Használati útmutató BMW C 400 X (2020)

BMW Motor C 400 X (2020)

Olvassa el alább 📖 a magyar nyelvű használati útmutatót BMW C 400 X (2020) (296 oldal) a Motor kategóriában. Ezt az útmutatót 3 ember találta hasznosnak és 2 felhasználó értékelte átlagosan 4.5 csillagra

Oldal 1/296
HANDLEIDING
C 400 X
BMW
MOTORRAD
MAKE LIFE A RIDE
Voertuiggegevens
Model
Voertuigidentificatienummer
Kleurnummer
Afgiftedatum kentekenbewijs deel 1
Kenteken
Dealergegevens
Contactpersoon in de werkplaats
Mevrouw/de heer
Telefoonnummer
Dealeradres/telefoon (firmastempel)
UW BMW.
Wij zijn blij dat u voor een voertuig van BMW Motorrad hebt ge-
kozen en begroeten u in de kring van BMW rijders. Maakt u zich
vertrouwd met uw nieuwe voertuig, zodat u zich zeker en veilig
in het verkeer kunt bewegen.
Over deze handleiding
Lees deze handleiding door voordat u uw nieuwe BMW start.
Hierin vindt u belangrijke opmerkingen over de bediening van het
voertuig die het u mogelijk maken van alle technische voordelen
van uw BMW te profiteren.
Daarnaast ontvangt u informatie over het onderhoud en de ver-
zorging die de gebruiks- en verkeersveiligheid en een zo goed
mogelijk waardebehoud van uw voertuig bevordert.
Als u uw BMW ooit wilt verkopen, vergeet dan niet ook de hand-
leiding te overhandigen. Deze vormt een belangrijk onderdeel
van uw voertuig.
Veel plezier met uw BMW en een goede en veilige rit wordt u
toegewenst door
BMW Motorrad.
01 ALGEMENE
AANWIJZINGEN 2
Overzicht 4
Afkortingen en symbo-
len 4
Uitrusting 5
Technische gegevens 5
Actualiteit 6
Meer informatiebronnen 6
Certificaten en type-
goedkeuringen 6
Gegevensgeheugen 6
02 OVERZICHTEN 12
Totaalaanzicht links 14
Totaalaanzicht rechts 15
Onder de buddyseat 16
Combischakelaar links 17
Combischakelaar
rechts 18
Cockpit 19
Cockpit 20
Instrumentenpaneel 21
Instrumentenpaneel
met Connectivity 22
03 AANDUIDINGEN 24
Controle- en waarschu-
wingslampjes 26
Multifunctioneel
display 27
Controlelampjes 28
Onderhoudsmelding 37
Oliepeilaanduiding 38
Buitentemperatuur 39
Controle- en waarschu-
wingslampjes met Con-
nectivity 40
TFT-display in het
scherm Pure 41
TFT-display in het me-
nuscherm 42
Controlelampjes met
Connectivity 43
04 GEBRUIK 62
Contact- en stuurslot 64
Contact met Key-
less Ride 65
Noodstopschakelaar 69
Verlichting 70
Dagrijlicht 71
Alarmknipperlichten 75
Richtingaanwijzers 75
Multifunctioneel
display 76
SETUP 78
Algemene instellingen
op het multifunctioneel
display 81
Handvatverwarming 83
Buddyseatverwarming 84
Buddyseat 85
Opbergvakken 86
05 TFTDISPLAY 90
Algemene
aanwijzingen 92
Principe 93
Schermen Pure en Ur-
ban 99
Algemene instellingen 100
Boordcomputer 102
Bluetooth 103
Mijn voertuig 107
Navigatie 110
Media 112
Telefoon 113
Softwareversie weer-
geven 114
Licentie-informatie
weergeven 114
06 DIEFSTALBEVEILI-
GINGSINSTALLA-
TIE 116
Overzicht 118
Activering 118
Alarmfunctie 121
Deactivering 122
Programmering 123
07 INSTELLING 124
Spiegels 126
Koplamp 126
Veervoorspanning 126
08 RIJDEN 128
Veiligheidsaanwijzin-
gen 130
Controlelijst in acht
nemen 132
Starten 133
Rijden 135
Inrijden 135
Remmen 136
Scooter neerzetten 138
Tanken 138
Tanken 140
Variant 1 141
Variant 2 141
Tankdop noodont-
grendeling openen 142
Tankdop noodont-
grendeling sluiten 143
Voertuig voor trans-
port bevestigen 143
09 TECHNIEK IN
DETAIL 146
Algemene
aanwijzingen 148
Antiblokkeersysteem
ABS 148
Automatische stabili-
teitscontrole (ASC) 150
10 ONDERHOUD 152
Algemene
aanwijzingen 154
Standaard gereed-
schapsset 155
Voorwielstandaard 155
Motorolie 157
Remsysteem 158
Koelvloeistof 163
Banden 164
Velgen en banden 164
Wielen 165
Zekeringen 178
Lampen 180
Accu 180
Kuipdelen 186
Diagnosecontactdoos 188
11 ACCESSOIRES 190
Algemene
aanwijzingen 192
Contactdoos 192
USBlaadaansluiting 193
Topcase 194
Navigatiesysteem 196
12 VERZORGING 200
Onderhoudsmiddelen 202
Wassen 202
Reiniging kwetsbare
voertuigonderdelen 203
Lakonderhoud 204
Conservering 205
Scooter buiten ge-
bruik stellen 205
Scooter in gebruik
nemen 205
13 TECHNISCHE
GEGEVENS 206
Storingstabel 208
Boutverbindingen 211
Brandstof 213
Motorolie 213
Motor 214
Koppeling 214
Transmissie 214
Cardan 214
Frame 215
Rijwielgedeelte 215
Remmen 215
Wielen en banden 216
Elektrische installatie 217
Diefstalbeveiligings-
installatie 218
Keyless Ride 218
Maten 218
Gewichten 219
Rijgegevens 219
14 SERVICE 220
BMW Motorrad
Service 222
BMW Motorrad on-
derhoudshistorie 222
BMW Motorrad mo-
biliteitsdienst 223
Onderhoudswerk-
zaamheden 223
Onderhoudsschema 225
Onderhoudsbevesti-
gingen 226
Servicebevestigingen 243
BIJLAGE 246
Conformiteitsverkla-
ring voor elektroni-
sche wegrijbeveili-
ging 247
Certificaat voor elek-
tronische wegrijbe-
veiliging 253
Conformiteitsver-
klaring voor Key-
less Ride 255
Certificaat voor Key-
less Ride 260
Conformiteitsverkla-
ring voor diefstalbe-
veiligingsinstallatie 264
Conformiteitsverkla-
ring voor TFT-instru-
mentenpaneel 269
Certificaat voor TFT-
instrumentenpaneel 275
TREFWOORDENRE-
GISTER 278
ALGEMENE
AANWIJZINGEN
01
OVERZICHT 4
AFKORTINGEN EN SYMBOLEN 4
UITRUSTING 5
TECHNISCHE GEGEVENS 5
ACTUALITEIT 6
MEER INFORMATIEBRONNEN 6
CERTIFICATEN EN TYPEGOEDKEURINGEN 6
GEGEVENSGEHEUGEN 6
4 ALGEMENE AANWIJZINGEN
OVERZICHT
In hoofdstuk 2 van deze
handleiding vindt u een
overzicht van uw Scooter. In
hoofdstuk 14 worden alle
uitgevoerde onderhouds-
en reparatiewerkzaamheden
gedocumenteerd. Voor cou-
lanceregelingen is het absoluut
noodzakelijk dat kan worden
aangetoond dat de vereiste
onderhoudswerkzaamheden
zijn uitgevoerd.
Als u uw Scooter op een dag
wilt verkopen, denk er dan aan
om ook de handleiding mee
te geven aan de nieuwe eige-
naar; deze vormt namelijk een
belangrijk onderdeel van uw
motorvoertuig.
AFKORTINGEN EN SYMBO-
LEN
VOORZICHTIG Gevaar
met laag risico. Niet voor-
komen kan licht tot matig letsel
veroorzaken.
WAARSCHUWING Ge-
vaar met gemiddeld risico.
Niet voorkomen kan de dood
of ernstig letsel veroorzaken.
GEVAAR Gevaar met
hoog risico. Niet voor-
komen veroorzaakt de dood of
ernstig letsel.
ATTENTIE Bijzondere
aanwijzingen en veilig-
heidsmaatregelen. Niet opvol-
gen kan het voertuig of acces-
soires beschadigen en daarmee
tot uitsluiting van de garantie
leiden.
OPMERKING Speciale
aanwijzingen voor een be-
tere hantering bij bedienings,
controle- en afstelprocedures
alsmede onderhoudswerkzaam-
heden.
Werkinstructie.
Resultaat van een re-
paratieactiviteit.
Verwijst naar een pa-
gina met extra infor-
matie.
Geeft het einde van
accessoire- of uitrus-
tingsafhankelijke infor-
matie aan.
Aanhaalmoment.
Technische gegevens.
LU Landuitvoering.
5
SU Speciale uitrusting.
BMW Motorrad speci-
ale uitrustingen wor-
den al bij de productie
van de voertuigen in-
gebouwd.
OA Optionele accessoires.
BMW Motorrad
optionele accessoires
kunnen bij uw
BMW Motorrad
Partner worden
verkregen en achteraf
worden gemonteerd.
EWS Elektronische wegrij-
beveiliging.
DWA Diefstalbeveiligingsin-
stallatie.
ABS Antiblokkeersysteem.
ASC Automatische stabili-
teitsregeling.
CVT Continuously Variable
Transmission.
Versnellingsbak met
traploze overbrenging
UITRUSTING
Bij de aanschaf van uw Scooter
hebt u gekozen voor een model
met een individuele uitvoering.
Deze handleiding beschrijft alle
door BMW aangeboden spe-
ciale uitrustingen (SU) en op-
tionele accessoires (OA). Wij
vragen uw begrip voor het feit
dat er ook uitrustingsvarianten
worden beschreven die u mo-
gelijk niet hebt geselecteerd.
Tevens zijn landspecifieke af-
wijkingen van het afgebeelde
voertuig mogelijk.
Als uw Scooter uitvoeringen
bevat die niet in deze hand-
leiding staan beschreven, dan
kunt u deze in een aparte
handleiding vinden.
TECHNISCHE GEGEVENS
Alle gegevens t.a.v. maten, ge-
wichten en prestaties in de
handleiding hebben betrekking
op het Deutsches Institut für
Normung e. V. (DIN) en zijn in-
clusief de hierdoor gehanteerde
toleranties.
Technische gegevens en
specificatie in deze handleiding
dienen ter indicatie. De
voertuigspecifieke gegevens
kunnen daarvan afwijken, bijv.
op grond van geselecteerde
speciale uitrustingen, de
landuitvoering of landspecifieke
meetprocedures. Gedetail-
leerde waarden kunnen aan de
kentekenbewijsdocumenten
worden ontleend of bij uw
BMW Motorrad Partner of
een andere gekwalificeerde
servicepartner of een vakwerk-
6 ALGEMENE AANWIJZINGEN
plaats worden opgevraagd. De
specificaties in de voertuigpa-
pieren hebben steeds prioriteit
boven de specificaties in deze
handleiding.
ACTUALITEIT
Het hoge veiligheids- en kwa-
liteitsniveau van BMW Scoo-
ters wordt door een continue
doorontwikkeling van de con-
structie, uitrusting en acces-
soires gegarandeerd. Hierdoor
kunnen eventuele afwijkingen
tussen deze handleiding en uw
voertuig ontstaan. Ook vergis-
singen kan BMW Motorrad niet
helemaal uitsluiten. Daarom
verzoeken wij u er begrip voor
te hebben dat eventuele aan-
spraken op grond van de in
deze handleiding voorkomende
gegevens, afbeeldingen en be-
schrijvingen niet kunnen wor-
den aanvaard.
MEER
INFORMATIEBRONNEN
BMW Motorrad Partner
Bij eventuele vragen is uw
BMW Motorrad Partner u graag
van dienst.
Internet
U vindt de handleiding voor
uw voertuig, bedienings-
en inbouwhandleidingen
voor mogelijke accessoires
en algemene informatie
over BMW Motorrad, bijv.
over de techniek, op bmw-
motorrad.com/manuals.
CERTIFICATEN EN TYPE-
GOEDKEURINGEN
U vindt de certificaten voor het
voertuig en de officiële type-
goedkeuring voor mogelijke
accessoires op www.bmw-
motorrad.com/certification.
GEGEVENSGEHEUGEN
Algemeen
In het voertuig zijn regeleenhe-
den gemonteerd. Regeleenhe-
den verwerken gegevens die
ze bijv. ontvangen van voer-
tuigsensoren, zelf genereren
of onderling uitwisselen. Som-
mige regeleenheden zijn nodig
voor het veilig functioneren van
het voertuig of ondersteunen
bij het rijden, bijv. hulpsyste-
men. Daarenboven maken re-
geleenheden comfort- of Info-
tainmentfuncties mogelijk.
Informatie over opgeslagen of
uitgewisselde gegevens is ver-
krijgbaar bij de fabrikant van
7
het voertuig, bijv. via een af-
zonderlijke brochure.
Persoonsgebondenheid
Elk voertuig is voorzien van een
eenduidig voertuigidentifica-
tienummer. Landspecifiek kan
met behulp van het voertuigi-
dentificatienummer, het ken-
teken en de verantwoordelijke
autoriteiten de voertuigbezit-
ter worden bepaald. Bovendien
zijn er andere mogelijkheden
om uit de in het voertuig ver-
gaarde gegevens de berijder
of voertuigbezitter af te leiden,
bijv. via de ConnectedDrive ac-
count die wordt gebruikt.
Rechten m.b.t.
gegevensbeveiliging
Voertuiggebruikers hebben
conform het geldende recht
inzake gegevensbeveiliging be-
paalde rechten ten aanzien van
de fabrikant van het voertuig
of ten aanzien van onderne-
mingen die persoonsgebonden
gegevens vergaren of verwer-
ken.
Voertuiggebruikers hebben een
kosteloos en omvattend recht
op informatie ten aanzien van
instanties die persoonsgebon-
den gegevens over de voertuig-
gebruiker opslaan.
Deze instanties kunnen zijn:
Fabrikant van het voertuig
Gekwalificeerde servicepart-
ners
Vakwerkplaatsen
Serviceproviders
Voertuiggebruikers mogen vra-
gen om informatie welke per-
soonsgebonden gegevens zijn
opgeslagen, voor welk doel de
gegevens worden gebruikt en
waarvandaan de gegevens af-
komstig zijn. Voor het verkrij-
gen van deze informatie moet
een bewijs van houderschap of
gebruik worden overlegd.
Het recht op informatie om-
vat tevens informatie met be-
trekking tot gegevens die aan
andere ondernemingen of in-
stanties zijn doorgegeven.
Op de webpagina van de fa-
brikant van het voertuig vindt
u de telkens toepasselijke pri-
vacyverklaringen. Deze priva-
cyverklaringen bevatten infor-
matie over het recht op wissen
of corrigeren van gegevens.
De fabrikant van het voertuig
vermeldt op internet ook zijn
contactgegevens en die van de
toezichthouder voor gegevens-
bescherming.
De voertuigbezitter kan bij een
BMW Motorrad Partner of een
andere gekwalificeerde serv-
icepartner of een vakwerk-
8 ALGEMENE AANWIJZINGEN
plaats eventueel tegen betaling
de in het voertuig opgeslagen
gegevens laten uitlezen.
Voor het uitlezen wordt de
wettelijk voorgeschreven stek-
ker voor On-Board-Diagnose
(OBD) in het voertuig gebruikt.
Wettelijke vereisten inzake
de openbaarmaking van
gegevens
De fabrikant van het voertuig is
in het kader van het geldende
recht verplicht om bij hem op-
geslagen gegevens aan de au-
toriteiten beschikbaar te stel-
len. Dit beschikbaar stellen van
gegevens in de vereiste mate
gebeurt in specifieke gevallen,
bijv. voor het ophelderen van
een misdrijf.
Overheidsinstanties zijn in het
kader van het geldende recht
bevoegd om in specifieke ge-
vallen zelf gegevens uit het
voertuig uit te lezen.
Bedrijfsgegevens in het
voertuig
Voor het bedrijf van het voer-
tuig verwerken regeleenheden
gegevens.
Hiertoe behoren bijv.:
statusmeldingen van het voer-
tuig en de afzonderlijke com-
ponenten ervan, bijv. wiel-
toerental, wielsnelheid, bewe-
gingsvertraging
omgevingsfactoren, bijv. tem-
peratuur
De verwerkte gegevens worden
alleen in het voertuig zelf ver-
werkt en zijn doorgaans vluch-
tig. De gegevens worden niet
langer dan de bedrijfstijd opge-
slagen.
Elektronische componenten,
bijv. regeleenheden, bevatten
componenten voor het op-
slaan van technische informa-
tie. Deze kunnen informatie
over voertuigtoestand, com-
ponentbelasting, voorvallen of
storingen tijdelijk of permanent
opslaan.
Deze informatie documenteert
in het algemeen de toestand
van een component, een mo-
dule, een systeem of de omge-
ving, bijv.:
bedrijfstoestanden van sys-
teemcomponenten, bijv. vul-
peilen, bandenspanningswaar-
den
storingen en defecten in be-
langrijke systeemcomponen-
ten, bijv. licht en remmen
reacties van het voertuig in
speciale rijsituatie, bijv. active-
9
ren van de rijdynamieksyste-
men
informatie over voorvallen met
schade aan het voertuig
De gegevens zijn noodzakelijk
voor het uitvoeren van de re-
geleenheidfuncties. Bovendien
dienen deze voor het herken-
nen en het verhelpen van sto-
ringen en het optimaliseren van
voertuigfuncties door de fabri-
kant van het voertuig.
Deze gegevens zijn grotendeels
vluchtig en worden in het voer-
tuig zelf verwerkt. Slechts een
klein deel van de gegevens
wordt afhankelijk van de aan-
leiding opgeslagen in voorval-
of storingsgeheugens.
Bij een beroep op onderhouds-
activiteiten, bijv. reparaties, on-
derhoudsprocessen, garantie-
claims en kwaliteitsborgings-
maatregelen, kan deze techni-
sche informatie samen met het
voertuigidentificatienummer uit
het voertuig worden uitgelezen.
Het uitlezen van de informatie
kan door een BMW Motorrad
Partner of een andere gekwali-
ficeerde servicepartner of een
vakwerkplaats gebeuren. Voor
het uitlezen wordt de wettelijk
voorgeschreven stekker voor
On-Board-Diagnose (OBD) in
het voertuig gebruikt.
De gegevens worden door de
betreffende functionarissen
van het dealernetwerk ver-
gaard, verwerkt en gebruikt.
De gegevens documenteren
technische toestanden van het
voertuig, helpen bij het storing-
zoeken, het nakomen van ga-
rantieverplichtingen en bij de
kwaliteitsverbetering.
Daarenboven heeft de fabri-
kant productobservatieplichten
krachtens het productaanspra-
kelijkheidsrecht. Voor het na-
komen van deze plichten heeft
de fabrikant van het voertuig
technische gegevens uit het
voertuig nodig. De gegevens
uit het voertuig kunnen ook
worden gebruikt om garantie-
claims van de klant te controle-
ren.
Storings- en voorvalgeheugens
in het voertuig kunnen in het
kader van reparatie- of ser-
vicewerkzaamheden bij een
BMW Motorrad Partner of een
andere gekwalificeerde service-
partner of een vakwerkplaats
worden gereset.
Gegevensinvoer en
gegevensoverdracht in het
voertuig
Algemeen
Afhankelijk van de uitvoering
kunnen comfortinstellingen en
10 ALGEMENE AANWIJZINGEN
persoonlijke instellingen in het
voertuig worden opgeslagen en
te allen tijde worden gewijzigd
of gereset.
Hiertoe behoren bijv.:
Instellingen van de wind-
schermstand
Onderstelinstelling
Gegevens kunnen evt. in het
entertainment- en communi-
catiesysteem van het voertuig
worden ingevoerd, bijv. via een
smartphone.
Daartoe behoren afhankelijk
van de betreffende uitvoering:
Multimediagegevens, zoals
muziek voor afspelen
Adresboekgegevens voor ge-
bruik in combinatie met een
communicatiesysteem of een
geïntegreerd navigatiesys-
teem
Ingevoerde navigatiebestem-
mingen
Gegevens m.b.t. het gebruik
van internetservices. Deze
gegevens kunnen lokaal in
het voertuig worden opgesla-
gen, of ze staan op een ap-
paraat dat met het voertuig is
verbonden, bijv. smartphone,
USB-stick, MP3-speler. Als
deze gegevens in het voertuig
worden opgeslagen, kunnen
deze te allen tijde worden ge-
wist.
Deze gegevens worden uitslui-
tend op persoonlijke wens in
het kader van het gebruik van
onlinediensten doorgegeven
aan derden. Dit is afhankelijk
van de geselecteerde instel-
lingen bij het gebruik van de
diensten.
Integratie van mobiele eind-
apparaten
Afhankelijk van de uitvoering
kunnen met het voertuig ver-
bonden mobiele eindappara-
ten, bijv. smartphones, via de
bedieningselementen van het
voertuig worden aangestuurd.
Daarbij kunnen beeld en ge-
luid van het mobiele eindappa-
raat via het multimediasysteem
worden uitgevoerd. Tegelijker-
tijd wordt er bepaalde infor-
matie aan het mobiele eindap-
paraat overgedragen. Afhan-
kelijk van het soort integratie
behoren daartoe bijv. positie-
gegevens en andere algemene
voertuiginformatie. Dit maakt
het optimaal gebruiken van ge-
selecteerde apps mogelijk, bijv.
voor navigatie of het afspelen
van muziek.
Het soort verdere gegevensver-
werking wordt bepaald door de
provider van de desbetreffende
gebruikte app. De omvang van
de mogelijke instellingen hangt
11
af van de betreffende app en
het besturingssysteem van het
mobiele eindapparaat.
Diensten
Algemeen
Als het voertuig een draadloze
verbinding heeft, maakt deze
het uitwisselen van gegevens
tussen het voertuig en andere
systemen mogelijk. De draad-
loze verbinding wordt mogelijk
gemaakt door een zend- en
ontvangstmodule in het voer-
tuig zelf of via persoonlijk in-
gebrachte mobiele eindappa-
raten, bijv. smartphones. Via
deze draadloze verbinding kun-
nen zogenaamde onlinefuncties
worden gebruikt. Dit zijn onder
meer onlinediensten en apps
van de fabrikant van het voer-
tuig of van andere providers.
