nooit meerdere matten boven op
elkaar.
Active City Brake
Active City Brake is een rijhulpfunctie die
beoogt een frontale aanrijding te voorkomen
of de snelheid van een frontale aanrijding te
verminderen wanneer de bestuurder niet of
onvoldoende ingrijpt (onvoldoende intrappen van
het rempedaal).
Dit systeem is ontworpen om de veiligheid tijdens
het rijden te vergroten.
De bestuurder moet zelf altijd het verkeer in
de gaten blijven houden en de afstand tot en
de snelheid van andere weggebruikers blijven
inschatten.
Active City Brake is een hulpmiddel voor de
bestuurder die desondanks waakzaam moet blijven.
Bekijk de lasersensor nooit met een optisch
instrument (vergrootglas, microscoop enz.)
op een afstand van minder dan 10 cm: kans
op oogletsel.
Werkingsprincipe
Dit systeem detecteert met een lasersensor en
een camera boven aan de voorruit voertuigen
die in dezelfde richting rijden of die vóór de auto
stilstaan.
Indien noodzakelijk remt de auto automatisch af
om de snelheid van de aanrijding te verminderen
of een aanrijding met de voorligger te voorkomen.
Dit automatische noodremsysteem remt later
af dan de bestuurder normaal gesproken
zou doen. Het systeem grijpt dus alleen in
als de kans op een aanrijding groot is.

89
6
Rijden
Onder zeer slechte weersomstandigheden
(zware regenval, sneeuw, mist, hagel
enz.) neemt de remweg toe waardoor het
systeem minder efficiënt een aanrijding kan
voorkomen.
De bestuurder moet dus altijd bijzonder
oplettend blijven.
Laat geen sneeuw op de motorkap liggen
en geen voorwerpen aan de voorzijde van
het dak en boven de motorkap uitsteken:
hierdoor kan het gezichtsveld van de sensor
worden geblokkeerd waardoor de detectie
niet goed werkt.
Onbedoelde activering
- inhalen van een voertuig op een kruispunt,
terwijl uw auto links- of rechtsaf slaat,
- als het voertuig voor u water of sneeuw
opspat,
- als uw auto heel dicht bij een overhangende
muur of andere voertuigen stopt,
- wanneer uw auto een voorligger snel nadert,
- of het voertuig ongewoon hoog of laag is,
- of uw auto door een plastic gordijn gaat,
- of u door mist of rook rijdt,
- of de sensor niet goed is uitgelijnd (vervanging
na een botsing).
Storing
Storing van de sensor
De werking van de lasersensor kan worden
verstoord door vuil op de voorruit of door het
beslaan van de voorruit, of door de aanwezigheid
van een onderdeel dat de werking sensor
belemmert (bijv. een geopende motorkap).
U wordt dan gewaarschuwd door het
knipperen van dit verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel in combinatie
met een geluidssignaal.
Plak of bevestig geen voorwerpen op de
voorruit vóór de sensor.
Storing van het systeem
Bij een storing van het systeem wordt
u gewaarschuwd door het knipperen
van dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Als de voorruit ter hoogte van de sensor
beschadigd is, schakel het systeem dan uit
en neem contact op met het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats
om de voorruit te laten vervangen.
Verwijder de sensor niet, stel de sensor niet af en test de sensor
niet.
Werkzaamheden aan de sensor mogen alleen door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats worden uitgevoerd.
Het systeem kan een dreigende botsing
detecteren, met name onder de volgende
omstandigheden:
- detectie van een object dicht langs de rand
van de weg die een bocht maakt (vangrail,
straatlantaarn, verkeersbord),
- detectie van een constructie boven- of
onderaan een steile helling (reclameborden,
straatverlichting),
- detectie van reflecterende objecten
(middenberm, etc.) op de weg,
- detectie van een viaduct of verkeersportaal,
- inhalen van een voertuig in een bocht,
Ontwasem de voorruit en reinig regelmatig het
gedeelte van de voorruit voor de sensor.