Diensten van de voertuigfa-
brikant
Bij onlinediensten van de fa-
brikant van het voertuig wor-
den de betreffende functies
beschreven in de betreffende
bron, bijv. handleiding, webpa-
gina van de fabrikant. Deze be-
vat ook de relevante informatie
over rechten m.b.t. gegevens-
beveiliging. Voor het verlenen
van onlinediensten kunne per-
soonsgebonden gegevens wor-
den gebruikt. Gegevens wor-
den uitgewisseld via een veilige
verbinding, bijv. met de daar-
voor bedoelde IT-systemen van
de fabrikant van het voertuig.
Het vergaren, verwerken en ge-
bruiken van persoonsgebon-
den gegevens tot verder dan
het verlenen van diensten ge-
beurt uitsluitend op basis van
een wettelijk toestemming,
een contractuele afspraak of op
grond van een inwilliging. Het
is ook mogelijk om de gehele
gegevensverbinding te laten
activeren of deactiveren. De
wettelijk voorgeschreven func-
ties zijn hiervan uitgesloten.
Diensten van andere provi-
ders
Bij het gebruik van onlinedien-
sten van andere providers val-
len deze diensten onder de ver-
antwoordelijkheid en de gege-
vensbeveiligings- en gebruiks-
voorwaarden van de betref-
fende provider. De fabrikant
van het voertuig heeft geen
invloed op de daarbij uitge-
wisselde content. Informatie
over het soort, de omvang en
het doel van het vergaren en
gebruiken van persoonsgebon-
den gegevens in het kader van
diensten van derden kan wor-
den opgevraagd bij de betref-
fende provider.
OVERZICHTEN
02
TOTAALAANZICHT LINKS 14
TOTAALAANZICHT RECHTS 15
ONDER DE BUDDYSEAT 16
COMBISCHAKELAAR LINKS 17
COMBISCHAKELAAR RECHTS 18
COCKPIT 19
COCKPIT 20
INSTRUMENTENPANEEL 21
INSTRUMENTENPANEEL MET CONNECTIVITY 22
14 OVERZICHTEN
TOTAALAANZICHT LINKS
1Remvloeistofreservoir
voor de achterwielrem
( 162)
2Onder het accudeksel:
Accu ( 180)
Zekeringen ( 178)
Diagnosestekker ( 188)
3Instelling van de veervoor-
spanning ( 126)
4Benzinevulopening
( 138) ( 140)
5Koelvloeistofexpansiere-
servoir (onder kuipzijdeel
links) ( 163)
15
TOTAALAANZICHT RECHTS
1Remvloeistofreservoir voor
de voorwielrem ( 161)
2Koelvloeistofniveauaandui-
ding ( 163)
3Typeplaatje (op de frame-
buis rechts)
Voertuigidentificatienum-
mer (op de framebuis
rechts)
4Olievulopening en oliepeil-
staaf ( 157)
5Noodontgrendeling voor
buddyseat
Buddyseat bedienen
( 85).
16 OVERZICHTEN
ONDER DE BUDDYSEAT
1Handleiding
2Boordgereedschap
( 155)
3Tabel met laadvermogens
Bandenspanningstabel
Aanwijzing voor het ge-
bruik van accessoires
4Ontgrendeling BMW flex-
case ( 87)
17
COMBISCHAKELAAR LINKS
1Grootlicht en lichtsignaal
( 70)
2Alarmknipperlichten
( 75)
3Richtingaanwijzers
( 75)
4Claxon
5Tuimeltoets MENU
Weergaven selecteren.
( 76)
SETUP oproepen. ( 78)
TFT-display bedienen.
( 93)
6Multi-Controller
Bedieningselementen
( 93)
7Dagrijlicht
met dagrijlicht SU
Automatisch dagrijlicht
( 71).
18 OVERZICHTEN
COMBISCHAKELAAR RECHTS
1met handvatverwarmin-
gen SU
Handvatverwarming bedie-
nen ( 83).
Handvatverwarming
2met buddyseatverwar-
ming SU
Buddyseatverwarming be-
dienen ( 84).
Buddyseatverwarming
3Nooduitschakelingsschake-
laar ( 69)
4Startknop ( 133)
19
COCKPIT
zonder Keyless Ride SU
1Contact- en stuurslot
( 64)
2Ontgrendeling opbergvak
rechts ( 86)
3Opbergvak rechts ( 86)
Contactdoos (in het op-
bergvak) ( 192)
USB-oplaadbus (in het op-
bergvak) ( 193)
4Ontgrendeling van buddy-
seat ( 85)
5Opbergvak links ( 86)
6Ontgrendeling opbergvak
links ( 86)
20 OVERZICHTEN
COCKPIT
met Keyless Ride SU
1 Besturingseenheid voor
Keyless Ride ( 65)
2 Ontgrendeling opbergvak
rechts ( 86)
3 Opbergvak rechts ( 86)
Contactdoos (in het op-
bergvak) ( 192)
USB-oplaadbus (in het op-
bergvak) ( 193)
4 Ontgrendeling van buddy-
seat ( 85)
5 Opbergvak links ( 86)
6 Ontgrendeling opbergvak
links ( 86)
21
INSTRUMENTENPANEEL
zonder Connectivity SU
1Snelheidsmeter
2Controle- en waarschu-
wingslampjes
3Multifunctioneel display
22 OVERZICHTEN
INSTRUMENTENPANEEL MET CONNECTIVITY
met Connectivity SU
1Controle- en waarschu-
wingslampjes met Con-
nectivity ( 40)
2TFT-display ( 41)
( 42)
3DWA-lichtdiode
met alarmsysteem
(DWA) SU
Alarmsignaal ( 121)
met Keyless Ride SU
Controlelampje voor de
radiografische sleutel
Contact inschakelen
( 66).
4Fotosensor (voor de aan-
passing van de helderheid
van het instrumentenpa-
neel)
23
AANDUIDINGEN
03
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES 26
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY 27
CONTROLELAMPJES 28
ONDERHOUDSMELDING 37
OLIEPEILAANDUIDING 38
BUITENTEMPERATUUR 39
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES MET
CONNECTIVITY 40
TFT-DISPLAY IN HET SCHERM PURE 41
TFT-DISPLAY IN HET MENUSCHERM 42
CONTROLELAMPJES MET CONNECTIVITY 43
26 AANDUIDINGEN
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES
1Richtingaanwijzers links
( 75)
2Brandstofreserve ( 37)
3Grootlicht ( 70)
4Algemeen waarschuwings-
lampje ( 28)
5Richtingaanwijzer rechts
( 75)
6DWA-lichtdiode ( 121)
7- met verstraler OA
Verstraler
8ASC ( 35)
9Dagrijlicht ( 71)
10
ABS ( 35)
11
- met EU-markten-ex-
port LU
Waarschuwingslampje
storing aandrijfsysteem
( 33)
27
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
1Klok ( 79)
2Hoeveel benzine in de tank
3Waarschuwingssymbolen
( 28)
4Tekstveld voor waar-
schuwingsaanwijzingen
( 28)
5Ingestelde verwarmings-
stand ( 83)
6Ingestelde verwarmings-
stand ( 84)
7Dagteller ( 77)
Onderhoudsmelding
( 37)
8Weergaven van de boord-
computer ( 76)
9Waarschuwing buitentem-
peratuur ( 39)
10
BMW Flexcase ( 87)
11
Dagrijlicht-automaat
( 72)
28 AANDUIDINGEN
CONTROLELAMPJES
Weergave
Waarschuwingen worden door
het betreffende waarschu-
wingslampje weergegeven.
Waarschuwingen waarvoor
geen afzonderlijk waarschu-
wingslampje beschikbaar is,
worden door het algemene
waarschuwingslampje in1
combinatie met een waarschu-
wingsindicatie op positie 2
zoals of een waar-LAMPF!
schuwingssymbool op het3
multifunctionele display weer-
gegeven.
Afhankelijk van de ernst van de
waarschuwing gaat het alge-
mene waarschuwingslampje
rood of geel branden.
Als er meer waarschuwingen
tegelijk van kracht zijn, wor-
den alle betreffende waarschu-
wingslampjes en -symbolen
getoond en worden de waar-
schuwingsaanwijzingen steeds
na elkaar weergegeven.
Een overzicht van de mogelijke
waarschuwingen vindt u op de
volgende pagina's.
29
Overzicht waarschuwingsindicaties
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
wordt weergege-
ven.
Waarschuwing
buitentempera-
tuur ( 31)
brandt
geel.
wordt weergege-
ven.
EWS actief
( 31)
brandt
geel.
wordt weergege-
ven.
Radiografische
sleutel buiten het
ontvangstgebied
( 31)
brandt
rood.
wordt weergege-
ven.
Koelvloeistoftem-
peratuur te hoog
( 32)
brandt
geel.
wordt weergege-
ven.
Motoroliepeil te
laag ( 32)
OIL CHECK wordt
weergegeven.
brandt
geel.
wordt weergege-
ven.
Motor in
noodloopfunctie
( 32)
brandt. Storing aandrijf-
systeem ( 33)
knippert
geel.
knippert. Ernstige storing
aandrijfsysteem
( 33)
knippert.
brandt
geel.
knippert. Ernstige storing in
de motorregeling
( 34)
30 AANDUIDINGEN
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
brandt
geel.
LAMPF! LAMPR!,
of wordtLAMPS!
weergegeven.
Lampstoring
( 34)
knippert. ABS-zelfdiagnose
niet beëindigd
( 35)
brandt. ABS-storing
( 35)
knippert
snel.
ASC-Ingreep
( 35)
knippert
langzaam.
ASC-Zelfdiagnose
niet beëindigd
( 35)
brandt. ASC-storing
( 36)
brandt
geel.
wordt weergege-
ven.
BMW flexcase
geopend ( 36)
DWALO! wordt
weergegeven.
DWA-accu zwak
( 36)
brandt
geel.
DWALO! wordt
weergegeven.
DWA-accu leeg
( 36)
brandt
rood.
wordt weergege-
ven.
Acculaadstroom
onvoldoende
( 36)
brandt. Benzinereserve
bereikt ( 37)
31
Waarschuwing
buitentemperatuur
wordt weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De bij het voertuig gemeten
buitentemperatuur is lager dan
3 °C.
WAARSCHUWING
Gevaar op ijzel ook boven
3 °C
Gevaar voor ongevallen
Bij lage buitentemperaturen
moet op bruggen en scha-
duwrijke wegen rekening
worden gehouden met glad-
heid.
Vooruitziend rijden.
EWS actief
brandt geel.
wordt weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De gebruikte contactsleutel is
niet bevoegd als startsleutel of
de communicatie tussen sleutel
en motorelektronica heeft een
storing.
Andere contactsleutels die
aan de sleutelhanger zijn be-
vestigd verwijderen.
De tweede contactsleutel ge-
bruiken.
Defecte contactsleu-
tel bij voorkeur bij een
BMW Motorrad Partner laten
vervangen.
Radiografische sleutel buiten
het ontvangstgebied
met Keyless Ride SU
brandt geel.
wordt weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
Er is sprake van een storing in
de communicatie tussen de
radiografische sleutel en de
motorelektronica.
Batterij in de radiografische
sleutel controleren.
met Keyless Ride SU
Batterij van de radiografische
sleutel vervangen ( 68).
Voor de verdere rit de reser-
vesleutel gebruiken.
met Keyless Ride SU
Batterij van radiografische
sleutel is leeg of verlies van
de radiografische sleutel
( 68).
Blijf rustig als tijdens het rij-
den het waarschuwingssym-
bool verschijnt. U kunt verder
rijden, de motor wordt niet
uitgeschakeld.
32 AANDUIDINGEN
Defecte radiografische sleu-
tel door een BMW Motorrad
partner laten vervangen.
Koelvloeistoftemperatuur te
hoog
brandt rood.
wordt weergegeven.
LET OP
Rijden met oververhitte mo-
tor
Motorschade
Beslist de hieronder ver-
melde punten in acht ne-
men.
Mogelijke oorzaak:
Koelvloeistofpeil te laag.
Koelvloeistofpeil controleren
( 163).
Als het koelvloeistofpeil te laag
is:
Koelsysteem door een specia-
list laten controleren, bij voor-
keur door een BMW Motorrad
Partner.
Mogelijke oorzaak:
De koelmiddel- of motorolie-
temperatuur is te hoog.
Zo mogelijk de motor in deel-
last laten draaien om hem af
te koelen.
Als de koelvloeistof- of motor-
olietemperatuur vaker te hoog
is, de storing zo snel moge-
lijk laten verhelpen door een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Motoroliepeil te laag
brandt geel.
wordt weergegeven.
OIL CHECK wordt weergege-
ven.
Mogelijke oorzaak:
De elektronische oliepeilsensor
heeft een te laag oliepeil ge-
constateerd. Bij de volgende
tankstop het motoroliepeil met
de oliepeilstaaf controleren:
Motoroliepeil controleren
( 157).
Bij een te laag oliepeil:
Motorolie bijvullen.
Motor in noodloopfunctie
brandt geel.
wordt weergegeven.
33
WAARSCHUWING
Ongebruikelijk rijgedrag
tijdens de noodfunctie van
de motor
Gevaar voor ongevallen
Sterk accelereren en inhaal-
manoeuvres vermijden.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing geregistreerd. De
motor bevindt zich in de nood-
loopfunctie.
Verder rijden mogelijk, het
motorvermogen staat ech-
ter niet zoals gewend ter be-
schikking.
Als de uitstoot van schadelijke
stoffen de voorgeschreven
waarden overschrijdt, brandt
ook het waarschuwingslampje
storing aandrijfsysteem.
In uitzonderingsgevallen slaat
de motor af en kan niet meer
worden gestart.
De storing zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Storing aandrijfsysteem
brandt.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing geregistreerd.
Zodra het mogelijk is, sto-
ring door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Verder rijde mogelijk, de uit-
stoot van schadelijke stoffen
ligt boven de voorgeschreven
waarden.
Ernstige storing
aandrijfsysteem
knippert geel.
knippert.
knippert.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing vastgesteld die tot
ernstige beschadiging van het
uitlaatsysteem kan leiden.
De storing zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Het is mogelijk verder te rij-
den, maar dit is niet aan te
raden.
34 AANDUIDINGEN
Ernstige storing in de
motorregeling
brandt geel.
knippert.
WAARSCHUWING
Beschadiging van de motor
tijdens noodfunctie
Gevaar voor ongevallen
Langzaam rijden, sterk acce-
lereren en inhaalmanoeuvres
vermijden.
Indien mogelijk, voertuig la-
ten ophalen en storingen
door een specialist laten ver-
helpen, het liefst door een
BMW Motorrad Partner.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing vastgesteld die ern-
stige gevolgstoringen kan ver-
oorzaken. De motor bevindt
zich in de noodloopfunctie.
Hoge belastingen en toeren-
tallen zo mogelijk vermijden.
De storing zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Het is mogelijk verder te rij-
den, maar dit is niet aan te
raden.
Lampstoring
brandt geel.
LAMP! wordt weergegeven:
LAMPF!: Dimlicht, grootlicht,
stadslicht of richtingaanwijzer
voor defect.
met dagrijlicht SU
LAMPF!: Extra: Dagrijlicht
defect.
LAMPR!: Remlicht, achter-
licht, richtingaanwijzer achter
of kentekenplaatlicht defect.
LAMPS!: Meerdere lampen
defect.
WAARSCHUWING
De motorfiets wordt niet
gezien in het wegverkeer
door uitvallen van de ver-
lichting van de motorfiets
Veiligheidsrisico
Defecte lampen zo snel mo-
gelijk vervangen; bij voor-
keur altijd een set geschikte
reservelampen meenemen.
Mogelijke oorzaak:
Lamp defect.
Door middel van een visuele
controle nagaan welke lamp
defect is.
LED-lampen compleet la-
ten vervangen. Daartoe con-
tact opnemen met een vak-
35
werkplaats, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
ABS-zelfdiagnose niet
beëindigd
knippert.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-zelfdiagnose is niet be-
ëindigd, de ABS-functie is nog
niet beschikbaar. Om de ABS-
zelfdiagnose te kunnen afslui-
ten, moet de Scooter minstens
5 km/h rijden.
Langzaam wegrijden. Houd er
rekening mee dat tot het af-
sluiten van de zelfdiagnose de
ABS-functie niet beschikbaar
is.
ABS-storing
brandt.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-regeleenheid heeft een
storing opgemerkt. De ABS-
functie is niet beschikbaar.
Verder rijden is mogelijk, re-
kening houdende met de uit-
gevallen ABS-werking. Uit-
gebreide informatie in acht
nemen over situaties die tot
een ABS-storing kunnen lei-
den ( 149).
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
ASC-Ingreep
knippert snel.
De ASC heeft een instabiliteit
van het achterwiel herkend en
vermindert het koppel. Het
ASCwaarschuwingslampje
knippert langer dan de ASC-
ingreep duurt. Daarmee heeft
de berijder ook na de kritieke
rijsituatie nog een optische be-
vestiging van de uitgevoerde
regeling.
ASC-Zelfdiagnose niet
beëindigd
knippert langzaam.
Mogelijke oorzaak:
ASC-zelfdiagnose niet
voltooid
Voor de test van de wiel-
toerentalsensoren moet de
Scooter een minimumsnel-
heid met draaiende motor
bereiken:
min 5 km/h
Langzaam wegrijden. Houd
er rekening mee dat tot het
afsluiten van de zelfdiagnose
de ASC niet beschikbaar is.
36 AANDUIDINGEN
ASC-storing
brandt.
Mogelijke oorzaak:
De ASC-regeleenheid heeft een
storing opgemerkt.
Verder rijden mogelijk. Houd
er rekening mee dat de ASC
niet ter beschikking staat. Uit-
gebreide informatie in acht
nemen over situaties die tot
een ASC-storing kunnen lei-
den ( 150).
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
BMW flexcase geopend
brandt geel.
wordt weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De BMW flexcase is geopend.
BMW flexcase sluiten.
BMW flexcase bedienen
( 87).
DWA-accu zwak
met alarmsysteem (DWA) SU
DWALO! wordt weergegeven.
Deze storingsmelding
wordt gedurende korte
tijd alleen aansluitend op de
Pre-Ride-Check weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De DWA-accu heeft niet meer
zijn volledige capaciteit. De
werking van de DWA is bij een
losgekoppelde voertuigaccu
nog slechts beperkte tijd ge-
waarborgd.
Neem contact op met een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad dealer.
DWA-accu leeg
met alarmsysteem (DWA) SU
brandt geel.
DWALO! wordt weergegeven.
Deze storingsmelding
wordt gedurende korte
tijd alleen aansluitend op de
Pre-Ride-Check weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De DWA-accu heeft geen ca-
paciteit meer. De werking van
de DWA is bij een losgenomen
voertuigaccu niet meer gewaar-
borgd.
Neem contact op met een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad dealer.
Acculaadstroom onvoldoende
brandt rood.
wordt weergegeven.
37
WAARSCHUWING
Uitval van de voertuigsyste-
men
Gevaar voor ongevallen
Niet verder rijden.
De accu wordt niet geladen.
Bij verder rijden ontlaadt de
voertuigelektronica de accu.
Mogelijke oorzaak:
Dynamo of aandrijving van de
dynamo defect.
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Benzinereserve bereikt
brandt.
WAARSCHUWING
Onregelmatig draaien, of
uitschakeling van de motor
vanwege brandstofgebrek
Gevaar voor ongevallen, be-
schadiging van de katalysator
De benzinetank niet leegrij-
den.
Mogelijke oorzaak:
In de benzinetank bevindt ten
hoogste nog de reservevoor-
raad benzine.
Reservehoeveelheid
Circa 3 l
zonder Keyless Ride SU
Tanken ( 138).
met Keyless Ride SU
Tanken ( 140).
ONDERHOUDSMELDING
Als de servicebeurt binnen
één maand moet worden
uitgevoerd, worden de
melding en deSERVT! 1
servicedatum weergegeven.2
De melding verschijnt korte tijd
na de Pre-Ride-Check.
38 AANDUIDINGEN
Als de servicebeurt binnen
1000 kilometer moet worden
uitgevoerd, worden de mel-
ding en de reste-SERVD! 3
rende afstand weergegeven4
en in stappen van 100 kilo-
meter afgeteld. De melding
verschijnt korte tijd na de Pre-
Ride-Check.
Als de servicetermijn is
overschreden, gaat naast
de datum resp. de kilometer-
stand ook het algemene waar-
schuwingslampje geel bran-
den. De meldingen SERVD!
of worden permanentSERVT!
weergegeven.
Als de onderhoudsmel-
ding al meer dan één
maand voor de onderhouds-
datum wordt weergegeven,
dan moet de actuele datum op-
nieuw worden ingesteld. Deze
situatie kan zich voordoen wan-
neer de accu losgekoppeld is
geweest.
OLIEPEILAANDUIDING
De oliepeilaanwijzing geeft1
informatie over het oliepeil in
de motor. Deze kan alleen wor-
den opgeroepen als de motor-
fiets stilstaat.
Voor de oliepeilcontrole moet
aan de volgende voorwaarden
zijn voldaan:
Motor op bedrijfstemperatuur.
Motor draait minimaal tien
seconden stationair.
Zijstandaard ingeklapt.
Scooter staat rechtop.
De mogelijke weergave op de
posities en betekenen:1 2
OILLVL OK: oliepeil correct.
OILLVL CHECK: bij de vol-
gende tankstop het oliepeil
controleren.
OILLVL -- -- --: geen me-
ting mogelijk (niet aan ge-
noemde voorwaarden voldaan).
Als het oliepeil te laag
is, wordt het betreffende
39
waarschuwingssymbool weer-
gegeven.
BUITENTEMPERATUUR
Als de buitentemperatuur
onder de 3 °C daalt, dan
verschijnt de temperatuurweer-
gave als waarschuwing voor
mogelijke gladheid door ijs-
vorming. De eerste keer dat
de temperatuur beneden deze
waarde daalt, wordt ongeacht
de display-instelling automa-
tisch op de temperatuurweer-
gave overgeschakeld.
40 AANDUIDINGEN
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES MET CONNEC-
TIVITY
met Connectivity SU
1Richtingaanwijzers links
( 75)
2Grootlicht ( 70)
3Algemeen waarschuwings-
lampje ( 43)
4Richtingaanwijzer rechts
( 75)
5Waarschuwingslampje sto-
ring aandrijfsysteem
Storing aandrijfsysteem
( 55)
6ASC ( 35)
7ABS ( 35)
8met dagrijlicht SU
Handmatig dagrijlicht
( 73).
9- met verstraler OA
Verstraler
41
TFT-DISPLAY IN HET SCHERM PURE
met Connectivity SU
1Bedieningsfocus wijzigen
( 97)
2Snelheidsmeter
3Statusregel bestuurdersin-
formatie ( 98)
4Speed Limit Info ( 99)
5Klok ( 101)
6Verbindingsstatus
( 104)
7Demping ( 100)
8Bedieningshulp
9Ingestelde verwarmings-
stand buddyseatverwar-
ming ( 84)
10
Ingestelde verwarmings-
stand handvatverwarming
( 83)
11
Waarschuwing buitentem-
peratuur ( 50)
12
Buitentemperatuur
42 AANDUIDINGEN
TFT-DISPLAY IN HET MENUSCHERM
met Connectivity SU
1Menugedeelte
2Snelheidsmeter
3Speed Limit Info ( 99)
4Statusregel bestuurdersin-
formatie ( 98)
5Klok
Klok instellen ( 101).
6Verbindingsstatus
Bluetooth-koppeling uit-
voeren ( 104).
7Demping ( 100)
8Bedieningshulp
9Ingestelde verwarmings-
stand buddyseatverwar-
ming ( 84)
10
Ingestelde verwarmings-
stand handvatverwarming
( 83)
11
Waarschuwing buitentem-
peratuur ( 50)
12
Buitentemperatuur
43
CONTROLELAMPJES MET
CONNECTIVITY
Weergave
Waarschuwingen worden door
het betreffende waarschu-
wingslampje weergegeven.
Waarschuwingen worden door
middel van het algemene waar-
schuwingslampje in combina-
tie met een dialoogveld op het
TFT-display weergegeven. Af-
hankelijk van de ernst van de
waarschuwing gaat het alge-
mene waarschuwingslampje
rood of geel branden.
De algemene waarschu-
wingslamp wordt afhan-
kelijk van de waarschuwing
met de hoogste prioriteit weer-
gegeven.
Een overzicht van de mogelijke
waarschuwingen vindt u op de
volgende pagina's.
Check-Control-display
De meldingen op het display
zien er verschillend uit. Afhan-
kelijk van de prioriteit worden
er verschillende kleuren en te-
kens gebruikt:
Groene CHECK OK : Geen1
melding, waarden optimaal.
Witte cirkel met kleine letter
"i" : Informatie.2
Gele gevarendriehoek :3
Waarschuwingsmelding,
waarde niet optimaal.
Rode gevarendriehoek :3
Waarschuwingsmelding,
waarde kritisch
44 AANDUIDINGEN
Weergave van waarden
De symbolen zien er ver-4
schillend uit. Afhankelijk van
de beoordeling worden er ver-
schillende kleuren gebruikt. In
plaats van numerieke waar-
den met eenheden wor-7 8
den er ook teksten weerge-6
geven:
Kleur van het symbool
Groen: (OK) Huidige waarde
is optimaal.
Blauw: (Cold!) Huidige tem-
peratuur is te laag.
Geel: (Low! / High!) Huidige
waarde is te laag of te hoog.
Rood: (Hot! / High!) Huidige
temperatuur of waarde is te
hoog.
Wit: (---) Er is geen geldige
waarde aanwezig. In plaats
van de waarde worden er
streepjes weergegeven.5
De beoordeling van de
afzonderlijke waarden is
deels pas vanaf een bepaalde
ritduur of snelheid mogelijk.
Als een meetwaarde nog niet
weergegeven kan worden, om-
dat niet aan de voorwaarden
voor de meting is voldaan, wor-
den in plaats daarvan streepjes
weergegeven. Zolang er geen
geldige meetwaarde beschik-
baar is, volgt er ook geen be-
oordeling in de vorm van een
gekleurd symbool.
Check-Control-dialoogveld
Meldingen worden als Check-
Control-dialoogveld weerge-1
geven.
Als er meerdere Check-Con-
trol-meldingen met dezelfde
prioriteit aanwezig zijn, wis-
selen de meldingen elkaar op
volgorde van optreden af tot
ze worden bevestigd.
Als het symbool actief2
wordt weergegeven, kan de
melding worden bevestigd
door de Multi-Controller naar
links te drukken.
Check-Control-meldingen
worden dynamisch als extra
45
tabbladen aan de pagina's in
het menu toe-Mijn Motor
gevoegd ( 95). Zo lang de
storing aanwezig is, kan de
melding opnieuw worden op-
geroepen.
46 AANDUIDINGEN
Overzicht waarschuwingsindicaties
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
wordt weergege-
ven.
Waarschuwing
buitentempera-
tuur ( 50)
brandt
geel.
Radiog. sleu-
tel niet in be-
reik.
Radiografische
sleutel buiten het
ontvangstgebied
( 50)
brandt
geel.
Batt. radiogr.
sl. bij 50%.
Batterij van de
radiografische
sleutel vervangen
( 51)
Batt. radiogr.
sl. bijna leeg.
wordt geel weerge-
geven.
Boordnetspanning
te laag ( 51)
Boordnetspan-
ning laag.
brandt
rood.
wordt rood weerge-
geven.
Boordnetspanning
kritisch ( 51)
Boordnetspan-
ning kritiek!
brandt
rood.
wordt rood weerge-
geven.
Laadspanning kri-
tisch ( 52)
Accuspanning
kritiek!
brandt
geel.
De defecte lamp
wordt weergege-
ven.
Lampstoring
( 52)
DWA-accucapa-
citeit zwak.
DWA-accu zwak
( 53)
DWA-accu ont-
laden.
DWA-accu leeg
( 53)
47
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
Motoroliepeil.
Motoroliepeil
nagaan.
Motoroliepeil te
laag ( 54)
brandt
rood.
Koelvloeistof-
temp. te hoog!
Koelvloeistoftem-
peratuur te hoog
( 54)
brandt. Motor! Storing aandrijf-
systeem ( 55)
knippert
rood.
Ernstige storing
aandrijfsysteem
( 55)
knippert.
brandt
geel.
Geen communi-
catie met mo-
torregeling.
Motorregeling uit-
gevallen ( 56)
brandt
geel.
Storing in de
motorregeling.
Motor in
noodloopfunctie
( 56)
knippert
geel.
Ernstige sto-
ring in de mo-
torregeling!
Ernstige storing in
de motorregeling
( 56)
Bewaking zij-
standaard de-
fect.
Zijstandaardbe-
waking defect
( 57)
knippert. ABS-zelfdiagnose
niet beëindigd
( 35)
brandt
geel.
ABS beperkt be-
schikbaar!
ABS-storing
( 57)
brandt.
48 AANDUIDINGEN
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
brandt
geel.
ABS uitgeval-
len!
ABS uitgevallen
( 58)
brandt.
knippert
snel.
ASC-Ingreep
( 35)
knippert
langzaam.
ASC-Zelfdiagnose
niet beëindigd
( 35)
brandt. Tractierege-
ling uitgeval-
len!
ASC-storing
( 59)
Motorst. niet
mogel. BMW
flexcase open.
BMW flexcase
sluiten.
BMW flexcase
geopend ( 59)
Tankreserve
bereikt. Met-
een naar tank-
station rijden.
Benzinereserve
bereikt ( 59)
knippert
groen.
Alarmknipperlich-
ten ingeschakeld
( 59)
knippert
groen.
wordt wit weerge-
geven.
Onderhoud nodig
( 60)
Onderhoud no-
dig!
brandt
geel.
wordt geel weerge-
geven.
Onderhoudsaf-
spraak overschre-
den ( 60)
49
Controle- en
waarschuwings-
lampjes
Meldingtekst Betekenis
Onderhoud te
laat!
Onderhoudsaf-
spraak overschre-
den ( 60)
50 AANDUIDINGEN
Buitentemperatuur
De buitentemperatuur wordt
op de statusregel van het TFT-
display weergegeven.
Als het voertuig stilstaat kan
de warmte van de motor de
meting van de omgevingstem-
peratuur beïnvloeden. Als de
invloed van de motorwarmte te
groot wordt, verschijnen er tij-
delijk streepjes in plaats van de
waarde.
Als de buitentemperatuur
tot onder de volgende
grenswaarde zakt, is er gevaar
voor ijzelvorming.
Grenswaarde voor de
buitentemperatuur
Circa 3 °C
Bij het eerste dalen tot onder
deze temperatuur knippert de
buitenthermometer met het
ijskristalsymbool op de status-
regel van het TFT-display.
Waarschuwing
buitentemperatuur
wordt weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De bij het voertuig gemeten
buitentemperatuur is lager dan
3 °C.
WAARSCHUWING
Gevaar op ijzel ook boven
3 °C
Gevaar voor ongevallen
Bij lage buitentemperaturen
moet op bruggen en scha-
duwrijke wegen rekening
worden gehouden met glad-
heid.
Vooruitziend rijden.
Radiografische sleutel buiten
het ontvangstgebied
met Keyless Ride SU
brandt geel.
Radiog. sleutel
niet in bereik.
Contact opnieuw inscha-
kelen niet mogelijk.
Mogelijke oorzaak:
Er is sprake van een storing in
de communicatie tussen de
radiografische sleutel en de
motorelektronica.
Batterij in de radiografische
sleutel controleren.
met Keyless Ride SU
Batterij van de radiografische
sleutel vervangen ( 68).
Voor de verdere rit de reser-
vesleutel gebruiken.
51
met Keyless Ride SU
Batterij van radiografische
sleutel is leeg of verlies van
de radiografische sleutel
( 68).
Als tijdens het rijden het
Check-Control-dialoogveld
verschijnt, blijf dan rustig. U
kunt verder rijden, de motor
wordt niet uitgeschakeld.
Defecte radiografische sleu-
tel door een BMW Motorrad
partner laten vervangen.
Batterij van de radiografische
sleutel vervangen
brandt geel.
Batt. radiogr. sl.
bij 50%. Geen func-
tiebeperking.
Batt. radiogr. sl.
bijna leeg. Cen-
trale vergrendeling be-
perkt. Batterij vervan-
gen.
Mogelijke oorzaak:
De batterij van de radiografi-
sche sleutel heeft niet meer
de volledige capaciteit. De
werking van de radiografische
sleutel is nog voor een be-
perkte tijd gewaarborgd.
met Keyless Ride SU
Batterij van de radiografische
sleutel vervangen ( 68).
Boordnetspanning te laag
wordt geel weergegeven.
Boordnetspanning
laag. Onnodige ver-
bruikers uitschakelen.
De boordnetspanning is te laag.
Bij verder rijden ontlaadt de
voertuigelektronica de accu.
Mogelijke oorzaak:
Verbruikers met hoog stroom-
verbruik, bijv. verwarmingsves-
ten in gebruik, te veel verbrui-
kers tegelijkertijd in gebruik, of
accu defect.
Niet benodigde verbruikers
uitschakelen of losnemen van
boordnet.
Wanneer de storing nog
steeds aanwezig is, of
optreedt zonder dat ver-
bruikers zijn aangesloten,
de storing zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Boordnetspanning kritisch
brandt rood.
wordt rood weergegeven.
Boordnetspanning
kritiek! Verbrui-
kers zijn uitgeschakeld.
52 AANDUIDINGEN
Accutoestand controle-
ren.
WAARSCHUWING
Uitval van de voertuigsyste-
men
Gevaar voor ongevallen
Niet verder rijden.
De accu wordt niet geladen.
Bij verder rijden ontlaadt de
voertuigelektronica de accu.
Als de 12 V-accu verkeerd
wordt ingebouwd of de
klemmen worden omgewisseld
(bijv. bij starthulp), kan dit er-
toe leiden dat de zekering voor
de dynamoregelaar doorbrandt.
Mogelijke oorzaak:
Dynamo of aandrijving van de
dynamo defect.
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Laadspanning kritisch
brandt rood.
wordt rood weergegeven.
Accuspanning kri-
tiek! Gevaar voor
ongevallen. Niet verder
rijden.
WAARSCHUWING
Uitval van de voertuigsyste-
men
Gevaar voor ongevallen
Niet verder rijden.
De accu wordt niet geladen.
Bij verder rijden ontlaadt de
voertuigelektronica de accu.
Mogelijke oorzaak:
Dynamo of aandrijving van de
dynamo defect.
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Lampstoring
brandt geel.
De defecte lamp wordt
weergegeven:
Grootlicht defect!
Richtingaanwijzer
linksvoor defect!
en/of Richtingaanwijzer
rechtsvoor defect!
Dimlicht defect!
Stadslicht voor de-
fect!
53
met dagrijlicht SU
Dagrijlicht
defect!
Achterlicht defect!
Remlicht defect!
Richtingaanwijzer
linksachter defect!
en/of Richtingaanwijzer
rechtsachter defect!
Door specialist laten
controleren.
WAARSCHUWING
De motorfiets wordt niet
gezien in het wegverkeer
door uitvallen van de ver-
lichting van de motorfiets
Veiligheidsrisico
Defecte lampen zo snel mo-
gelijk vervangen; bij voor-
keur altijd een set geschikte
reservelampen meenemen.
Mogelijke oorzaak:
Meerdere lampen voor en ach-
ter defect.
Lees de eerder vermelde sto-
ringsbeschrijvingen.
DWA-accu zwak
met alarmsysteem (DWA) SU
DWA-accucapaci-
teit zwak. Geen be-
perkingen. Maak een af-
spraak bij een specia-
list.
Deze storingsmelding
wordt gedurende korte
tijd alleen aansluitend op de
Pre-Ride-Check weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De DWA-accu heeft niet meer
zijn volledige capaciteit. De
werking van de DWA is bij een
losgekoppelde voertuigaccu
nog slechts beperkte tijd ge-
waarborgd.
Contact opnemen met een
vakwerkplaats, bij voorkeur
een BMW Motorrad Partner.
DWA-accu leeg
met alarmsysteem (DWA) SU
DWA-accu ontladen.
Autoalarm niet ac-
tief. Maak een afspraak
bij een specialist.
Deze storingsmelding
wordt gedurende korte
tijd alleen aansluitend op de
Pre-Ride-Check weergegeven.
54 AANDUIDINGEN
Mogelijke oorzaak:
De DWA-accu heeft geen capa-
citeit meer. De werking van de
DWA is bij een losgekoppelde
voertuigaccu niet meer gewaar-
borgd.
Contact opnemen met een
vakwerkplaats, bij voorkeur
een BMW Motorrad Partner.
Elektronische oliepeilcontrole
De elektronische oliepeil-
controle analyseert het
oliepeil in de motor met ofOK
Low!
Voor de elektronische oliepeil-
controle moet aan de volgende
voorwaarden zijn voldaan en
eventueel zijn meerdere metin-
gen nodig:
De berijder zit op het voertuig
en er is van tevoren ten min-
ste 10 km/h mee gereden.
Motor draait minstens 20 se-
conden stationair.
De motor is op bedrijfstempe-
ratuur.
Het voertuig staat verticaal en
op een vlakke ondergrond.
De zijstandaard is ingeklapt
en het voertuig staat niet op
de middenbok.
De veerpoot is correct aan de
ladingstoestand aangepast of
D-ESA staat in de beladings-
modus Auto.
Als de meting onvolledig is of
er niet aan de genoemde voor-
waarden is voldaan, kan het
oliepeil niet worden gemeten.
Er verschijnen streepjes ( )---
in plaats van de aanwijzing.
Motoroliepeil te laag
Motoroliepeil. Mo-
toroliepeil nagaan.
Mogelijke oorzaak:
De elektronische oliepeilsensor
heeft een te laag oliepeil ge-
constateerd. Bij de volgende
tankstop het motoroliepeil met
de oliepeilstaaf controleren:
Motoroliepeil controleren
( 157).
Bij een te laag oliepeil:
Motorolie bijvullen.
Koelvloeistoftemperatuur te
hoog
brandt rood.
Koelvloeistoftemp.
te hoog! Koelvloei-
stofpeil contr. Voor
afkoeling met deellast
verder rijden.
55
LET OP
Rijden met oververhitte mo-
tor
Motorschade
Beslist de hieronder ver-
melde punten in acht ne-
men.
Mogelijke oorzaak:
Koelvloeistofpeil te laag.
Koelvloeistofpeil controleren
( 163).
Als het koelvloeistofpeil te laag
is:
Koelsysteem door een specia-
list laten controleren, bij voor-
keur door een BMW Motorrad
Partner.
Mogelijke oorzaak:
De koelmiddel- of motorolie-
temperatuur is te hoog.
Zo mogelijk de motor in deel-
last laten draaien om hem af
te koelen.
Als de koelvloeistof- of motor-
olietemperatuur vaker te hoog
is, de storing zo snel moge-
lijk laten verhelpen door een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Storing aandrijfsysteem
brandt.
Motor! Door speci-
alist laten contro-
leren.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing geregistreerd.
Zodra het mogelijk is, sto-
ring door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Verder rijde mogelijk, de uit-
stoot van schadelijke stoffen
ligt boven de voorgeschreven
waarden.
Ernstige storing
aandrijfsysteem
knippert rood.
knippert.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing vastgesteld die tot
ernstige beschadiging van het
uitlaatsysteem kan leiden.
De storing zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Het is mogelijk verder te rij-
den, maar dit is niet aan te
raden.
56 AANDUIDINGEN
Motorregeling uitgevallen
brandt geel.
Geen communicatie
met motorregeling.
Meerdere syst. betrok-
ken. Rij voorzichtig
naar de dichtstbijz.
specialist.
Motor in noodloopfunctie
brandt geel.
Storing in de mo-
torregeling. Rus-
tig verder rijden mog.
Rij voorzichtig naar de
dichtstbijz. specia-
list.
WAARSCHUWING
Ongebruikelijk rijgedrag
tijdens de noodfunctie van
de motor
Gevaar voor ongevallen
Sterk accelereren en inhaal-
manoeuvres vermijden.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing geregistreerd. In
uitzonderingsgevallen slaat de
motor af en kan niet meer wor-
den gestart. De motor draait in
de noodloopfunctie.
Verder rijden mogelijk, het
motorvermogen staat ech-
ter niet zoals gewend ter be-
schikking.
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Ernstige storing in de
motorregeling
knippert geel.
Ernstige storing in
de motorregeling!
Rustig verder rijden
mog. Schade mogelijk.
Door specialist laten
control.
WAARSCHUWING
Beschadiging van de motor
tijdens noodfunctie
Gevaar voor ongevallen
Langzaam rijden, sterk acce-
lereren en inhaalmanoeuvres
vermijden.
Indien mogelijk, voertuig la-
ten ophalen en storingen
door een specialist laten ver-
helpen, het liefst door een
BMW Motorrad Partner.
57
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft
een storing vastgesteld die ern-
stige gevolgstoringen kan ver-
oorzaken. De motor bevindt
zich in de noodloopfunctie.
Hoge belastingen en toeren-
tallen zo mogelijk vermijden.
De storing zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Het is mogelijk verder te rij-
den, maar dit is niet aan te
raden.
Zijstandaardbewaking defect
Bewaking zijstan-
daard defect. Ver-
der rijden mogelijk. In
stand motorstop! Door
specialist laten contro-
leren.
Mogelijke oorzaak:
De zijstandaardschakelaar of
de bedrading daarvan is be-
schadigd. De motor wordt uit-
geschakeld als langzamer dan
5 km⁄h wordt gereden. In dat
geval is rijden niet meer moge-
lijk.
Contact opnemen met een
vakwerkplaats, bij voorkeur
een BMW Motorrad Partner.
ABS-zelfdiagnose niet
beëindigd
knippert.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-zelfdiagnose is niet be-
ëindigd, de ABS-functie is nog
niet beschikbaar. Om de ABS-
zelfdiagnose te kunnen afslui-
ten, moet de Scooter minstens
5 km/h rijden.
Langzaam wegrijden. Houd er
rekening mee dat tot het af-
sluiten van de zelfdiagnose de
ABS-functie niet beschikbaar
is.
ABS-storing
brandt geel.
brandt.
ABS beperkt be-
schikbaar! Rustig
doorrijden mog. Rij
voorzichtig naar de
dichtstbijz. specia-
list.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-regeleenheid heeft een
storing opgemerkt. De ABS-
functie is beperkt beschikbaar.
Verder rijden mogelijk. Uitge-
breide informatie in acht ne-
men over bijzondere situaties
58 AANDUIDINGEN
die tot een ABS-storingsmel-
ding kunnen leiden ( 149).
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
ABS uitgevallen
brandt geel.
brandt.
ABS uitgevallen!
Rustig doorrijden
mog. Rij voorzichtig
naar de dichtstbijz.
specialist.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-regeleenheid heeft een
storing opgemerkt. De ABS-
functie is niet beschikbaar.
Verder rijden is mogelijk, re-
kening houdende met de uit-
gevallen ABS-werking. Uit-
gebreide informatie in acht
nemen over situaties die tot
een ABS-storing kunnen lei-
den ( 149).
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
ASC-Ingreep
knippert snel.
De ASC heeft een instabiliteit
van het achterwiel herkend en
vermindert het koppel. Het
ASCwaarschuwingslampje
knippert langer dan de ASC-
ingreep duurt. Daarmee heeft
de berijder ook na de kritieke
rijsituatie nog een optische be-
vestiging van de uitgevoerde
regeling.
ASC-Zelfdiagnose niet
beëindigd
knippert langzaam.
Mogelijke oorzaak:
ASC-zelfdiagnose niet
voltooid
Voor de test van de wiel-
toerentalsensoren moet de
Scooter een minimumsnel-
heid met draaiende motor
bereiken:
min 5 km/h
Langzaam wegrijden. Houd
er rekening mee dat tot het
afsluiten van de zelfdiagnose
de ASC niet beschikbaar is.
59
ASC-storing
brandt.
Tractieregeling
uitgevallen!
Rustig doorrijden
mog. Rij voorzichtig
naar de dichtstbijz.
specialist.
Mogelijke oorzaak:
De ASC-regeleenheid heeft een
storing opgemerkt.
Verder rijden mogelijk. Houd
er rekening mee dat de ASC
niet ter beschikking staat. Uit-
gebreide informatie in acht
nemen over situaties die tot
een ASC-storing kunnen lei-
den ( 150).
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
BMW flexcase geopend
Motorst. niet
mogel. BMW flexcase
open. BMW flexcase
sluiten.
Mogelijke oorzaak:
De BMW flexcase is geopend.
BMW flexcase sluiten.
BMW flexcase bedienen
( 87).
Benzinereserve bereikt
Tankreserve be-
reikt. Meteen naar
tankstation rijden.
WAARSCHUWING
Onregelmatig draaien, of
uitschakeling van de motor
vanwege brandstofgebrek
Gevaar voor ongevallen, be-
schadiging van de katalysator
De benzinetank niet leegrij-
den.