93
6
Rijden
F Controleer als u een compressor in
de auto hebt (bijvoorbeeld die van de
bandenreparatieset) de spanning van de vier
banden. Rijd voorzichtig en langzaam verder
als het niet mogelijk is om deze controle
onmiddellijk uit te voeren.
of
F Gebruik in het geval van een lekke band
de bandenreparatieset of het reservewiel
(afhankelijk van de uitvoering).
De waarschuwing blijft actief tot het systeem
wordt gereset.
Reset
Controleer voordat u het systeem gaat
resetten of de spanning van de vier banden
overeenkomstig de gebruiksomstandigheden
van de auto en de voorschriften op de
sticker met de bandenspanningen is.
Het bandenspanningscontrolesysteem
is alleen betrouwbaar als de vier banden
tijdens het resetten de juiste spanning
hebben.
Het bandenspanningscontrolesysteem geeft
geen meldingen als de bandenspanning bij
het resetten onjuist is.
Het systeem moet worden gereset bij aangezet
contact (schakelaar in de stand "ON" of de
modus "ON") en stilstaande auto.
F Open het dashboardkastje.
F Druk op de toets voor het resetten.
F Wanneer het verklikkerlampje in
het instrumentenpaneel 3 keer
knippert, is de reset voltooid.
F Wacht enkele minuten voordat u het contact
uitzet (schakelaar in de stand "ACC" of
"LOCK" of de modus "OFF").
De nieuwe opgeslagen
bandenspanningsparameters worden door het
systeem als referentiewaarden beschouwd.
Sneeuwkettingen
Het systeem hoeft niet gereset te worden
na het aanbrengen of verwijderen van
sneeuwkettingen.
Het bandenspanningscontrolesysteem
is alleen betrouwbaar als de vier banden
tijdens het resetten de juiste spanning
hebben.
Elke keer nadat u een of meer banden op
spanning hebt gebracht en na het verwisselen
van een of meer wielen, moet u het systeem
resetten.
Er is een sticker op de middenstijl aan de
bestuurderszijde aangebracht om u hierop attent
te maken.

94
Rijden
Storing
Als het waarschuwingslampje te lage
bandenspanning gaat knipperen en
vervolgens blijft branden, wijst dit op
een storing in het systeem.
In dat geval werkt de bandenspanningscontrole
mogelijk niet goed.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Na het uitvoeren van werkzaamheden aan
het systeem moeten de spanningen van de
vier banden worden gecontroleerd en het
systeem worden gereset.

EEN SAMENWERKING IN HET TEKEN
VAN PRESTATIES!
Het PEUGEOTTOTAL-team weet hoe prestatiegrenzen onder
de meest veeleisende omstandigheden verlegd kunnen
worden. Dit werd bevestigd door de drievoudige overwinning
die in 2017 werd behaald.
Voor deze uitzonderlijke prestaties voorzagen de teams van
Peugeot Sport hun Peugeot 3008 DKR van TOTAL QUARTZ,
een hoogwaardig smeermiddel dat onder de meest extreme
omstandigheden de motor optimaal beschermt.
TOTAL QUARTZ beschermt uw motor tegen de tand des
tijds.
TOTAL QUARTZ Ineo First is een uiterst hoogwaardig
smeermiddel dat door de R&D-teams van Peugeot en Total
gezamenlijk is ontwikkeld. De innovatieve technologie van
deze speciaal voor Peugeot-motoren ontwikkelde motorolie
draagt in belangrijke mate bij tot het terugdringen van de CO2-
uitstoot en beschermt de motor effectief tegen vervuiling.
PEUGEOT & TOTAL
Termékspecifikációk
Márka: | Peugeot |
Kategória: | autó |
Modell: | 108 (2018) |
Szüksége van segítségre?
Ha segítségre van szüksége Peugeot 108 (2018), tegyen fel kérdést alább, és más felhasználók válaszolnak Önnek
Útmutatók autó Peugeot

27 Szeptember 2024

18 Szeptember 2024

10 Szeptember 2024

9 Szeptember 2024

2 Szeptember 2024

19 Augusztus 2024

8 Augusztus 2024

4 Augusztus 2024

3 Augusztus 2024

3 Augusztus 2024
Útmutatók autó
- autó Pioneer
- autó Kia
- autó Renault
- autó Citroën
- autó Honda
- autó Opel
- autó Volvo
- autó Toyota
- autó BMW
- autó Hyundai
- autó Mercedes-Benz
- autó Jeep
- autó Suzuki
- autó Ford
- autó Mazda
- autó Chrysler
- autó Fiat
- autó Volkswagen
- autó DS
- autó Chevrolet
- autó Skoda
- autó Audi
- autó Subaru
- autó Mitsubishi
- autó Seat
- autó Lexus
- autó Genesis
- autó Nissan
- autó Mercury
- autó Lancia
- autó Alfa Romeo
- autó Smart
- autó Audio-Technica
- autó MG
- autó Tesla
- autó Mini
- autó Dacia
- autó Rover
- autó Acme
- autó Saturn
- autó Land Rover
- autó Jaguar
- autó Dodge
- autó Polaris
- autó Maserati
- autó Saab
- autó Porsche
- autó Acura
- autó Vauxhall
- autó Infiniti
- autó GMC
- autó Buick
- autó Cadillac
- autó Pontiac
- autó Polestar
- autó RAM
- autó Scion
- autó Tata
- autó GEM
- autó VDL
- autó Sharper Image
- autó Abarth
- autó Lincoln
- autó Mahindra
- autó Chery
- autó Lada
- autó Aston Martin
- autó McLaren
Legújabb útmutatók autó

26 Március 2025

25 Március 2025

18 Március 2025

16 Január 2025

15 Január 2025

14 Január 2025

14 Január 2025

13 Január 2025

13 Január 2025

12 Január 2025