Mogelijke oorzaak:
In de benzinetank bevindt ten
hoogste nog de reservevoor-
raad benzine.
Reservehoeveelheid
Circa 3 l
zonder Keyless Ride SU
Tanken ( 138).
met Keyless Ride SU
Tanken ( 140).
Alarmknipperlichten
ingeschakeld
knippert groen.
knippert groen.
60 AANDUIDINGEN
Mogelijke oorzaak:
De alarmknipperlichten zijn
door de bestuurder ingescha-
keld.
Alarmknipperlichten bedienen
( 75).
Onderhoudsmelding
Als de servicetermijn is
overschreden, gaat naast
de datum- resp. kilometer-
weergave ook het algemene
waarschuwingslampje geel
branden.
Als de servicetermijn is over-
schreden, verschijnt er een gele
Check-Control-melding. Bo-
vendien worden de meldingen
voor onderhoud, onderhoudsaf-
spraken en resterende afstand
op de schermmenu's MIJN
VOERTUIG BENODIGD ON-en
DERHOUD gemarkeerd met uit-
roeptekens.
Als de onderhoudsmel-
ding al meer dan één
maand voor de onderhouds-
datum wordt weergegeven,
dan moet de actuele datum op-
nieuw worden ingesteld. Deze
situatie kan zich voordoen wan-
neer de accu losgekoppeld is
geweest.
Onderhoud nodig
wordt wit weergegeven.
Onderhoud nodig! On-
derhoud bij een specia-
list laten uitvoeren.
Mogelijke oorzaak:
Onderhoud is vanwege de
rijprestaties of de datum
vereist.
Onderhoud regelmatig door
een specialist laten uitvoe-
ren, bij voorkeur door een
BMW Motorrad dealer.
De bedrijfs- en verkeersveilig-
heid van het voertuig blijven
behouden.
Het best mogelijke waardebe-
houd van het voertuig wordt
verzekerd.
Onderhoudsafspraak
overschreden
brandt geel.
wordt geel weergegeven.
Onderhoud te laat! On-
derhoud bij een specia-
list laten uitvoeren.
Mogelijke oorzaak:
Onderhoud is op basis van de
rijprestaties of de datum te
laat.
Onderhoud regelmatig door
een specialist laten uitvoe-
61
ren, bij voorkeur door een
BMW Motorrad dealer.
De bedrijfs- en verkeersveilig-
heid van het voertuig blijven
behouden.
Het best mogelijke waardebe-
houd van het voertuig wordt
verzekerd.
GEBRUIK
04
CONTACT- EN STUURSLOT 64
CONTACT MET KEYLESS RIDE 65
NOODSTOPSCHAKELAAR 69
VERLICHTING 70
DAGRIJLICHT 71
ALARMKNIPPERLICHTEN 75
RICHTINGAANWIJZERS 75
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY 76
SETUP 78
ALGEMENE INSTELLINGEN OP HET MULTIFUNCTIO-
NEEL DISPLAY 81
HANDVATVERWARMING 83
BUDDYSEATVERWARMING 84
BUDDYSEAT 85
OPBERGVAKKEN 86
64 GEBRUIK
CONTACT- EN STUURSLOT
Contactsleutel
U ontvangt twee contactsleu-
tels.
met topcase Light OA
Desgewenst kan ook de top-
case met dezelfde contactsleu-
tel worden bediend. Hiervoor
contact opnemen met een vak-
werkplaats, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Stuurslot vergrendelen
Het stuur tot de aanslag naar
links draaien.
De contactsleutel in de
stand draaien, hierbij het3
stuur iets bewegen.
Contact, verlichting en alle
circuits uitgeschakeld.
Stuurslot vergrendeld.
De contactsleutel kan worden
verwijderd.
Contact inschakelen
De contactsleutel in de
stand draaien.ON
Stadslicht en alle circuits inge-
schakeld.
De motor kan worden gestart.
Pre-Ride-Check wordt uitge-
voerd. ( 133)
De ABS zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 134)
De ASC zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 134)
Contact uitschakelen
De contactsleutel in de
stand draaien.OFF
Licht wordt uitgeschakeld,
stadslicht en verlichting van
65
het achterste opbergvak blij-
ven nog korte tijd branden.
Stuurslot ontgrendeld.
De contactsleutel kan worden
verwijderd.
CONTACT MET KEY-
LESS RIDE
met Keyless Ride SU
Contactsleutel
Het controlelampje van
de radiografische sleutel
knippert, zo lang de radiografi-
sche sleutel gezocht wordt.
Hij dooft als de radiografische
sleutel resp. de reservesleutel
wordt gevonden.
Als de radiografische sleutel
resp. de reservesleutel niet
wordt herkend, brandt hij kort.
U ontvangt een radiografische
sleutel en een reservesleutel.
Bij verlies van een sleutel de
opmerkingen over de elektroni-
sche wegrijblokkering (EWS) in
acht nemen ( 67).
Contact, tankdop en alarmsys-
teem worden aangestuurd met
de radiografische sleutel. Bud-
dyseatvergrendeling en topcase
kunnen handmatig worden be-
diend.
Bij het overschrijden van
de actieradius van de ra-
diografische sleutel (bijv. in de
topcase) kan het voertuig niet
worden gestart.
Als de radiografische sleutel
nog steeds niet werkt, wordt
het contact na circa 1,5 minu-
ten uitgeschakeld om de accu
te sparen.
De radiografische sleutel niet in
het opbergvak bewaren.
In bepaalde omstandigheden
kan het signaal van de radio-
grafische sleutel niet door de
antenne worden ontvangen, en
kan de buddyseat niet meer
worden geopend.
Het wordt aanbevolen om de
radiografische sleutel direct bij
u te dragen (bijv. in de jackzak)
en als alternatief de reserve-
sleutel mee te nemen.
Bereik van radiografi-
sche Keyless Ride-sleu-
tel
met Keyless Ride SU
Circa 1 m
Stuurslot vergrendelen
Voorwaarde
Stuur is naar links gedraaid.
Radiografische sleutel is in ont-
vangstgebied.
66 GEBRUIK
Toets ingedrukt houden.1
Het stuurslot vergrendelt
hoorbaar.
Contact, verlichting en alle
circuits uitgeschakeld.
Om het stuurslot te ontgren-
delen toets kort indrukken.1
Contact inschakelen
Voorwaarde
Radiografische sleutel is in ont-
vangstgebied.
Het contact kan op ma-twee
nieren worden geactiveerd.
Variant 1:
Toets kort indrukken.1
Stadslicht en alle circuits zijn
ingeschakeld.
met dagrijlicht SU
Dagrijlicht is ingeschakeld.
Pre-Ride-Check wordt uitge-
voerd. ( 133)
De ABS zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 134)
De ASC zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 134)
Variant 2:
Stuurslot is vergrendeld,
toets ingedrukt houden.1
Het stuurslot wordt ontgren-
deld.
Stadslicht en alle circuits inge-
schakeld.
met dagrijlicht SU
Dagrijlicht is ingeschakeld.
Pre-Ride-Check wordt uitge-
voerd. ( 133)
De ABS zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 134)
De ASC zelfdiagnose wordt
uitgevoerd. ( 134)
Contact uitschakelen
Voorwaarde
Radiografische sleutel is in ont-
vangstgebied.
67
Het contact kan op ma-twee
nieren worden gedeactiveerd.
Variant 1:
Toets kort indrukken.1
Het licht wordt uitgeschakeld.
Stuurslot is ontgrendeld.
Variant 2:
Het stuur tot de aanslag naar
links draaien.
Toets ingedrukt houden.1
Het licht wordt uitgeschakeld.
Het stuurslot wordt vergren-
deld.
Elektronische
wegrijbeveiliging EWS
De elektronica in het voertuig
analyseert via een ringantenne
in het radiografische slot de
gegevens die in de radiogra-
fische sleutel zijn opgeslagen.
Pas als de radiografische sleu-
tel als "bevoegd" is herkend,
geeft de motorregeleenheid het
starten vrij.
Als er een extra contact-
sleutel aan de voor het
starten gebruikte radiografi-
sche sleutel is bevestigd, kan
de werking van de elektronica
nadelig worden beïnvloed en
wordt het starten van de motor
niet vrijgegeven. Op het multi-
functionele display verschijnt de
waarschuwing met het sleutel-
symbool.
Bewaar extra contactsleutels al-
tijd apart van de radiografische
sleutel.
Mocht u een radiografische
sleutel verliezen, dan kunt u
deze bij uw BMW Motorrad
Partner laten blokkeren. Daar-
toe moet u alle andere bij het
voertuig behorende contact-
sleutels meebrengen.
Met een geblokkeerde radio-
grafische sleutel kan de motor
niet meer worden gestart, maar
een geblokkeerde radiografi-
sche sleutel kan wel weer wor-
den vrijgeschakeld.
Extra sleutels zijn alleen via een
BMW Motorrad Partner ver-
krijgbaar. Deze is verplicht uw
legitimatie te controleren, om-
dat de radiografische sleutels
onderdeel van een veiligheids-
systeem vormen.
68 GEBRUIK
Batterij van radiografische
sleutel is leeg of verlies van
de radiografische sleutel
Bij verlies van de sleutel de
aanwijzingen met betrekking
tot de elektronische wegrij-
blokkering ( EWS) in acht ne-
men.
Als de radiografische sleutel
tijdens het rijden wordt verlo-
ren, kan het voertuig worden
gestart met de reservesleutel.
Als de batterij van de radio-
grafische sleutel leeg is, kan
het voertuig worden gestart
door het accudeksel met de
radiografische sleutel aan te
raken.
De reservesleutel of de1
lege radiografische sleutel 2
bij het accudeksel ter hoogte
van de antenne houden.3
De reservesleutel resp.
de radiografische sleu-
tel moet tegen het accudeksel
aanliggen.
Tijd waarbinnen de
motor moet worden
gestart. Daarna moet een
nieuwe ontgrendeling
plaatsvinden.
30 s
De Pre-Ride-Check wordt uit-
gevoerd.
Radiografische sleutel is her-
kend.
De motor kan worden gestart.
Motor starten ( 133).
Batterij van de radiografische
sleutel vervangen
Als de radiografische sleutel
niet reageert als de toets kort
of lang wordt bediend:
Batterij van de radiografische
sleutel heeft niet de volledige
capaciteit.
Op het multifunctioneel
display wordt KEYLO!
weergegeven.
Batterij vervangen.
Knop indrukken.1
Sleutelbaard klapt open.
69
Batterijkapje naar boven2
drukken.
Batterij verwijderen.3
Oude batterij volgens de wet-
telijke bepalingen afvoeren,
batterij niet met het huisvuil
weggooien.
LET OP
Ongeschikte of onjuist ge-
plaatste batterijen
Onderdeelschade
Voorgeschreven batterij ge-
bruiken.
Bij het plaatsen van de bat-
terij op de juiste polariteit
letten.
Nieuwe batterij met pluspool
naar boven plaatsen.
Accutype
Voor Keyless Ride-radiografi-
sche sleutel
CR 2032
Batterijkapje inbouwen.2
Rode LED op het instrumen-
tenpaneel knippert.
De radiografische sleutel
werkt weer.
NOODSTOPSCHAKELAAR
1 Noodstopschakelaar
WAARSCHUWING
Bedienen van de noodstop-
schakelaar tijdens het rijden
Gevaar voor vallen door blok-
kerend achterwiel
De noodstopschakelaar
nooit tijdens het rijden
bedienen.
Met behulp van de noodstop-
schakelaar kan de motor op
eenvoudige wijze snel worden
afgezet.
70 GEBRUIK
a Motor uitgeschakeld
b Bedrijfsstand
VERLICHTING
Dimlicht en stadslicht
Het stadslicht wordt automa-
tisch tegelijk met het contact
ingeschakeld.
Na het uitschakelen van het
contact blijft het stadslicht nog
korte tijd branden.
Het stadslicht belast de
accu. Het contact slechts
voor een beperkte tijdsduur
inschakelen.
Het dimlicht wordt na het star-
ten van de motor automatisch
ingeschakeld.
met dagrijlicht SU
Overdag kan als alternatief voor
het dimlicht het dagrijlicht wor-
den ingeschakeld. ( 71)
Grootlicht en lichtsignaal
Schakelaar naar voren1
drukken om het grootlicht in
te schakelen.
Schakelaar naar achteren1
trekken om het lichtsignaal te
bedienen.
Parkeerlicht
Contact uitschakelen.
Direct na het uitschakelen van
het contact toets naar links1
drukken en vasthouden tot
het parkeerlicht wordt inge-
schakeld.
Contact in- en weer uitscha-
kelen om het parkeerlicht uit
te schakelen.
71
DAGRIJLICHT
met dagrijlicht SU
Automatisch of handmatig
dagrijlicht
Het dagrijlicht wordt automa-
tisch of handmatig in- en uitge-
schakeld.
De dagrijlicht-automaat kan
in de worden in- ofSETUP
uitgeschakeld.
Geadviseerde instelling:
SETUP A DRL (A DRL:ON
automatic daytime riding
light)
De automaat kan met de toets
voor het dagrijlicht tijdelijk
worden uitgeschakeld. Het be-
dienen van de toets voor het
dagrijlicht verandert de instel-
ling in de niet.SETUP
met Connectivity SU
Het dagrijlicht wordt automa-
tisch of handmatig in- en uitge-
schakeld.
De dagrijlicht-automaat kan in
het menu Voertuiginstel-
lingen worden in- of uitge-
schakeld.
Geadviseerde instelling:
Automat. dagrijlicht
ingeschakeld.
De automaat kan met de toets
voor het dagrijlicht tijdelijk
worden uitgeschakeld. Het be-
dienen van de toets voor het
dagrijlicht verandert de instel-
ling in het menu Voertui-
ginstellingen niet.
Automatisch dagrijlicht
WAARSCHUWING
Automatisch dagrijlicht ver-
vangt niet de persoonlijke
beoordeling van de lichtom-
standigheden
Gevaar voor een ongeval
Het automatische dagrijlicht
uitschakelen bij slechte licht-
omstandigheden.
Motor starten ( 133).
De omschakeling tussen
dagrijlicht en dimlicht, incl.
stadslicht voor kan automatisch
gebeuren.
wordt weergegeven.
Als het symbool voor automa-
tisch dagrijlicht niet verschijnt,
is inge-SETUP A DRL OFF
steld.
Als volgt te werk gaan, om
het automatische dagrijlicht in
te schakelen:
72 GEBRUIK
Tuimeltoets MENU boven 1
steeds kort indrukken totdat
SETUP ENTER 3verschijnt.
Tuimeltoets MENU aan de
bovenzijde lang indrukken1
om te starten.SETUP
SETUP ASC verschijnt.
Tuimeltoets MENU boven 1
steeds kort indrukken
totdat de menuoptie
SETUP A DRL 3verschijnt.
Tuimeltoets MENU onder 2
kort indrukken om tussen ON
en over te schakelen.OFF
SETUP A DRL ON verschijnt.
Tuimeltoets MENU aan de
bovenzijde lang indrukken.1
SETUP ENTER wordt weer-
gegeven.
wordt weergegeven.
met Connectivity SU
In het menu Instellingen,
Voertuiginstellingen,
Verlichting de functie
Automat. dagrijlicht
inschakelen.
brandt.
Als het omgevingslicht onder
een bepaalde waarde daalt,
wordt het dimlicht automa-
tisch ingeschakeld (bv. in tun-
nels). Als wordt vastgesteld
dat er voldoende omgevings-
licht is, wordt de dagrijverlich-
ting weer ingeschakeld.
Handmatige bediening van
het licht bij ingeschakelde
automaat
Voorwaarde
Automaat voor dagrijlicht is
ingeschakeld.
73
Toets indrukken (bijv. bij1
inrijden in tunnel wanneer de
automaat voor dagrijlicht ver-
traagd reageert door de om-
gevingslichtsterkte).
De automaat voor dagrijlicht
wordt uitgeschakeld.
Het dimlicht en het voorste
stadslicht worden ingescha-
keld.
Toets opnieuw indrukken.1
De automaat voor dagrijlicht
wordt opnieuw geactiveerd.
Het dagrijlicht wordt bij het
bereiken van de nodige om-
gevingslichtsterkte opnieuw
ingeschakeld.
Het dimlicht en de achter-
grondverlichting van het in-
strumentenpaneel worden uit-
geschakeld.
brandt als het dagrijlicht
actief is.
Handmatig dagrijlicht
Voorwaarde
Dagrijlicht-automaat moet wor-
den uitgeschakeld.
WAARSCHUWING
Inschakelen van het dagrij-
licht in het donker.
Gevaar voor ongevallen
Dagrijlicht niet in het donker
gebruiken.
Motor starten ( 133).
Tuimeltoets MENU boven 1
steeds kort indrukken totdat
SETUP ENTER 3verschijnt.
Tuimeltoets MENU aan de
bovenzijde lang indrukken1
om te starten.SETUP
SETUP ASC verschijnt.
74 GEBRUIK
Tuimeltoets MENU boven 1
steeds kort indrukken
totdat de menuoptie
SETUP A DRL 3 verschijnt.
Tuimeltoets MENU onder 2
kort indrukken om tussen ON
en over te schakelen.OFF
SETUP A DRL OFF ver-
schijnt.
Tuimeltoets MENU aan de
bovenzijde lang indrukken.1
met Connectivity SU
In het menu Instellingen,
Voertuiginstellingen,
Verlichting de functie
Automat. dagrijlicht
uitschakelen.
Toets indrukken, om het1
dagrijlicht in te schakelen.
Het dagrijlicht kan in ver-
gelijking met het dimlicht
beter worden waargenomen
door het tegemoetkomend ver-
keer. Daardoor verbetert de
zichtbaarheid overdag.
Het dimlicht en het voorste
stadslicht worden uitgescha-
keld.
brandt als het dagrijlicht
actief is.
In het donker of in tunnels:
toets opnieuw indrukken,1
om het dagrijlicht uit te scha-
kelen en om het dimlicht en
het voorste stadslicht in te
schakelen.
Als bij ingeschakeld
dagrijlicht het grootlicht
wordt ingeschakeld, wordt het
dagrijlicht na circa 2 seconden
uitgeschakeld en worden het
grootlicht, het dimlicht en het
stadslicht voor ingeschakeld.
Als het grootlicht weer wordt
75
uitgeschakeld, wordt het dagrij-
licht niet automatisch opnieuw
geactiveerd, maar moet dit
handmatig weer worden in-
geschakeld.
ALARMKNIPPERLICHTEN
Alarmknipperlichten bedienen
Contact inschakelen.
De alarmknipperlichten
belasten de accu. De
waarschuwingsknipperlichten
slechts voor een beperkte
tijdsduur inschakelen.
Wanneer bij ingescha-
kelde alarmlichtinstal-
latie een richtingaanwijzer-
knop wordt ingedrukt, dan ver-
vangt de knipperfunctie gedu-
rende het indrukken de waar-
schuwingsfunctie. Als de rich-
tingaanwijzerknop niet meer
wordt ingedrukt, is de waar-
schuwingsfunctie weer actief.
Toets indrukken om de1
alarmknipperlichten in te
schakelen.
Het contact kan worden uit-
geschakeld.
Contact inschakelen en
toets opnieuw indrukken1
om de alarmknipperlichten uit
te schakelen.
RICHTINGAANWIJZERS
Richtingaanwijzer bedienen
Het contact inschakelen.
De toets naar links drukken1
om de richtingaanwijzers links
in te schakelen.
De toets naar rechts druk-1
ken om de richtingaanwijzers
rechts in te schakelen.
De toets in de middelste1
stand zetten om de richting-
aanwijzers uit te schakelen.
76 GEBRUIK
Comfortknipperlichten
Als de toets naar rechts of1
links is gedrukt, schakelen de
knipperlichten automatisch in
de volgende situaties uit:
Snelheid minder dan
30 km⁄h: Na een afstand van
50 m.
Snelheid tussen 30 km⁄h en
100 km⁄h: Na een snelheids-
afhankelijke afstand of bij ac-
celeratie.
Snelheid meer dan 100 km⁄h:
Na vijf keer knipperen.
Als de toets iets langer naar1
rechts of links is gedrukt, scha-
kelen de knipperlichten alleen
nog automatisch na het berei-
ken van het snelheidsafhanke-
lijke traject uit.
MULTIFUNCTIONEEL
DISPLAY
Weergave bovenaan kiezen
Het contact inschakelen.
De tuimeltoets MENU boven-
aan telkens kort indrukken1
om de weergave in het be-
reik te selecteren.3
De volgende waarden kunnen
worden weergegeven:
Kilometerteller ODO
Dagteller 1 TRIP 1
Dagteller 2 TRIP 2
De automatische dagteller
TRIP A, wordt automatisch
gereset als na het uitschake-
len van het contact ten minste
5 uur verstreken is en de da-
tum is gewijzigd.
Menu voor instellingen oproe-
pen: (wordtSETUP ENTER
alleen weergegeven wanneer
de Scooter staat)
77
Weergave boordcomputer
selecteren
Contact inschakelen.
Tuimeltoets MENU onder 2
telkens kort indrukken om de
weergave van de boordcom-
puter te selecteren.4
Als de brandstofreserve
is bereikt, verschijnt na
het inschakelen van het contact
altijd de weergave .RANGE
De volgende waarden kunnen
worden weergegeven:
Actieradius RANGE
Gemiddeld verbruik CONS 1
Gemiddeld verbruik CONS 2
Momenteel verbruik CONS C
Oliepeilaanduiding OILLVL
Buitentemperatuur EXTEMP
Koelvloeistoftemperatuur
ENGTMP
Gemiddelde snelheid
SPEED Ø
Accuspanning VOLTGE
Rijtijd RDTIME
Datum DATE
Dagteller terugzetten
Het contact inschakelen.
De dagteller selecteren.
De gewenste dagteller wordt
weergegeven.
De tuimeltoets MENU boven-
aan ingedrukt houden tot1
de dagteller is gereset.3
Dagteller = 0.0
Gemiddelde waardes resetten
Het contact inschakelen.
De tuimeltoets MENU onder-
aan zo vaak kort indrukken
tot het gewenste gemiddelde
verbruik of de gemiddelde
snelheid wordt weergegeven.
De tuimeltoets MENU onder-
aan ingedrukt houden tot2
78 GEBRUIK
de weergegeven gemiddelde
waarde wordt gereset.4
Rijtijd terugzetten
Contact inschakelen.
Tuimeltoets MENU onder zo
vaak indrukken tot de rijtijd
RDTIME wordt weergegeven.
Tuimeltoets MENU onder 2
ingedrukt houden tot de rijtijd
RDTIME 3wordt gereset.
Rijtijd start bij 00:00:00
SETUP
SETUP selecteren
Voorwaarde
De Scooter staat.
Tuimeltoets MENU boven 1
zo vaak kort indrukken tot
SETUP ENTER 3wordt
weergegeven.
Tuimeltoets MENU boven 1
lang indrukken om teSETUP
starten.
SETUP ASC wordt weerge-
geven.
Tuimeltoets MENU boven 1
telkens kort indrukken om
de volgende parameters in
SETUP te selecteren:
met alarmsysteem (DWA) SU
Alarmfunctie van het alarm-
systeem na het uitschakelen
van het contact automatisch
activeren of uitge-DWA ON
schakeld laten .DWA OFF
Tijdsaanduiding instellen
CLOCK.
Datum instellen .DATE
Helderheid van de achter-
grondverlichting voor het in-
strumentenpaneel instellen
BRIGHT.
met dagrijlicht SU
Automatisch dagrijlicht
A DRL ON of handmatig
dagrijlicht A DRL OFF
activeren.
Eenheden instellen UNIT.
Meldingen resetten RESET.
SETUP EXITverlaten .
79
SETUP beëindigen
Voorwaarde
Er zijn 4 mogelijkheden om
SETUP te beëindigen.
Tuimeltoets MENU boven 1
lang indrukken.
SETUP ENTER wordt weer-
gegeven.
Alternatief: tuimeltoets
MENU boven zo vaak kort1
indrukken tot SETUP EXIT
wordt weergegeven.
Tuimeltoets MENU onder 2
lang indrukken.
SETUP ENTER wordt weer-
gegeven.
Alternatief: contact uit- en
weer inschakelen.
SETUP ENTER wordt weer-
gegeven.
Alternatief: wegrijden.
Snelheid voor de bedie-
ning in SETUP
max 10 km/h
Bij het overschrijden van de
toegelaten snelheid voor de
bediening wordt be-SETUP
ëindigd.
ODO wordt weergegeven.
Alle instellingen worden op-
geslagen, ongeacht de wijze
waarop de is verlaten.SETUP
Klok instellen
Voorwaarde
De Scooter staat stil.
Het contact inschakelen.
SETUP selecteren ( 78).
SETUP CLOCK wordt weer-
gegeven.
De tuimeltoets MENU onder-
aan lang indrukken om de
uren in te stellen.
De uren knipperen.1
De tuimeltoets MENU boven-
aan kort indrukken om de
uren te verhogen.
De tuimeltoets MENU onder-
aan kort indrukken om de
uren te verlagen.
Als de uren juist zijn ingesteld,
de tuimeltoets MENU onder-
aan lang ingedrukt houden.
80 GEBRUIK
De minuten knipperen.2
De tuimeltoets MENU boven-
aan kort indrukken om de mi-
nuten te verhogen.
De tuimeltoets MENU onder-
aan kort indrukken om de mi-
nuten te verlagen.
Als de minuten juist zijn inge-
steld, de tuimeltoets MENU
onderaan lang ingedrukt hou-
den.
De minuten knipperen niet2
meer.
Instelling van de tijdsaandui-
ding controleren.3
Instelling afgesloten.
De tuimeltoets MENU boven-
aan lang indrukken.
SETUP ENTER wordt weer-
gegeven.
Datum instellen
Voorwaarde
De Scooter staat stil.
Het contact inschakelen.
SETUP selecteren ( 78).
SETUP DATE wordt weerge-
geven.
De tuimeltoets MENU onder-
aan lang indrukken.
Dag knippert.1
De tuimeltoets MENU boven-
aan kort indrukken om de dag
te verhogen.
De tuimeltoets MENU onder-
aan kort indrukken om de dag
te verlagen.
Als de dag juist is ingesteld,
de tuimeltoets MENU onder-
aan lang indrukken.
Maand knippert.2
De tuimeltoets MENU boven-
aan kort indrukken om de
maand te verhogen.
De tuimeltoets MENU onder-
aan kort indrukken om de
maand te verlagen.
Als de maand juist is
ingesteld, de tuimel-
toets MENU onderaan lang
indrukken.
Jaar knippert.3
De tuimeltoets MENU boven-
aan kort indrukken om het
jaar te verhogen.
81
De tuimeltoets MENU onder-
aan kort indrukken om het
jaar te verlagen.
Als het jaar juist is ingesteld,
de tuimeltoets MENU onder-
aan lang indrukken.
Jaar knippert niet meer.3
Instelling afgesloten.
De tuimeltoets MENU boven-
aan lang indrukken.
SETUP ENTER wordt weer-
gegeven.
ALGEMENE INSTELLINGEN
OP HET MULTIFUNCTIONEEL
DISPLAY
Helderheid van de
achtergrondverlichting voor
het instrumentenpaneel
instellen
Voorwaarde
De Scooter staat.
Contact inschakelen.
SETUP selecteren ( 78).
Tuimeltoets MENU boven
zo vaak kort indrukken tot
SETUP BRIGHT wordt weer-
gegeven.
Tuimeltoets MENU onder-
aan zo vaak kort indrukken2
tot de gewenste helderheid
van de achtergrondverlichting
is ingesteld.
Tuimeltoets MENU boven 1
lang indrukken om teSETUP
verlaten.
SETUP ENTER wordt weer-
gegeven.
Eenheden instellen
Voorwaarde
De Scooter staat.
Contact inschakelen.
SETUP selecteren ( 78).
Tuimeltoets MENU boven
zo vaak kort indrukken tot
SETUP UNIT ENTER wordt
weergegeven.
Tuimeltoets MENU onderaan
lang ingedrukt houden om
SETUP UNIT te activeren.
SETUP UNIT SPEED wordt
weergegeven.
Tuimeltoets MENU boven 1
telkens kort indrukken om de
82 GEBRUIK
volgende parameters in de
SETUP UNIT te selecteren:
Eenheid van de snelheidsaan-
duiding wijzigen ofKMH MPH
Eenheid van de kilometerteller
wijzigen ofKM MI
Eenheden van snelheidsaan-
duiding en kilometerteller re-
setten naar de fabrieksinstel-
ling.
Tuimeltoets MENU onder 2
kort indrukken tot de ge-
wenste eenheid van de3
snelheidsaanduiding of kilo-
meterteller is ingesteld.
Als de instelling moet
worden beëindigd, drukt u
zo vaak kort op de tuimel-
toets MENU boven tot1
SETUP UNIT EXIT wordt
weergegeven.
Tuimeltoets MENU onder 2
lang ingedrukt houden om
SETUP UNIT te verlaten.
SETUP RESET wordt weer-
gegeven.
Als de eenheden moeten wor-
den gereset naar de fabrieks-
instelling, drukt u zo vaak kort
op de tuimeltoets MENU bo-
ven tot1SETUP UNIT RE-
SET wordt weergegeven.
Tuimeltoets MENU onder 2
lang ingedrukt houden tot het
display knippert.RESET 3
Eenheden worden gereset
naar de fabrieksinstelling.
Weergave SETUP UNIT EXIT
wordt getoond.
Tuimeltoets MENU onder 2
lang ingedrukt houden om
SETUP UNIT te verlaten.
SETUP RESET wordt weer-
gegeven.
SETUP terugzetten
Contact inschakelen.
SETUP selecteren ( 78).
Tuimeltoets MENU boven
zo vaak kort indrukken tot
SETUP RESET wordt weer-
gegeven.
83
Tuimeltoets MENU onder 2
ingedrukt houden tot
SETUP 3is teruggezet.
Door gebruik te maken
van de -SETUP RESET
functie worden ook datum en
tijd op een standaardwaarde
teruggezet.
Tijd wordt weergege-12:00
ven.
Tuimeltoets MENU boven 1
lang indrukken om teSETUP
verlaten.
SETUP ENTER wordt weer-
gegeven.
HANDVATVERWARMING
met handvatverwarmingen SU
Handvatverwarming bedienen
Motor starten.
De handvatverwarming is
alleen bij draaiende motor
beschikbaar.
Toets zo vaak indrukken1
tot de gewenste verwar-
mingsstand op het display
wordt weergegeven.
De grepen kunnen op drie ni-
veaus worden verwarmd. De
derde stand dient voor het snel
verwarmen van de handgre-
pen, vervolgens moet weer de
tweede of eerste stand wor-
den ingeschakeld. De volgende
weergaven zijn mogelijk:
hoog verwarmingsvermo-
gen
gemiddeld verwarmings-
vermogen
laag verwarmingsvermo-
gen
84 GEBRUIK
met Connectivity SU
Toets zo vaak indrukken1
tot de gewenste verwar-
mingsstand op het display
wordt weergegeven.
De grepen kunnen op drie ni-
veaus worden verwarmd. De
derde stand dient voor het snel
verwarmen van de handgre-
pen, vervolgens moet weer de
tweede of eerste stand wor-
den ingeschakeld. De volgende
weergaven zijn mogelijk:
hoog verwarmingsvermo-
gen
gemiddeld verwarmings-
vermogen
laag verwarmingsvermo-
gen
BUDDYSEATVERWARMING
met buddyseatverwarming SU
Buddyseatverwarming
bedienen
Motor starten.
De buddyseatverwarming
kan alleen bij draaiende
motor worden ingeschakeld.
Toets zo vaak indrukken1
tot de gewenste verwar-
mingsstand op het display
wordt weergegeven.
De buddyseat berijder kan in
drie standen worden verwarmd.
De derde stand dient voor het
snel verwarmen van de buddy-
seat, vervolgens moet weer de
tweede of eerste stand wor-
den ingeschakeld. De volgende
weergaven zijn mogelijk:
hoog verwarmingsvermo-
gen
gemiddeld verwarmings-
vermogen
laag verwarmingsvermo-
gen
85
met Connectivity SU
Toets zo vaak indrukken1
tot de gewenste verwar-
mingsstand op het display
wordt weergegeven.
De buddyseat berijder kan in
drie standen worden verwarmd.
De derde stand dient voor het
snel verwarmen van de buddy-
seat, vervolgens moet weer de
tweede of eerste stand wor-
den ingeschakeld. De volgende
weergaven zijn mogelijk:
hoog verwarmingsvermo-
gen
gemiddeld verwarmings-
vermogen
laag verwarmingsvermo-
gen
BUDDYSEAT
Buddyseat bedienen
Contact inschakelen.
Toets indrukken.1
Buddyseat wordt ontgrendeld.
zonder Keyless Ride SU
De buddyseat kan ook zonder
inschakelen van het contact
worden ontgrendeld. Stop
hiervoor de contactsleutel 3
in het slot aan de zijbe-4
kleding rechts en draai deze
rechtsom.
Buddyseat wordt
ontgrendeld.
86 GEBRUIK
met Keyless Ride SU
De buddyseat kan ook zonder
inschakelen van het contact
worden ontgrendeld. Stop
hiervoor de radiografische
sleutel in het slot aan de3 4
zijbekleding rechts en draai
deze rechtsom.
Buddyseat wordt
ontgrendeld.
Buddyseat achter optillen5
en openklappen.
Om te sluiten de bud-
dyseat achter in de5
vergrendeling drukken.
OPBERGVAKKEN
Voorste opbergvakken
bedienen
zonder Keyless Ride SU
Om een opbergvak te openen,
drukt u op de betreffende
toets .1
Om een opbergvak te sluiten,
drukt u de betreffende klep in
de vergrendeling.
De opbergvakken kunnen
niet worden vergrendeld.
87
Voorste opbergvakken
bedienen
met Keyless Ride SU
Contact inschakelen.
Om een opbergvak te openen,
drukt u op de betreffende
toets .1
Om een opbergvak te sluiten,
drukt u de betreffende klep in
de vergrendeling.
Na het uitschakelen van het
contact worden beide op-
bergvakken na een nalooptijd
vergrendeld.
Nalooptijd voor het ope-
nen van de opbergvak-
ken
10 s
BMW flexcase bedienen
Buddyseat bedienen ( 85).
De verlichting van het op-
bergvak wordt ingescha-
keld bij het opstarten.
Na uitschakelen van het contact
blijft de verlichting van het op-
bergvak nog korte tijd branden.
Ontgrendelingshendel naar1
voren trekken, om het op-
bergvak te vergroten, bijv.
voor het opbergen van een
motorhelm.
De bodem gaat omlaag.2
Bij neergelaten bodem kan
het voertuig niet worden ge-
start.
Wanneer het contact is
ingeschakeld, wordt het
opbergvaksymbool weergege-
ven.
- met Connectivity
Als het contact ingescha-
keld is, wordt Motorst.
niet mogel. BMW flex-
case open. BMW flexcase
sluiten. weergegeven.
88 GEBRUIK
De BMW flexcase biedt plaats
voor een integraalhelm.
Lading van de flexcase
max 5 kg
In het voorste deel van het
opbergvak kan zoals afge-
beeld een jethelm worden op-
geborgen.
Lading van het voorste
opbergvak
max 3 kg
Sluit de buddyseat.
Om verder te rijden, buddy-
seat openen.
Opbergvak leegmaken.
Bodem aan de hendel2 3
omhoog in de vergrendeling
trekken.
Wanneer het contact is
ingeschakeld, wordt het
opbergvaksymbool verborgen.
- met Connectivity
Als het contact inge-
schakeld is, verdwijnt
Motorst. niet mogel.
BMW flexcase open. BMW
flexcase sluiten.
Sluit de buddyseat.
U kunt weer rijden.
89
TFTDISPLAY
05
ALGEMENE AANWIJZINGEN 92
PRINCIPE 93
SCHERMEN PURE EN URBAN 99
ALGEMENE INSTELLINGEN 100
BOORDCOMPUTER 102
BLUETOOTH 103
MIJN VOERTUIG 107
NAVIGATIE 110
MEDIA 112
TELEFOON 113
SOFTWAREVERSIE WEERGEVEN 114
LICENTIE-INFORMATIE WEERGEVEN 114
92 TFTDISPLAY
ALGEMENE AANWIJZINGEN
Waarschuwing
WAARSCHUWING
Bediening van een
smartphone tijdens het
rijden of bij draaiende motor
Gevaar voor ongevallen
Het geldige wegenverkeers-
reglement dient in acht ge-
nomen te worden.
Niet gebruiken (uitgezon-
derd bedieningsloze toepas-
singen, zoals bijv. telefonie
via het handsfree-systeem)
tijdens het rijden.
WAARSCHUWING
Afleiding van de verkeers-
situatie en verlies van de
controle
Gevaar voor ongevallen door
de bediening van geïnte-
greerde informatiesystemen
en communicatieapparaten
tijdens het rijden
Bedien deze systemen of
apparaten alleen als de ver-
keerssituatie het toelaat.
Stop indien nodig en bedien
de systemen of apparaten
terwijl u stilstaat.
Connectivity-functies
Connectivity-functies hebben
betrekking op de onderwer-
pen "Media", "Telefonie" en
"Navigatie". Connectivity-func-
ties kunt u gebruiken als het
TFTdisplay met een mobiel
eindapparaat en een helm ver-
bonden is ( 103). Meer in-
formatie over de Connectivity-
functies vindt u op: bmwmo-
torrad.com
Als de brandstoftank
zich tussen het mobiele
eindapparaat en het TFT-
display bevindt, kan de
Bluetooth-verbinding beperkt
zijn. BMW Motorrad adviseert
u het mobiele eindapparaat
boven de brandstoftank (bijv.
in een jaszak) op te bergen.
Afhankelijk van het mo-
biele eindapparaat kan de
omvang van de Connectivity-
functies beperkt zijn.
BMW Motorrad
Connected app
Met de BMW Motorrad Con-
nected app kan gebruiks- en
voertuiginformatie opgevraagd
worden. Voor het gebruik van
sommige functies, bijv. de navi-
gatie, moet de app op het mo-
biele eindapparaat geïnstalleerd
zijn en met het TFT-display ver-
93
bonden zijn. Met de app wordt
de routebegeleiding gestart en
de navigatie aangepast.
Bij sommige mobiele
eindapparaten, bijv. met
het besturingssysteem iOS,
moet voorafgaand aan het ge-
bruik de BMW Motorrad Con-
nected app worden geopend.
Actualiteit
Na de sluiting van de redac-
tie kan het TFT-display nog
bijgewerkt worden. Hierdoor
kunnen eventuele afwijkingen
tussen deze handleiding en uw
Scooter ontstaan. Bijgewerkte
informatie vindt u op: bmw-
motorrad.com
PRINCIPE
Bedieningselementen
Alle inhoud van het display kan
bediend worden via de multi-
controller en met de tuimel-1
toets MENU .2
Afhankelijk van de context zijn
de volgende functies mogelijk.
Functies van de multi-
controller
Multi-controller omhoog
draaien:
Cursor in lijsten omhoog be-
wegen.
Instellingen doorvoeren.
Volume hoger zetten.
Multi-controller omlaag
draaien:
Cursor in lijsten omlaag be-
wegen.
Instellingen doorvoeren.
Volume lager zetten.
Multi-controller naar links
drukken:
Functie overeenkomstig de
bedieningsterugkoppeling ac-
tiveren.
Functie naar links of terug ac-
tiveren.
Na de instellingen naar de
weergave Menu teruggaan.
In de weergave Menu: een ni-
veau in de hiërarchie omhoog
gaan.
In het menu Mijn voertuig:
een menupagina verder bla-
deren.
94 TFTDISPLAY
Multi-controller naar rechts
drukken:
Functie overeenkomstig de
bedieningsterugkoppeling ac-
tiveren.
Selectie bevestigen.
Instellingen bevestigen.
Een menustap verder blade-
ren.
In lijsten naar rechts scrollen.
In het menu Mijn voertuig:
een menupagina verder bla-
deren.
Functies van de
tuimeltoets MENU
Navigatieaanwijzingen
verschijnen als dialoog,
als het menu nietNavigatie
is opgeroepen. De bediening
van de tuimeltoets MENU is tij-
delijk beperkt.
MENU kort aan de bovenzijde
indrukken:
In de weergave Menu: een ni-
veau in de hiërarchie omhoog
gaan.
In de weergave Pure: weer-
gave voor statusregel bestuur-
dersinformatie wijzigen.
MENU lang aan de bovenzijde
indrukken:
In de menuweergave: weer-
gave Pure openen.
In de weergave Pure: voor de
bedieningsfocus overschake-
len op de Navigator.
MENU kort aan de onderzijde
indrukken:
Een niveau in de hiërarchie
omlaag gaan.
Geen functie als het onderste
niveau in de hiërarchie is be-
reikt.
MENU lang aan de onderzijde
indrukken:
Teruggaan naar het laatst ge-
opende menu, nadat eerst van
menu is gewisseld door de
tuimeltoets MENU lang aan de
bovenzijde ingedrukt te hou-
den.
Bedieningsaanwijzingen in het
hoofdmenu
Of er interacties mogelijk zijn
en welke er mogelijk zijn,
wordt weergegeven door
middel van bedieningsaanwij-
zingen.
95
Betekenis van de
bedieningsaanwijzingen:
Bedieningsaanwijzing : Het1
linker einde is bereikt.
Bedieningsaanwijzing : Er2
kan naar rechts worden ge-
bladerd.
Bedieningsaanwijzing : Er3
kan naar beneden worden ge-
bladerd.
Bedieningsaanwijzing : Er4
kan naar links worden gebla-
derd.
Bedieningsaanwijzing : Het5
rechter einde is bereikt.
Bedieningsaanwijzingen in
submenu's
Buiten de bedieningsaanwijzin-
gen in het hoofdmenu zijn er in
de submenu's nog meer bedie-
ningsaanwijzingen te vinden.
Betekenis van de
bedieningsaanwijzingen:
Bedieningsaanwijzing : De1
huidige weergave bevindt
zich in een hiërarchisch menu.
Een symbool geeft aan dat er
een submenuniveau is. Twee
symbolen duiden op twee of
meer submenuniveaus. Het
symbool geeft door middel
van een kleur aan of er terug-
gekeerd kan worden naar een
hoger niveau.
Bedieningsaanwijzing : Er2
kan nog een submenuniveau
worden opgeroepen.
Bedieningsaanwijzing : Er3
zijn meer items dan kunnen
worden weergegeven.
Weergave Pure weergeven
Tuimeltoets MENU lang aan
de bovenzijde indrukken.
96 TFTDISPLAY
Functies in- en uitschakelen
Voor sommige menupunten
staat een vakje. Het vakje laat
zien of de functie in- of uit-
geschakeld is. Actiesymbolen
achter de menupunten maken
duidelijk of de functie in- of uit-
geschakeld wordt als de Multi-
Controller naar rechts wordt
gedrukt.
Voorbeelden voor het uit- en
inschakelen:
Symbool geeft aan dat de1
functie uitgeschakeld is.
Symbool geeft aan dat de2
functie ingeschakeld is.
Symbool geeft aan dat de3
functie kan worden ingescha-
keld.
Symbool geeft aan dat de4
functie kan worden uitgescha-
keld.
Menu oproepen
Weergave Pure weergeven
( 95).
Toets kort aan de onder-2
zijde indrukken.
De volgende menu's kunnen
worden opgeroepen:
Mijn Motor
Navigatie
Media
Telefoon
Instellingen
Multi-controller meerdere1
keren kort naar rechts druk-
ken tot het gewenste menu-
punt is geselecteerd.
Toets kort aan de onder-2
zijde indrukken.
Het menu Instellin-
gen kan alleen in stilstand
worden opgeroepen.
97
Cursor in lijsten bewegen.
Menu oproepen ( 96).
Om de cursor in lijsten om-
laag te bewegen, de multi-
controller omlaag draaien1
tot de gewenste invoer is ge-
selecteerd.
Om de cursor in lijsten om-
hoog te bewegen, de multi-
controller omhoog draaien1
tot de gewenste invoer is ge-
selecteerd.
Selectie bevestigen
Gewenste invoer selecteren.
Multi-controller kort naar1
rechts drukken.
Laatst gebruikte menu
oproepen
In de weergave Pure: tuimel-
toets MENU onder lang in-
drukken.
Het laatst gebruikte menu
wordt opgeroepen. De laatst
gemarkeerde invoer is gese-
lecteerd.
Bedieningsfocus wijzigen
Als de Navigator aangesloten is,
kan er gewisseld worden tus-
sen de bediening met de Navi-
gator en met het TFTdisplay.
Bedieningsfocus wijzigen
met navigatiesysteem OA
Navigatiesysteem inbouwen
( 196).
Weergave Pure weergeven
( 95).
Tuimeltoets MENU lang aan
de bovenzijde indrukken.
Bedieningsfocus wisselt naar
de Navigator of naar het TFT-
display. Links in de bovenste
statusregel is het betreffende
actieve apparaat gemarkeerd.
Handelingen voor de bedie-
ning gebeuren met het betref-
fende actieve apparaat totdat
de bedieningsfocus opnieuw
wordt gewijzigd.
Navigatiesysteem bedienen.
( 197)
98 TFTDISPLAY
Weergave voor statusregel
bestuurdersinformatie
wijzigen
Voorwaarde
Het voertuig staat stil. Het
scherm Pure verschijnt.
Contact inschakelen ( 64).
Op het TFT-display wordt alle
informatie die voor het ge-
bruik op de openbare weg
nodig is door de boordcom-
puter beschikbaar gesteld. De
informatie kan in de bovenste
statusregel worden weerge-
geven.
Inhoud van de statusregel be-
stuurdersinformatie selecteren
( 98).
De toets lang indrukken1
om het scherm Pure weer te
geven.
De toets telkens kort in-1
drukken om de waarde in de
bovenste statusregel te se-2
lecteren.
De volgende waarden kunnen
worden weergegeven:
Kilometerteller Total
Dagteller 1
Dagteller 2
Verbruik 1 (doorsnede)
Verbruik 2 (doorsnede)
Rijtijd 1
Rijtijd 2
Pauzetijd 1
Pauzetijd 2
snelheid 1 (doorsnede)
snelheid 2 (doorsnede)
Actieradius
Brandstofpeil
Inhoud van de statusregel
bestuurdersinformatie
selecteren
Menu ,Instellingen
Weergave Inhoud,
statusregel oproepen.
Gewenste meldingen inscha-
kelen.
102 TFTDISPLAY
Helderheid instellen
Het menu ,Instellingen
Weergave Helderheid,
oproepen.
Helderheid instellen.
De helderheid van het display
wordt gedimd naar de inge-
stelde waarde als de omge-
vingshelderheid onder een
gedefinieerde drempelwaarde
komt.
Alle instellingen terugzetten
Alle instellingen in het menu
Instellingen kunnen
worden teruggezet op de
fabrieksinstellingen.
Menu op-Instellingen
roepen.
Alles terugzetten selec-
teren en bevestigen.
De instellingen van de volgende
menu's worden teruggezet:
Voertuiginstellingen
Systeeminstellingen
Verbindingen
Weergave
Informatie
Bestaande Bluetooth-verbin-
dingen worden niet gewist.
BOORDCOMPUTER
Boordcomputer oproepen
Menu oproe-Mijn Motor
pen.
Naar rechts bladeren totdat
het schermmenu BOORD-
COMPUTER verschijnt.
Boordcomputer terugzetten
met Connectivity SU
Boordcomputer oproepen
( 102).
Tuimeltoets MENU omlaag
drukken.
Alle waarden terugzet-
ten Afzond. waardenof
terugz. selecteren en be-
vestigen.
De volgende waarden kunnen
afzonderlijk worden teruggezet:
Pauze
Rit
Actueel TRIP 1( )
Snelheid
Verbr.
Tripboordcomputer oproepen
met Connectivity SU
Boordcomputer oproepen
( 102).
Naar rechts scrollen, totdat
het schermmenu REIS-
BOORDCOMP. verschijnt.
103
Tripboordcomputer
terugzetten
met Connectivity SU
Tripboordcomputer oproepen
( 102).
Tuimeltoets MENU omlaag
drukken.
Autom. terugzetten of
Alle waardes terugzet-
ten selecteren en bevestigen.
Als Autom. terugzet-
ten is geselecteerd, wordt de
tripboordcomputer automa-
tisch teruggezet, als er na het
uitschakelen van het contact
minstens 6 uur zijn verstreken
en de datum is veranderd.
BLUETOOTH
Draadloze technologie voor
korte afstanden
De Bluetooth-functie wordt
landafhankelijk evt. niet aan-
geboden.
Bij Bluetooth gaat het om een
radioverbinding voor nabij.
Bluetooth-apparaten zenden
als Short Range Devices (over-
dracht met beperkte reikwijdte)
uit op de licentievrije ISM-band
(Industrial, Scientific and Medi-
cal Band) tussen 2,402 GHz en
2,480 GHz. Ze mogen wereld-
wijd vergunningsvrij worden
gebruikt.
Hoewel Bluetooth bestemd is
om op korte afstand voor sta-
biele verbindingen te zorgen
zijn, zoals bij alle draadloze
technologieën, storingen mo-
gelijk. Verbindingen kunnen
worden verstoord, kortstondig
worden onderbroken of hele-
maal verloren gaan. Met name
wanneer meerdere apparaten
in een Bluetooth-netwerk wor-
den gebruikt, kan een onder
alle omstandigheden probleem-
loze verbinding niet worden
gegarandeerd.
Mogelijke storingsbronnen:
Interfererende velden door
zendmasten en dergelijke.
Apparaten met foutief geïm-
plementeerde Bluetooth-stan-
daard.
Voor Bluetooth geschikte ap-
paraten in de directe omge-
ving.
Bluetooth-koppeling
Voordat twee Bluetooth-appa-
raten een verbinding met elkaar
kunnen opbouwen, moeten ze
elkaar wederzijds hebben her-
kend. Deze procedure van we-
derzijdse herkenning noemt
men "Koppeling". Eenmaal her-
kende apparaten worden op-
geslagen, zodat de Bluetooth-
koppeling alleen bij het eerste
104 TFTDISPLAY
contact moet worden uitge-
voerd.
Bij sommige mobiele
eindapparaten, bijv. met
het besturingssysteem iOS,
moet voorafgaand aan het ge-
bruik de BMW Motorrad Con-
nected app worden geopend.
Bij de Bluetooth-koppeling
zoekt het TFT-display binnen
zijn ontvangstbereik naar an-
dere Bluetooth-apparaten. Op-
dat een tweede apparaat her-
kend kan worden, moet aan de
volgende voorwaarden worden
voldaan:
de Bluetooth-functie van het
apparaat moet geactiveerd
zijn
het apparaat moet voor an-
dere "zichtbaar" zijn
het apparaat moet als ontvan-
ger het A2DP-profiel onder-
steunen
andere voor Bluetooth ge-
schikte apparaten moeten uit-
geschakeld zijn (bijv. mobiele
telefoons en navigatiesyste-
men).
Raadpleeg de handleiding van
uw communicatiesysteem voor
de benodigde stappen.
Bluetooth-koppeling uitvoeren
Menu ,Instellingen
Verbindingen oproepen.
In het menu VERBINDINGEN
kunnen Bluetooth-verbindin-
gen worden geconfigureerd,
beheerd en gewist. De vol-
gende Bluetooth-verbindingen
worden weergegeven:
Mobiel apparaat
Best. helm
Pass. helm
De verbindingsstatus voor
mobiele eindapparaten wordt
weergegeven.
Mobiel eindapparaat
verbinden
Bluetooth-koppeling uitvoeren
( 104).
Bluetooth-functie van het mo-
biele eindapparaat activeren
(zie handleiding van het mo-
biele eindapparaat).
Mobiel apparaat selecte-
ren en bevestigen.
NIEUW MOB. APP. KOPP.
selecteren en bevestigen.
Er wordt naar mobiele eindap-
paraten gezocht.
Het Bluetooth-symbool
knippert tijdens de Blue-
tooth-koppeling in de onderste
statusregel.
Zichtbare mobiele eindappara-
ten worden weergegeven.
105
Mobiel eindapparaat selecte-
ren en bevestigen.
Aanwijzingen op het mobiele
eindapparaat opvolgen.
Bevestigen dat de codes over-
eenkomen.
De verbinding wordt gemaakt
en de verbindingsstatus geac-
tualiseerd.
Als de verbinding niet tot
stand wordt gebracht, kan de
storingstabel in het hoofdstuk
"Technische gegevens" u ver-
der helpen. ( 208)
Afhankelijk van het mobiele
eindapparaat worden tele-
foongegevens automatisch
naar het voertuig overgedra-
gen.
Telefoongegevens ( 114)
Als het telefoonboek niet
wordt weergegeven, kan de
storingstabel in het hoofdstuk
"Technische gegevens" u
verder helpen. ( 209)
Als de Bluetooth-verbinding
niet naar behoren werkt, kan
de storingstabel in het hoofd-
stuk "Technische gegevens" u
verder helpen. ( 209)
Bestuurdershelm en
duopassagiershelm verbinden
Bluetooth-koppeling uitvoeren
( 104).
Best. helm Pass.of
helm selecteren en bevesti-
gen.
Communicatiesysteem van de
helm zichtbaar maken.
NIEUWE BEST.HELM KOPP.
of NIEUWE PASS.HELM
KOPP. selecteren en bevesti-
gen.
Er wordt naar helmen gezocht.
Het Bluetooth-symbool
knippert tijdens de Blue-
tooth-koppeling in de onderste
statusregel.
Zichtbare helmen worden
weergegeven.
Helm selecteren en bevesti-
gen.
De verbinding wordt gemaakt
en de verbindingsstatus geac-
tualiseerd.
Als de verbinding niet tot
stand wordt gebracht, kan de
storingstabel in het hoofdstuk
"Technische gegevens" u ver-
der helpen. ( 208)
Als de Bluetooth-verbinding
niet naar behoren werkt, kan
de storingstabel in het hoofd-
stuk "Technische gegevens" u
verder helpen. ( 209)
106 TFTDISPLAY
Verbindingen wissen
Menu ,Instellingen
Verbindingen oproepen.
Verbindingen wissen
selecteren.
Om een specifieke verbinding
te wissen, verbinding selecte-
ren en bevestigen.
Om alle verbindingen te wis-
sen, Alle verbindingen
wissen selecteren en beves-
tigen.
107
MIJN VOERTUIG
Startscherm
1Check-Control-display
Weergave ( 43)
2Koelvloeistoftemperatuur
( 54)
3Actieradius ( 99)
4Onderhoudsmelding
( 60)
5Aantal gereden kilometers
voertuig
6Boordnetspanning
( 180)
7Oliepeilcontrole ( 54)
109
der dan een maand is of als de
volgende servicebeurt binnen
1000 km moet worden uit-
gevoerd, dan verschijnt er een
witte Check-Control-melding.
110 TFTDISPLAY
NAVIGATIE
Waarschuwing
WAARSCHUWING
Bediening van een
smartphone tijdens het
rijden of bij draaiende motor
Gevaar voor ongevallen
Het geldige wegenverkeers-
reglement dient in acht ge-
nomen te worden.
Niet gebruiken (uitgezon-
derd bedieningsloze toepas-
singen, zoals bijv. telefonie
via het handsfree-systeem)
tijdens het rijden.
WAARSCHUWING
Afleiding van de verkeers-
situatie en verlies van de
controle
Gevaar voor ongevallen door
de bediening van geïnte-
greerde informatiesystemen
en communicatieapparaten
tijdens het rijden
Bedien deze systemen of
apparaten alleen als de ver-
keerssituatie het toelaat.
Stop indien nodig en bedien
de systemen of apparaten
terwijl u stilstaat.
Voorwaarde
Het voertuig is via Bluetooth
met een compatibel mobiel
eindapparaat verbonden.
Op het verbonden mo-
biele eindapparaat is de
BMW Motorrad Connected App
geïnstalleerd.
Bij sommige mobiele
eindapparaten, bijv. met
het besturingssysteem iOS,
moet voorafgaand aan het ge-
bruik de BMW Motorrad Con-
nected app worden geopend.
Bestemmingsadres invoeren
Mobiel eindapparaat verbin-
den ( 104).
BMW Motorrad Connec-
ted App oproepen en
routebegeleiding starten.
Op het TFT-display menu
Navigatie oproepen.
Actieve routebegeleiding ver-
schijnt.
Als de actieve routebegelei-
ding niet wordt weergege-
ven, kan de storingstabel in
het hoofdstuk "Technische
gegevens" u verder helpen.
( 209)
111
Bestemming uit laatste
bestemmingen selecteren
Menu ,Navigatie Laat-
ste bestemmingen oproe-
pen.
Bestemming selecteren en
bevestigen.
Routebegeleiding star-
ten selecteren.
Bestemming uit favorieten
selecteren
Het menu FAVORIETEN
toont alle bestemmingen die
in de BMW Motorrad Connec-
ted App als favoriet zijn op-
geslagen. Op het TFTdisplay
kunnen geen nieuwe favorie-
ten worden aangemaakt.
Menu ,Navigatie Favo-
rieten oproepen.
Bestemming selecteren en
bevestigen.
Routebeg. starten selec-
teren.
Speciale bestemmingen
invoeren
Speciale bestemmingen, bijv.
bezienswaardigheden, kunnen
op de kaart worden weerge-
geven.
Menu ,Navigatie POIs
oproepen.
U kunt de volgende plaatsen
selecteren:
Op de standplaats
Op de plaats van be-
stem.
Langs de route
Selecteren op welke locatie
de speciale bestemmingen
worden gezocht.
U kunt bijv. de volgende speci-
ale bestemming selecteren:
Tankstation
Speciale bestemming selecte-
ren en bevestigen.
Routebegeleiding star-
ten selecteren en bevestigen.
Routecriteria vastleggen
Menu ,Navigatie Route-
criteria oproepen.
U kunt de volgende criteria se-
lecteren:
Soort route
Vermijdingen
Gewenste se-Soort route
lecteren.
Gewenste Vermijdingen
in- of uitschakelen.
Het aantal ingeschakelde ver-
mijdingen wordt weergegeven
tussen haakjes.
Routebegeleiding beëindigen
Menu ,Navigatie Ac-
tieve routebegeleiding
oproepen.
Routebegeleid. beëin-
digen selecteren en bevesti-
gen.
112 TFTDISPLAY
Gesproken aanwijzingen in-
of uitschakelen
Bestuurdershelm en duo-
passagiershelm verbinden
( 105).
De navigatie kan door een
computerstem worden voor-
gelezen. Daarvoor moeten de
Gesproken aanwijzingen
ingeschakeld zijn.
Menu ,Navigatie Ac-
tieve routebegeleiding
oproepen.
Gesproken aanwijzingen
in- of uitschakelen.
Laatste gesproken aanwijzing
herhalen
Menu ,Navigatie Ac-
tieve routebegeleiding
oproepen.
Actuele gespr. aanwij-
zing selecteren en bevesti-
gen.
MEDIA
Voorwaarde
Het voertuig is met een com-
patibel mobiel eindapparaat en
met een compatibele helm ver-
bonden.
Audioweergave aansturen
Menu oproepen.Media
BMW Motorrad adviseert
vóór het begin van de rit
het volume voor media en ge-
sprekken op het mobiele eind-
apparaat op maximaal te zet-
ten.
Volume instellen ( 100).
Volgende titel: Multi-Control-
ler kort naar rechts kante-1
len.
Laatste titel of begin van de
huidige titel: Multi-Control-
ler kort naar links kantelen.1
Snel vooruitspoelen: Multi-
Controller lang naar rechts1
kantelen.
Snel terugspoelen: Multi-Con-
troller lang naar links kan-1
telen.
Contextmenu oproepen:
toets omlaag drukken.2
Afhankelijk van het mo-
biele eindapparaat kan de
omvang van de Connectivity-
functies beperkt zijn.
113
In het contextmenu kunnen
de volgende functies worden
gebruikt:
Weergave starten of
Pauze.
Voor het zoeken en weerge-
ven de categorie Nu afge-
speeld Alle artiesten, ,
Alle albums Alle ti-of
tels selecteren.
Afspeellijsten selecte-
ren.
In het submenu Audio-in-
stellingen kunt u de vol-
gende instellingen configureren:
Willekeurig afspelen
in- of uitschakelen.
Herhalen Uit Eén: , (hui-
dige titel) of selecte-Alle
ren.
TELEFOON
Voorwaarde
Het voertuig is met een com-
patibel mobiel eindapparaat en
met een compatibele helm ver-
bonden.
Telefoneren
Menu oproepen.Telefoon
Oproep aannemen: Multi-
Controller naar rechts kan-1
telen.
Oproep weigeren: Multi-Con-
troller naar links kantelen.1
Gesprek beëindigen: Multi-
Controller naar links kante-1
len.
Mute-functie
Bij actieve gesprekken kan het
geluid van de microfoon in de
helm onderdrukt worden.
Gesprekken met meerdere
deelnemers
Tijdens een gesprek kan een
tweede oproep worden aan-
genomen. Het eerste gesprek
wordt in de wacht gezet. Het
aantal actieve oproepen wordt
in het menu weer-Telefoon
gegeven. Er kan tussen twee
gesprekken worden omgescha-
keld.
114 TFTDISPLAY
Telefoongegevens
Afhankelijk van het mobiele
eindapparaat worden na de
Bluetooth-koppeling ( 103)
telefoongegevens automatisch
naar het voertuig overgedra-
gen.
Telefoonboek: lijst met de
in het mobiele eindapparaat
opgeslagen contacten
Gesprekkenlijst: lijst van
oproepen met het mobiele
eindapparaat
Favorieten: lijst met de in
het mobiele eindapparaat op-
geslagen favorieten
SOFTWAREVERSIE WEERGE-
VEN
Menu ,Instellingen In-
formatie Softwarever-,
sie oproepen.
LICENTIE-INFORMATIE
WEERGEVEN
Menu ,Instellingen In-
formatie Licenties, op-
roepen.
115
DIEFSTALBEVEI-
LIGINGSINSTAL-
LATIE
06
OVERZICHT 118
ACTIVERING 118
ALARMFUNCTIE 121
DEACTIVERING 122
PROGRAMMERING 123
118 DIEFSTALBEVEILIGINGSINSTALLATIE
OVERZICHT
met alarmsysteem (DWA) SU
Algemene informatie over de
DWA
Elke poging de motorfiets te
bewegen, de stand te veran-
deren, hem onbevoegd te star-
ten of de accu los te maken
leidt tot het in werking treden
van het alarm. De gevoeligheid
van het systeem is zo ontwor-
pen, dat lichte schokken van
de motorfiets geen alarm acti-
veren. Iedere poging tot dief-
stal wordt na activering van het
systeem akoestisch door de si-
rene en optisch door synchroon
knipperen van de vier richting-
aanwijzers gesignaleerd.
Het gedrag van uw DWA kan
gedeeltelijk aan uw wensen
worden aangepast.
Bescherming van de accu
Ter bescherming van de accu
en ter behoud van de start-
capaciteit schakelt de geacti-
veerde DWA na enkele dagen
automatisch uit. Het blijft ech-
ter minstens tien dagen actief.
Radiografische storingen
Radiografische systemen of
apparaten die op dezelfde fre-
quentie zenden als de afstands-
bediening van de DWA, kunnen
de werking van de afstandsbe-
diening storen. Bij dergelijke
problemen de afstandsbedie-
ning uit een andere richting op
de motorfiets richten.
ACTIVERING
met alarmsysteem (DWA) SU
DWA activeren
Contact inschakelen ( 64).
DWA instellen ( 120).
zonder Keyless Ride SU
Contact uitschakelen.
Als het DWA is geactiveerd,
volgt een automatische ac-
tivering van het DWA na het
uitschakelen van het contact.
De activering vraagt circa
30 seconden.
Richtingaanwijzers knipperen
tweemaal.
Bevestigingstoon klinkt
tweemaal (indien geprogram-
meerd).
Alarmsysteem is actief.
119
met Keyless Ride SU
Contact uitschakelen.
Toets op de radiografische1
sleutel eenmaal indrukken.
De activering vraagt circa
30 seconden.
Richtingaanwijzers knipperen
tweemaal.
Bevestigingstoon klinkt
tweemaal (indien geprogram-
meerd).
Alarmsysteem is actief.
Om de bewegingssensor te
deactiveren (bijv. wanneer de
scooter met een trein wordt
getransporteerd en de sterke
bewegingen een alarm zou-
den kunnen activeren), drukt u
tijdens de activeringsfase op-
nieuw op de toets van de1
radiografische sleutel.
Richtingaanwijzers knipperen
driemaal.
Bevestigingstoon klinkt
driemaal (indien geprogram-
meerd).
Bewegingssensor is
gedeactiveerd.
Activering met Keyless Ride
met Keyless Ride SU
Het contact uitschakelen.
De toets van de radiografi-1
sche sleutel indrukken.
De activering vraagt circa
30 seconden.
De richtingaanwijzers knippe-
ren tweemaal.
De bevestigingstoon klinkt
tweemaal (indien geprogram-
meerd).
De diefstalbeveiligingsinstalla-
tie is actief.
120 DIEFSTALBEVEILIGINGSINSTALLATIE
Om de bewegingssensor te
deactiveren (bijv. als het voer-
tuig met een trein wordt ge-
transporteerd en de sterke
bewegingen een alarm kun-
nen activeren), de toets 1
op de radiografische sleutel
tijdens de activeringsfase op-
nieuw indrukken.
De richtingaanwijzers knippe-
ren driemaal.
De bevestigingstoon klinkt
driemaal (indien geprogram-
meerd).
De bewegingssensor is gede-
activeerd.
Bewegingssensor deactiveren
met Keyless Ride SU
Toets van de radiografi-1
sche sleutel tijdens de active-
ringsfase opnieuw indrukken.
Richtingaanwijzers knipperen
driemaal.
Bevestigingstoon klinkt
driemaal (indien geprogram-
meerd).
Bewegingssensor is gedeacti-
veerd.
DWA instellen
Voorwaarde
De Scooter staat stil.
Contact inschakelen.
SETUP selecteren ( 78).
Tuimeltoets MENU aan de bo-
venzijde zo vaak kort indruk-
ken tot wordtSETUP DWA
weergegeven.
121
Tuimeltoets MENU onder 2
kort indrukken om tussen
DWA ON DWA OFF3en over
te schakelen.
De volgende instellingen zijn
mogelijk:
DWA ON: DWA is geactiveerd
of wordt na het uitschakelen
van het contact automatisch
geactiveerd.
DWA OFF: DWA is gedeacti-
veerd.
Tuimeltoets MENU boven 1
lang indrukken om teSETUP
verlaten.
SETUP ENTER wordt weer-
gegeven.
met Connectivity SU
Contact inschakelen.
Menu ,Instellingen
Voertuiginstellingen,
Alarmsysteem oproepen.
De volgende instellingen zijn
mogelijk:
Waarsch.sign. aanpassen
Hellingssensor in- en
uitschakelen
Activatietoon in- en uit-
schakelen
Automatisch activeren
in- en uitschakelen
Programmeeropties
( 123)
ALARMFUNCTIE
met alarmsysteem (DWA) SU
Activering van het alarm
Het DWA-alarm kan worden
geactiveerd door:
Bewegingssensor
Opstarten met een onbe-
voegde sleutel
Loskoppeling van de DWA
van de voertuigaccu (DWA-
accu neemt de stroomvoor-
ziening over)
Alarmsignaal
Het DWA-alarm kan worden
geactiveerd door:
Bewegingssensor
Opstarten met een onbe-
voegde sleutel
Loskoppeling van de DWAvan
de accu (DWA-accu neemt
de stroomvoorziening over -
alleen alarmtoon, richtingaan-
wijzers knipperen niet)
Is de DWA-accu ontladen, dan
blijven alle functies behouden,
alleen de activering van het
alarm bij loskoppeling van de
accu is niet meer mogelijk.
122 DIEFSTALBEVEILIGINGSINSTALLATIE
De duur van het alarm bedraagt
circa 26 seconden. Tijdens het
alarm klinkt een alarmtoon en
knipperen de richtingaanwij-
zers. Het soort alarmtoon kan
door een BMW Motorrad Part-
ner worden ingesteld.
met Keyless Ride SU
Een geactiveerd alarm kan al-
tijd uitgeschakeld worden door
de toets op de radiografi-1
sche sleutel in te drukken, zon-
der dat het alarmsysteem hier-
bij wordt gedeactiveerd.
Als in afwezigheid van de be-
stuurder een alarm werd geac-
tiveerd, dan wordt hij hier bij
het inschakelen van het contact
door een eenmalige alarmtoon
op geattendeerd. Vervolgens
signaleert de DWA-lichtdiode
gedurende een minuut de re-
den voor het alarm.
Lichtsignalen van de DWA-
lichtdiode:
1x knipperen: Bewegingssen-
sor 1
2x knipperen: Bewegingssen-
sor 2
3x knipperen: Contact inge-
schakeld met onbevoegde
sleutel
4x knipperen: DWA losgekop-
peld van de voertuigaccu
5x knipperen: Bewegingssen-
sor 3
DEACTIVERING
met alarmsysteem (DWA) SU
Alarmfunctie deactiveren
Contact met een bevoegde
contactsleutel inschakelen.
met Keyless Ride SU
Toets op de radiografische1
sleutel eenmaal indrukken.
Als de alarmfunctie via
de radiografische sleu-
tel wordt gedeactiveerd en het
contact vervolgens niet wordt
ingeschakeld, wordt de alarm-
123
functie bij geprogrammeerde
"Activering na contact uit" na
30 seconden automatisch weer
actief.
Richtingaanwijzers knipperen
eenmaal.
Alarmtoon weerklinkt eenmaal
(indien geprogrammeerd).
Alarmfunctie is
gedeactiveerd.
PROGRAMMERING
met alarmsysteem (DWA) SU
Programmeeropties
Het alarmsysteem kan door uw
BMW Motorrad partner op de
volgende punten aan de indivi-
duele behoeften worden aan-
gepast:
Bevestigingsalarmtoon na het
activeren/deactiveren van het
DWA naast het oplichten van
de richtingaanwijzers.
Aanzwellende en afnemende
of incidentele alarmtoon.
met Connectivity SU
Het alarmsysteem kan in
het menu ,Instellingen
Voertuiginstellingen,
Alarmsysteem worden
aangepast.
Fabrieksinstellingen
Het alarmsysteem wordt met
de volgende fabrieksinstellin-
gen geleverd:
Bevestigingstoon na het ac-
tiveren/deactiveren van het
DWA: nee.
Alarmtoon: intermitterend.
132 RIJDEN
LET OP
Onverbrande brandstof in
de katalysator
Beschadiging van de katalysa-
tor
De aangegeven punten ter
bescherming van de kataly-
sator in acht nemen.
Gevaar voor oververhitting
LET OP
Langere tijd laten draaien
van de motor bij stilstand
Oververhitting door ontoe-
reikende koeling, in extreme
gevallen brand aan de motor-
fiets
De motor niet onnodig stati-
onair laten draaien.
Na het starten direct wegrij-
den.
Manipulaties
LET OP
Manipulaties aan de
Scooter (bijv. motor-
regeleenheid, gasklep,
koppeling)
Beschadiging van de betrof-
fen onderdelen, uitvallen vei-
ligheidsrelevante functies. Bij
schades die veroorzaakt zijn
door wijzigingen, vervalt de
garantie.
Geen manipulaties uitvoe-
ren.
CONTROLELIJST IN ACHT
NEMEN
De volgende controlelijst ge-
bruiken om uw motorfiets re-
gelmatig te controleren.
Voorwaarde
Voor het begin van elke rit:
Werking van het remsysteem
controleren.
Werking van de verlichting en
signaalinrichting controleren.
Bandenprofieldiepte controle-
ren ( 165).
Bandenspanning controleren
( 164).
Veilige bevestiging van top-
case en bagage controleren.
141
WAARSCHUWING
Weglekken van brandstof
door uitzetting bij warmte
en te ver gevulde brandstof-
tank
Kans op ongevallen
De benzinetank niet teveel
vullen.
LET OP
Brandstof op kunststof op-
pervlakken
Beschadiging van oppervlak-
ken (worden lelijk of dof)
Kunststof oppervlakken on-
middellijk na contact met
brandstof reinigen.
De motorfiets op de midden-
bok zetten en daarbij erop
letten dat de ondergrond vlak
en stevig is.
met Keyless Ride SU
Contact uitschakelen ( 66).
Na het uitschakelen van
het contact kan de tank-
dop binnen de vastgelegde ver-
tragingstijd worden geopend,
ook zonder radiografische sleu-
tel in het ontvangstgebied.
Nalooptijd voor openen
van de tankdop
2 min
De tankdop kan op 2 manie-
ren worden geopend:
Binnen de nalooptijd.
Na afloop van de nalooptijd.
VARIANT 1
met Keyless Ride SU
Voorwaarde
Binnen de nalooptijd
Nok van de tankdop lang-1
zaam omhoog trekken.
De tankdop ontgrendelt.
De tankdop geheel openen.
VARIANT 2
met Keyless Ride SU
Voorwaarde
Na afloop van de nalooptijd
Radiografische sleutel in ont-
vangstgebied brengen.
Nok langzaam naar boven1
trekken en weer loslaten.
Het controlelampje van de
radiografische sleutel knip-
pert, zo lang de radiografische
sleutel gezocht wordt.
149
WAARSCHUWING
Omhoog komen van het
achterwiel door krachtig
remmen
Kans op ongevallen
Houd er bij het remmen re-
kening mee dat de ABS-re-
geling niet in alle gevallen
kan voorkomen dat het ach-
terwiel omhoogkomt.
Hoe is de BMW Motorrad
ABS ontworpen?
De BMW Motorrad ABS ga-
randeert in het kader van de
rijfysica de rijstabiliteit op elke
ondergrond. Het systeem is
niet ontworpen voor speciale
eisen zoals die gelden voor
wedstrijdgebruik in het terrein
of op het circuit.
Bijzondere situaties
Voor het herkennen van de
blokkeerneiging worden o.a. de
toerentallen van het voor- en
achterwiel vergeleken. Indien
over een langere periode niet
aannemelijke waarden wor-
den herkend, wordt om veilig-
heidsredenen de ABS-functie
uitgeschakeld en een ABS-sto-
ring weergegeven. Voorwaarde
voor een storingsmelding is
een afgesloten zelfdiagnose.
Naast problemen aan het
BMW Motorrad ABS kunnen
ook ongebruikelijke rijsituaties
tot een storingsmelding leiden.
Ongebruikelijke rijmodi
Het achterwiel laten draaien
bij bediende voorwielrem
(burn out).
Gedurende een langere pe-
riode glijdend achterwiel op
gladde weg, bijv. bij het ver-
tragen met de remwerking
van de motor.
Indien vanwege een van de
hierboven beschreven rijsitu-
aties een storingsmelding ont-
staat, kan de ABS-functie door
het uit- en inschakelen van het
contact weer worden geacti-
veerd.
Welke rol speelt regelmatig
onderhoud?
WAARSCHUWING
Niet regelmatig onderhou-
den remsysteem
Gevaar voor ongevallen
Om er zeker van te zijn, dat
de staat van onderhoud van
het BMW Motorrad ABS op-
timaal is, moeten de voorge-
schreven onderhoudsinter-
vallen beslist worden aange-
houden.
150 TECHNIEK IN DETAIL
Reserves voor de veiligheid
Het BMW Motorrad ABS mag
niet verleiden tot een roeke-
loze rijstijl door te vertrouwen
op kortere remwegen. Dit is in
eerste instantie een veiligheids-
reserve voor noodsituaties.
Let op in de bochten! Het rem-
men in bochten is onderwor-
pen aan bijzondere rijfysieke
wetten die ook BMW Motorrad
ABS niet kan tegengaan.
AUTOMATISCHE STABILI-
TEITSCONTROLE (ASC)
Hoe werkt de ASC?
De BMW Motorrad ASC ver-
gelijkt de wielsnelheden van
het voor- en achterwiel. Uit
het snelheidsverschil worden
de slip en daarmee de stabili-
teitsreserves aan het achterwiel
berekend. Als een bepaalde
sliplimiet wordt overschreden,
wordt het motorkoppel door de
motorregeling aangepast.
Bijzondere situaties
Bij toenemende scheefstand
wordt het acceleratievermogen
overeenkomstig de natuurkun-
dige wetten steeds verder in-
geperkt. Bij zeer scherpe boch-
ten kan bij versnelling daardoor
een vertraging ontstaan.
Om een doordraaiend of weg-
glijdend achterwiel te herken-
nen worden onder andere de
toerentallen van voor- en ach-
terwiel vergeleken. Indien over
een langere periode niet aan-
nemelijke waarden worden her-
kend, wordt om veiligheidsre-
denen de ASC-functie uitge-
schakeld en een ASC-storing
weergegeven. Voorwaarde
voor een storingsmelding is
een afgesloten zelfdiagnose.
Als het voorwiel bij een ex-
treme acceleratie het contact
met de weg verliest, vermin-
dert de ASC het motorkoppel,
tot het voorwiel weer de weg
raakt.
BMW Motorrad raadt in dit ge-
val aan de gashendel iets terug
te draaien, om zo snel mogelijk
weer een stabiele rijtoestand te
bereiken.
Op een gladde ondergrond
moet de gashendel nooit plot-
seling volledig worden terug-
gedraaid. Het motorremkoppel
kan tot een blokkerend achter-
wiel en daarmee tot een insta-
biele rijtoestand leiden. Dit kan
door de BMW Motorrad ASC
niet gecontroleerd worden.
151
ONDERHOUD
10
154 ONDERHOUD
ALGEMENE AANWIJZINGEN
In het hoofdstuk "Onderhoud"
worden werkzaamheden voor
het controleren en vervangen
van slijtagedelen beschreven,
die eenvoudig zijn uit te voe-
ren.
Indien bij de montage rekening
moet worden gehouden met
speciale aanhaalkoppelwaar-
den, dan worden deze even-
eens vermeld. Een overzicht
van alle benodigde aanhaal-
koppelwaarden is te vinden
in het hoofdstuk "Technische
gegevens".
Informatie over verdergaande
onderhouds- en reparatiewerk-
zaamheden is terug te vinden
in de reparatiehandleiding van
uw voertuig op dvd die bij uw
BMW Motorrad Partner ver-
krijgbaar is.
Micro-ingekapselde bouten
De micro-inkapseling is een
chemische schroefdraadbor-
ging. Hierbij wordt door een
lijmstof een vaste verbinding
gemaakt tussen een schroef
en een moer of een onderdeel.
Micro-ingekapselde bouten zijn
daarom slechts geschikt voor
eenmalig gebruik.
Na het uitbouwen moet de lijm
uit de binnenschroefdraad wor-
den verwijderd. Bij het inbou-
wen moet een nieuwe micro-
ingekapselde bout worden ge-
bruikt. Daarom voor het uit-
bouwen waarborgen dat u be-
schikt over geschikt gereed-
schap voor het reinigen van
de schroefdraad en over een
vervangende bout. Bij een on-
deskundige bewerking kan de
borgingsfunctie van de schroef
niet meer gewaarborgd zijn,
waardoor u zichzelf in gevaar
brengt!
Voor het uitvoeren van een
aantal van de beschreven werk-
zaamheden zijn speciale ge-
reedschappen en een gedegen
vakkennis vereist. In geval van
twijfel contact opnemen met
een vakwerkplaats, bij voorkeur
een BMW Motorrad Partner.
155
STANDAARD GEREED-
SCHAPSSET
1 Haaksleutel
Veervoorspanning
achterwiel instellen
( 127).
2 Omkeerbare schroeven-
draaier
Kruiskop PH1 en Torx
T25
Bekledingspanelen uit-
bouwen.
Accudeksel demonteren
( 186).
3 Steeksleutel
Sleutelwijdte 10/16 mm
Accu uitbouwen
( 184).
4 Steeksleutel
Sleutelwijdte 14 mm
Spiegelarm instellen
( 126).
VOORWIELSTANDAARD
Voorwielstandaard
aanbrengen
Voorwaarde
De basisstandaard en zijn
accessoires zijn bij uw
BMW Motorrad dealer
verkrijgbaar.
De Scooter op de middenbok
plaatsen en erop letten dat de
ondergrond vlak en stevig is.
Basisstandaard met voorwiel-
bevestiging gebruiken.
De afstandsrubbers links1
en rechts op de weergegeven
positie inbouwen.
156 ONDERHOUD
De bevestigingsbouten 2
links en rechts losdraaien.
De bevestigingen links3
en rechts zo ver naar buiten
schuiven tot de voorwielgelei-
ding ertussen past.
De gewenste hoogte van de
voorwielstandaard met behulp
van de fixeerpennen links4
en rechts instellen.
De voorwielstandaard in het
midden van het voorwiel
plaatsen en tegen de vooras
schuiven.
De bevestigingen links en3
rechts zo uitrichten dat de
voorwielgeleiding goed erop
ligt.
De bevestigingsbouten 2
links en rechts aantrekken.
LET OP
Inklappen van de midden-
bok als de motorfiets te ver
omhoog wordt gebracht
Onderdeelschade door omval-
len
Bij het optillen erop letten
dat de middenbok op de
grond blijft.
Zo nodig de hoogte van de
voorwielstandaard aanpas-
sen.
De voorwielstandaard gelijk-
matig omlaag drukken om de
Scooter op te tillen.
Ervoor zorgen dat de Scooter
veilig staat.
157
MOTOROLIE
Motoroliepeil controleren
LET OP
Verkeerde interpretatie van
het oliepeil, omdat het olie-
peil temperatuurafhankelijk
is (des te hoger de tempe-
ratuur, des te hoger is het
oliepeil)
Motorschade
Het oliepeil na een langere
rit resp. bij warme motor
controleren.
Na het uitschakelen van de
motor 1 minuut wachten, tot-
dat het oliepeil kan worden
afgelezen.
De bedrijfswarme Scooter op
de middenbok plaatsen en
erop letten dat de ondergrond
vlak en stevig is.
De omgeving van de olievul-
opening reinigen.
LET OP
Omvallen van de motorfiets
Onderdeelschade door omval-
len
Ervoor zorgen dat de motor-
fiets niet kan omvallen, bij
voorkeur met ondersteuning
door een tweede persoon.
De oliepeilstok eruit1
draaien.
Het meetbereik van de2
oliepeilstok met een droge
doek reinigen.
158 ONDERHOUD
De oliepeilstok op de olievul-
opening aanbrengen, maar
niet erin draaien.
De oliepeilstok verwijderen en
het oliepeil aflezen.
Voorgeschreven motor-
oliepeil
Tussen - en -mar-MIN MAX
kering (Motor op bedrijfstem-
peratuur, oliepeilstaaf slechts
opleggen, niet erin schroe-
ven.)
Bij een oliepeil onder de -MIN
markering:
Motorolie tot het voorge-
schreven peil bijvullen.
Bijvulhoeveelheid motor-
olie
max 0,4 l (Verschil tussen
MIN MAXen )
Bij een oliepeil boven de
MAX-markering:
Het oliepeil bij een vakwerk-
plaats laten corrigeren, bij
voorkeur een BMW Motorrad
Partner.
De oliepeilstok erin draaien en
met de hand vastdraaien.
REMSYSTEEM
Remfunctie controleren
Rechter remhendel bedienen.
Er moet een duidelijk druk-
punt voelbaar zijn.
Remhendel links bedienen.
Er moet een duidelijk druk-
punt voelbaar zijn.
Zijn geen duidelijke drukpunten
merkbaar:
De remmen bij een specialist
laten controleren, bij voorkeur
bij een BMW Motorrad Part-
ner.
Remblokdikte, voor,
controleren
De Scooter neerzetten en
erop letten dat de ondergrond
vlak en stevig is.
159
Remblokdikte visueel con-
troleren. Stuur naar rechts
draaien.
Kijkrichting: vanaf de achter-
zijde op de remblokken .1
Stuur naar links draaien en
de remvoeringdikte aan de
rechterzijde op dezelfde wijze
controleren.
Slijtagegrens remvoe-
ring, voor
≥1 mm (Alleen remvoering
zonder rugplaat. Slijtagemar-
keringen (groeven) moeten
duidelijk zichtbaar zijn.)
Als de slijtagemarkeringen niet
meer duidelijk zichtbaar zijn:
WAARSCHUWING
Onderschrijden van de mi-
nimale remblokdikte
Verminderde remwerking,
beschadiging aan de remmen
Om de bedrijfszekerheid van
het remsysteem te waarbor-
gen mogen de remblokken
niet dunner worden dan de
minimaal toelaatbare dikte.
Remblokken door een speci-
alist laten vervangen, bij voor-
keur door een BMW Motorrad
Partner.
BMW Motorrad beveelt aan
alleen originele remblokken
van BMW Motorrad te monte-
ren.
Remvoeringdikte achter
controleren
De Scooter neerzetten en
erop letten dat de ondergrond
vlak en stevig is.
160 ONDERHOUD
Remblokdikte visueel contro-
leren. Kijkrichting: vanaf de
achterzijde op de remblok-
ken .1
Slijtagegrens remvoe-
ring, achter
min 1 mm (Alleen remvoering
zonder rugplaat. Groef in be-
dekkingsmateriaal markeert
de slijtagegrens.)
Als de slijtagemarkeringen zijn
bereikt:
WAARSCHUWING
Onderschrijden van de mi-
nimale remblokdikte
Verminderde remwerking,
beschadiging aan de remmen
Om de bedrijfszekerheid van
het remsysteem te waarbor-
gen mogen de remblokken
niet dunner worden dan de
minimaal toelaatbare dikte.
Remblokken door een speci-
alist laten vervangen, bij voor-
keur door een BMW Motorrad
Partner.
BMW Motorrad beveelt aan
alleen originele remblokken
van BMW Motorrad te monte-
ren.
161
Remvloeistofpeil voorwielrem
controleren
WAARSCHUWING
Te weinig of verontreinigde
remvloeistof in het remvloei-
stofreservoir
Duidelijk verminderd remver-
mogen door lucht, verontrei-
nigingen of water in het rem-
systeem
Onmiddellijk stoppen met
rijden totdat het defect ver-
holpen is.
Het remvloeistofpeil regel-
matig controleren.
De dop van het remvloei-
stofreservoir vóór het ope-
nen reinigen.
Alleen remvloeistof uit een
verzegelde flacon gebruiken.
De Scooter op de middenbok
plaatsen en erop letten dat de
ondergrond vlak en stevig is.
Het stuur zo uitrichten zetten,
dat het remvloeistofreservoir
horizontaal staat.
Remvloeistofpeil aflezen in
het inspectieglas van het1
remvloeistofreservoir rechts.
Door de slijtage van de
remblokken daalt het rem-
vloeistofpeil in het reservoir.
Remvloeistofpeil, voor
Remvloeistof, DOT4
Het remvloeistofpeil mag niet
onder de -markering ko-MIN
men. (Remvloeistofreservoir
horizontaal)
162 ONDERHOUD
Als het remvloeistofpeil tot on-
der het toegestane peil daalt:
Het defect zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Remvloeistofpeil
achterwielrem controleren
WAARSCHUWING
Te weinig of verontreinigde
remvloeistof in het remvloei-
stofreservoir
Duidelijk verminderd remver-
mogen door lucht, verontrei-
nigingen of water in het rem-
systeem
Onmiddellijk stoppen met
rijden totdat het defect ver-
holpen is.
Het remvloeistofpeil regel-
matig controleren.
De dop van het remvloei-
stofreservoir vóór het ope-
nen reinigen.
Alleen remvloeistof uit een
verzegelde flacon gebruiken.
De Scooter op de middenbok
plaatsen en erop letten dat de
ondergrond vlak en stevig is.
Het stuur zo uitrichten zetten,
dat het remvloeistofreservoir
horizontaal staat.
Remvloeistofpeil aflezen in
het inspectieglas van het1
remvloeistofreservoir links.
Door de slijtage van de
remblokken daalt het rem-
vloeistofpeil in het reservoir.
Remvloeistofpeil, achter
Remvloeistof, DOT4
Het remvloeistofpeil mag niet
onder de -markering ko-MIN
men. (Remvloeistofreservoir
horizontaal)
163
Als het remvloeistofpeil tot on-
der het toegestane peil daalt:
Het defect zo snel mogelijk
door een vakwerkplaats laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
KOELVLOEISTOF
Koelvloeistofpeil controleren
De Scooter op de middenbok
plaatsen en erop letten dat de
ondergrond vlak en stevig is.
Kijkrichting: Vanaf de voor-
zijde onder de frontbeplating.
Koelvloeistofpeil bij het koel-
vloeistofexpansiereservoir 1
aflezen.
Voorgeschreven koel-
vloeistofpeil in het ex-
pansiereservoir
Tussen - en -mar-MIN MAX
kering (Bij koude motor)
Als het koelvloeistofpeil tot on-
der het toegestane peil daalt:
Koelvloeistof bijvullen.
Koelvloeistof bijvullen
Kuipzijdeel uitbouwen
( 187).
Dop van het koelvloeistof-1
expansiereservoir openen en
koelmiddel tot de voorge-
schreven stand bijvullen.
Koelvloeistofpeil controleren
( 163).
164 ONDERHOUD
Dop van het koelvloeistof-1
expansiereservoir sluiten.
Kuipzijdeel inbouwen
( 187).
BANDEN
Bandenspanning controleren
WAARSCHUWING
Onjuiste bandenspanning.
Slechtere rijeigenschappen
van de Scooter. Slechter re-
gelgedrag van de ASC en kor-
tere levensduur van de ban-
den.
Zorg voor een correcte ban-
denspanning.
WAARSCHUWING
Zelfstandig openen van ver-
ticaal ingebouwde binnen-
ventielen bij hoge snelheden
Plotseling verlies van de ban-
denspanning
Ventieldopjes met rubber af-
dichting gebruiken en deze
goed vastschroeven.
De Scooter neerzetten en
erop letten dat de ondergrond
vlak en stevig is.
De bandenspanning aan
de hand van de volgende
gegevens controleren.
Bandenspanning voor
2,2 bar (Solo, bij koude ban-
den)
2,4 bar (Rijden met duo-
passagier met belading; bij
koude banden)
Bandenspanning achter
2,4 bar (Solo, bij koude ban-
den)
2,6 bar (Rijden met duo-
passagier met belading; bij
koude banden)
Als de bandenspanning te laag
is:
Bandenspanning corrigeren.
VELGEN EN BANDEN
Velgen controleren
De Scooter neerzetten en
erop letten dat de ondergrond
vlak en stevig is.
Velgen visueel op defecten
controleren.
Het koelvloeistofsysteem
door een specialist laten
controleren, best door een
BMW Motorrad Partner.
165
Bandenprofieldiepte
controleren
WAARSCHUWING
Rijden met sterk versleten
banden
Gevaar voor ongevallen door
verslechterd rijgedrag
Eventueel de banden vóór
het bereiken van de wet-
telijk voorgeschreven mini-
male profieldiepte vervan-
gen.
De Scooter neerzetten en
erop letten dat de ondergrond
vlak en stevig is.
Bandenprofieldiepte in de
hoofdprofielgroeven met slij-
tage-indicatoren meten.
Op elke band zijn slijtage-
markeringen in de hoofd-
profielgroeven geïntegreerd.
Indien de slijtagemarkeringen
zichtbaar zijn, is de band volle-
dig versleten. De posities van
de slijtagemarkeringen zijn op
de zijkant van de band aange-
geven, bijv. door de letters TI,
TWI of door een pijl.
Als de minimale profieldiepte is
bereikt:
Betreffende band(en) vervan-
gen.
WIELEN
Bandenadvies
Voor elke bandenmaat zijn
bepaalde bandenmerken door
BMW Motorrad getest, als
verkeersveilig beoordeeld en
goedgekeurd. Van andere
banden kan BMW Motorrad de
geschiktheid van het product
niet beoordelen en daarom niet
instaan voor de rijveiligheid.
BMW Motorrad adviseert, al-
leen banden te gebruiken, die
door BMW Motorrad zijn ge-
test en goedgekeurd.
Uitgebreide informatie vindt u
bij uw BMW Motorrad dealer
of op Internet:
bmw-motorrad.com
Invloed van de wielmaat op
het ABS
De wielmaat speelt bij een
ABS-systeem een belangrijke
rol. Met name de diameter en
breedte van de wielen zijn als
basis voor alle noodzakelijke
berekeningen in de regeleen-
heid opgeslagen. Een wijzi-
ging van deze maat door an-
dere wielen te monteren kan
ernstige gevolgen voor het re-
gelcomfort van het systeem
hebben.
Ook de voor de wieltoeren-
talherkenning benodigde sen-
167
Remblokken door draai-3
ende bewegingen van de
remklauw tegen de rem-4
schijf iets uit elkaar druk-5
ken.
Remklauwen naar achteren
en naar buiten toe voorzichtig
van de remschijven trekken.
De Scooter voor optillen
totdat het voorwiel vrij
draait, bij voorkeur met een
BMW Motorrad voorwielstan-
daard.
Voorwielstandaard aanbren-
gen ( 155).
De bout verwijderen.1
De klembout losdraaien.2
De klembout losdraaien.3
De steekas aan de linker-4
zijde iets naar binnen drukken,
om deze aan de rechterzijde
beter te kunnen vastpakken.
De steekas uitbouwen,4
hierbij het wiel ondersteunen.
LET OP
Onjuiste uitbouw van voor-
wiel
Beschadiging van wieltoeren-
talsensor
Bij het naar buiten rollen van
het voorwiel op de wieltoe-
rentalsensor letten.
Voorwiel naar voren rollen en
verwijderen.
168 ONDERHOUD
Voorwiel monteren
WAARSCHUWING
Gebruik van een niet stan-
daard wiel
Storingen bij regelingrepen
van ABS en ASC
Opmerkingen over de in-
vloed van de wielmaten op
de rijwielregelsystemen ABS
en ASC aan het begin van
dit hoofdstuk in acht nemen.
LET OP
Aantrekken van boutverbin-
dingen met verkeerd aan-
haalmoment
Beschadiging of loskomen
van boutverbindingen
Aanhaalmomenten altijd la-
ten controleren door een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Evt. afstandsbus aan de lin-5
kerzijde in de wielnaaf plaat-
sen.
LET OP
Voorwiel tegen de draai-
richting inbouwen
Gevaar voor ongevallen
De richtingspijlen op de
banden of de velgen in acht
nemen.
LET OP
Onjuiste inbouw van voor-
wiel
Beschadiging van wieltoeren-
talsensor
Bij het naar binnen rollen
van het voorwiel op de wiel-
toerentalsensor letten.
Het voorwiel in de voorwiel-
geleiding rollen.
169
De steekas smeren.4
Smeermiddel
Optimoly TA
Het voorwiel optillen, de stee-
kas inbouwen.4
De bout met het voorge-1
schreven koppel vastzetten.
De steekas daarbij aan de
rechterzijde tegenhouden.
Bout in steekas voor
32 Nm
De klembouten en met3 2
het voorgeschreven koppel
vastzetten.
Klembout (steekas) in
telescoopvork
19 Nm
De voorwielstandaard verwij-
deren.
Remklauw op de remschijf4
zetten, daarbij ervoor zorgen
dat de remschijf tussen de5
remblokken ingebouwd is.3
Remklauw aan de andere
zijde op dezelfde manier in-
bouwen.
170 ONDERHOUD
Bouten links en rechts erin2
draaien totdat de boutkop
contact maakt, maar niet
aantrekken.
Remmen meerdere keren be-
dienen tot remblokken aanlig-
gen, remhendel met rubber-
band vastzetten.
Bouten links en rechts met2
koppel aantrekken.
Remklauw op vorkpoot
32 Nm
Remleiding in de houders 1
bevestigen.
Remhendel losmaken.
Bouten links en rechts nog-2
maals met koppel natrekken.
Remklauw op vorkpoot
32 Nm
Bescherming op de velg ver-
wijderen.
Opmerking over het
verwijderen van het
achterwiel
Voor het verwijderen van het
achterwiel is specifieke kennis,
en deels speciaal gereedschap,
vereist. Als u niet zeker weet
of u deze werkzaamheden naar
behoren kunt uitvoeren, dient
u contact op te nemen met
een specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Achterwiel verwijderen
VOORZICHTIG
Hete motor en/of heet uit-
laatsysteem
Verbrandingsgevaar
Vóór aanvang van de werk-
zaamheden motor en uitlaat-
systeem eerst laten afkoelen.
De Scooter op de middenbok
plaatsen en erop letten dat de
ondergrond vlak en stevig is.
De gedeelten van de velg af-
plakken die kunnen worden
beschadigd.
173
De achterbrug losmaken,2
daarbij ervoor zorgen dat de
kabel van de wieltoerental-3
sensor niet wordt beschadigd.
De kabel van de wiel-3
toerentalsensor en de
remslang tussen de4
olievulpijp en het achter-5
spatbord doorvoeren.6
De kabel staat niet onder3
spanning.
De achterbrug wegleggen.2
Afstandsbus verwijderen.1
Achterwiel van uitgaande2
as lostrekken en verwijderen.
Achterwiel inbouwen
LET OP
Aantrekken van boutverbin-
dingen met verkeerd aan-
haalmoment
Beschadiging of loskomen
van boutverbindingen
Aanhaalmomenten altijd la-
ten controleren door een
specialist, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
Uitgaande as reinigen.
174 ONDERHOUD
Vertanding van de uitgaande
as smeren.
Smeermiddel
Pasta MP 3
Geen smeermiddel aanbren-
gen op de schroefdraad van
de uitgaande as.
Achterwiel op de uitgaande2
as schuiven en door draaien
in de vertanding te laten vast-
klikken.
De afstandsbus inbouwen.1
Achterbrug met bedra-2
ding voor wieltoerental-3
sensor en remslang terug-4
plaatsen.
Achterbrug aanbrengen, let2
daarbij op het correct plaat-
sen van de kabel voor de3
wieltoerentalsensor.
Bouten aanbrengen en met1
aanhaalmoment aantrekken.
Subframe rechts aan
aandrijfeenheidswing-
arm
38 Nm
176 ONDERHOUD
De houder van de remslang 5
aanbrengen, de bout mon-4
teren en met het voorgeschre-
ven koppel vastzetten.
Remslanghouder op
subframe
8 Nm
De remslang in de houder 3
bevestigen.
Het achterspatbord positio-2
neren.
De bouten monteren.1
Achterspatbord aan aan-
drijfeenheidswingarm
8 Nm
De achterwielrem met de
handhendel bedienen en de
handhendel met rubberband
vastzetten.
Het achterwiel kan niet
draaien.
De onderlegring aanbren-3
gen.
De moer monte-nieuwe 2
ren en met het voorgeschre-
ven koppel vastzetten.
Achterwiel op uitgaande
as
Boutborgmiddel: mechanisch
115 Nm
De afdekking aanbrengen.1
De rubberband van de achter-
wielrem verwijderen.
177
De afdichting in de uitlaat-
demper controleren, zo no-6
dig vernieuwen.
De uitlaatdemper op het6
uitlaatspruitstuk schuiven en
aanbrengen.
De bouten met de onder-5
legringen monteren en met
het voorgeschreven koppel
vastzetten.
Uitlaatdemper op sub-
frame
21 Nm
De bout van de klem3 4
met het voorgeschreven kop-
pel vastzetten.
Einddemper op uit-
laatspruitstuk
25 Nm
De bus evt. positioneren.7
De afdekking voor de uitlaat-
demper op de houders2
vasthaken.
De afdekking voor de uitlaat-
demper aanbrengen.2
De bout monteren.1
De plakstroken van de velg
verwijderen.
178 ONDERHOUD
ZEKERINGEN
Zekering verwijderen
Voorwaarde
De zekeringen bevinden zich
onder de accuklep op het
beenscherm.
LET OP
Overbrugging van defecte
zekeringen
Kortsluitings- en brandgevaar
Geen defecte zekeringen
overbruggen.
Defecte zekeringen vervan-
gen door nieuwe zekerin-
gen.
Contact uitschakelen.
Accudeksel demonteren
( 186).
Om de hoofdzekering te ver-
wijderen, zekering uit de1
zekeringenhouder trekken.
Om de zekering van de stek-
kerplaatsen 2 tot 7 te ver-
wijderen, vergrendelingen 2
indrukken en deksel van de3
zekeringenhouder verwijde-
ren.
Betreffende zekering uit de
zekeringenhouder trekken.
179
Zekering inbouwen
Defecte zekeringen uit de ze-
keringenhouder vervangen
door een zekering met de ver-
eiste stroomsterkte.
In het hoofdstuk "Tech-
nische gegevens" vindt u
een overzicht van de zekerin-
gen en de benodigde stroom-
sterkten. De getallen in de gra-
fiek komen overeen met de
nummers van de zekeringen.
Bij het regelmatig uitval-
len van de zekeringen de
elektrische installatie laten con-
troleren door een specialist, bij
voorkeur een BMW Motorrad
dealer.
Deksel plaatsen.3
De vergrendelingen klikken2
hoorbaar vast.
Defecte hoofdzekering 1
door een zekering met de
vereiste stroomsterkte ver-
vangen.
Hoofdzekering
30 A (Spanningsregelaar)
Accudeksel monteren
( 186).
180 ONDERHOUD
LAMPEN
LED-lamp
WAARSCHUWING
De motorfiets wordt niet
gezien in het wegverkeer
door uitvallen van de ver-
lichting van de motorfiets
Veiligheidsrisico
Een defecte gloeilamp zo
snel mogelijk vervangen.
Hiervoor contact opnemen
met een specialist, bij voor-
keur een BMW Motorrad
dealer.
Alle lampen van het voertuig
zijn LED-lampen. De LED-lam-
pen gaan langer mee dan de
aangenomen levensduur van
het voertuig. Bij een eventu-
eel defecte LED-lamp con-
tact opnemen met een vak-
werkplaats, bij voorkeur een
BMW Motorrad Partner.
ACCU
Onderhoudsaanwijzingen
Vakkundig onderhoud, lading
en opslag verlengen de levens-
duur van de accu en zijn een
voorwaarde voor eventuele ga-
rantieclaims.
Voor een lange levensduur van
de accu moeten de volgende
richtlijnen worden aangehou-
den:
De bovenzijde van de accu
goed schoon en droog hou-
den.
Voor het opladen van de accu
beslist de oplaadaanwijzingen
op de volgende pagina's in
acht nemen.
De accu niet ondersteboven
houden.
LET OP
Ontladen van de verbon-
den accu door de voertuige-
lektronica (bijvoorbeeld de
klok)
Diep ontladen van de accu,
daardoor geen aanspraak
meer op garantie
Als langer dan 4 weken niet
wordt gereden: Een drup-
pellader op de accu aanslui-
ten.
189
ACCESSOIRES
11
192 ACCESSOIRES
ALGEMENE AANWIJZINGEN
VOORZICHTIG
Gebruik van producten van
derden
Veiligheidsrisico
BMW Motorrad kan niet
voor ieder product dat door
derden wordt geleverd be-
oordelen of het zonder vei-
ligheidsrisico op BMW mo-
torfietsen kan worden ge-
monteerd. Deze garantie
wordt ook niet gegeven
wanneer in bepaalde landen
van overheidswege deze
toestemming wel is ver-
leend. Bij de in het kader
hiervan uitgevoerde tests
wordt niet altijd rekening
gehouden met alle moge-
lijke bedrijfsomstandigheden
van BMW motorfietsen en
deze zijn daarom niet altijd
voldoende.
Voor uw eigen veiligheid
vervangingsonderdelen en
accessoires gebruiken die
door BMW voor uw motor-
fiets zijn goedgekeurd.
De onderdelen en de acces-
soires van BMW worden gron-
dig gecontroleerd op veilig-
heid, functie en geschiktheid.
Voor deze producten aanvaardt
BMW de volledige productaan-
sprakelijkheid. Voor alle acces-
soires en onderdelen die niet
zijn goedgekeurd kan BMW
geen verantwoordelijkheid aan-
vaarden.
Bij het aanbrengen van techni-
sche wijzigingen de wettelijke
voorschriften in acht nemen.
Houdt u zich aan de officiële
typegoedkeuring.
Uw BMW Motorrad Partner
geeft deskundig advies bij de
keuze van originele BMW on-
derdelen, accessoires en ove-
rige producten.
Meer informatie over accessoi-
res onder:
bmw-motorrad.com/equip-
ment
CONTACTDOOS
Aanwijzingen voor het gebruik
van de contactdoos:
Aansluiting elektrische
apparaten
Op de contactdoos aangeslo-
ten apparatuur kan alleen bij
ingeschakeld contact worden
gebruikt.
Ligging van de bedrading
Bij de plaatsing van de bedra-
ding van de contactdoos naar
de extra apparaten, rekening
houden met het volgende:
193
Bedrading mag de berijder
niet hinderen.
Bedrading mag de stuuruit-
slag en de rijeigenschappen
niet beperken.
Bedrading mag niet worden
ingeklemd.
Automatische uitschakeling
De contactdoos wordt tijdens
de startprocedure automa-
tisch uitgeschakeld.
Uiterlijk 15 minuten na het
afzetten van het contact wor-
den deze uitgeschakeld om
het boordnet te ontlasten. Ex-
tra apparaten met ene laag
stroomverbruik worden mo-
gelijk niet herkend door de
voertuigelektronica. In deze
gevallen worden contactdozen
mogelijk al korte tijd na het
afzetten van de ontsteking uit-
geschakeld.
Bij te lage accuspanning
wordt de contactdoos
uitgeschakeld, om de startca-
paciteit voor het voertuig te
behouden.
Bij overschrijding van de
maximumbelasting zoals
vermeld in de technische
gegevens, wordt de contact-
doos uitgeschakeld.
USBLAADAANSLUITING
Aanwijzingen voor het gebruik:
Laadstroom
Het betreft een 5 V USBlaad-
aansluiting, die maximaal 2,4 A
laadstroom beschikbaar stelt.
Automatische uitschakeling
Onder de volgende omstandig-
heden worden de USBlaadaan-
sluitingen automatisch uitge-
schakeld:
Bij een te lage accuspanning,
om de startcapaciteit van het
voertuig te garanderen.
Bij overschrijding van de
maximumbelasting zoals
vermeld in de technische
gegevens.
Tijdens de startprocedure.
Aansluiting elektrische
apparaten
Op USBlaadaansluitingen aan-
gesloten apparatuur kan alleen
bij ingeschakeld contact wor-
den gebruikt. Uiterlijk 15 mi-
nuten na het afzetten van het
contact worden deze uitge-
schakeld om het boordnet te
ontlasten.
Om de aangesloten apparatuur
te beschermen, moet het appa-
raat wanneer in de regen wordt
gereden worden losgemaakt.
Wanneer geen apparatuur is
aangesloten moet het deksel
194 ACCESSOIRES
gesloten zijn, om vervuiling te
vermijden.
Ligging van de bedrading
Bij de kabelligging tussen US-
Blaadaansluitingen en acces-
soires op het volgende letten:
Kabels mogen de berijder niet
hinderen.
Bedrading mag de stuuruit-
slag en de rijeigenschappen
niet beperken.
Bedrading mag niet worden
ingeklemd.
TOPCASE
met topcase Light OA
Topcase openen
De sleutel in het topcase-
slot in de stand1 OPEN
draaien.
Het topcaseslot naar voren
duwen.
De topcasegreep springt2
omhoog.
Ontgrendelingshendel achter
de afdekking naar achteren3
trekken.
Het topcasedeksel springt
open.
Topcasedeksel openen.
195
Topcase sluiten
Controleren of de topcase-
greep is uitgeklapt.2
Topcasedeksel sluiten en
in de vergrendeling duwen.
Erop letten dat de inhoud niet
wordt ingeklemd.
Topcasegreep sluiten.2
Zo nodig de sleutel in het
topcaseslot in de stand
CLOSE draaien en verwijde-
ren.
Topcase verwijderen
De sleutel in het topcase-
slot in de stand1 OPEN
draaien.
Het topcaseslot naar voren
duwen.
De topcasegreep springt2
omhoog.
De sleutel in het topcase-
slot in de stand RELEASE
draaien.
Ontgrendelingshendel naar4
achteren trekken, tegelijk top-
case bij handgreep optillen.
Topcase naar achteren van
topcasehouder verwijderen.
196 ACCESSOIRES
Topcase monteren
Controleren of de topcase-
greep is uitgeklapt en of2
de sleutel zich in het topca-
seslot in de stand RELEASE
bevindt.
Topcase vooraan in de topca-
sehouder plaatsen.
Ontgrendelingshendel naar4
achteren trekken, tegelijk top-
case achter in de topcasehou-
der plaatsen.
Topcasegreep sluiten.2
Zo nodig de sleutel in het
topcaseslot in de stand
CLOSE draaien en verwijde-
ren.
Maximale lading en
maximumsnelheid
De maximale lading en de
maximumsnelheid in acht
nemen.
Voor de hier beschreven com-
binatie gelden de volgende
waarden:
Topsnelheid bij ritten
met beladen topcase
max 130 km/h
Maximale belading van
de topcase
max 5 kg
NAVIGATIESYSTEEM
Navigatiesysteem inbouwen
met navigatiesysteem OA
Navigatietoestel in bevesti-1
ging plaatsen.2
Navigatietoestel naar voren1
draaien en aan de bovenste
rand in de vergrendeling 3
duwen.
199
telefoonnummer voor thuis
(alleen weergegeven wanneer
een telefoon verbonden is).
Doorschakeling: Activeert de
doorschakelfunctie (alleen
weergegeven wanneer een
route actief is).
Overslaan: Slaat het volgende
waypoint over (alleen weerge-
geven wanneer de route over
waypoints beschikt).
Mijn motorfiets
Draaien: Verandert het aantal
getoonde gegevens.
Door het aantippen van een
gegevensveld op het display
wordt een menu geopend
voor het selecteren van de
gegevens.
De beschikbare waarden zijn
afhankelijk van de gemon-
teerde speciale uitvoeringen.
De functie Mediaplayer
is alleen beschikbaar bij
het gebruik van een Bluetooth-
apparaat volgens de A2DP-
standaard, bijvoorbeeld een
BMW Motorrad communicatie-
systeem.
Mediaplayer
Langdurige bediening naar
links: vorige titel afspelen.
Langdurige bediening naar
rechts: volgende titel afspelen.
Het draaien verhoogt of
vermindert het volume van
een via Bluetooth verbonden
BMW Motorrad communica-
tiesysteem.
VERZORGING
12
ONDERHOUDSMIDDELEN 202
WASSEN 202
REINIGING KWETSBARE VOERTUIGONDERDELEN 203
LAKONDERHOUD 204
CONSERVERING 205
SCOOTER BUITEN GEBRUIK STELLEN 205
SCOOTER IN GEBRUIK NEMEN 205
202 VERZORGING
ONDERHOUDSMIDDELEN
BMW Motorrad adviseert rei-
nigings- en onderhoudsmid-
delen te gebruiken die bij uw
BMW Motorrad Partner ver-
krijgbaar zijn. BMW Care Pro-
ducts zijn op materialen, in la-
boratoria en in de praktijk ge-
test en maken een optimale
verzorging en bescherming van
de op uw voertuig toegepaste
materialen mogelijk.
LET OP
Gebruik van ongeschikte
reinigings- en onderhouds-
middelen
Beschadiging van onderdelen
van de motorfiets
Geen oplosmiddelen zoals
nitroverdunner, koudreiniger,
brandstof e.d. of alcohol-
houdende middelen gebrui-
ken.
WASSEN
BMW Motorrad adviseert om
insecten en hardnekkige vervui-
lingen op gelakte onderdelen
vóór het wassen met BMW in-
sectenreiniger te behandelen.
Om vlekvorming te voorkomen
de motorfiets niet na sterke
zonnestraling of in de zon was-
sen.
Vooral tijdens de wintermaan-
den de motorfiets vaker was-
sen.
Om strooizout te verwijderen,
de Scooter na het beëindigen
van de rit direct met koud wa-
ter reinigen.
WAARSCHUWING
Vochtige remschijven en
remblokken na het wassen
van de motorfiets, na het rij-
den door water of bij regen
Verminderde remwerking,
gevaar voor ongevallen
Vroegtijdig remmen tot de
remschijven en -blokken zijn
gedroogd of drooggeremd.
LET OP
Sterkere inwerking van het
zout door warm water
Corrosie
Bij het verwijderen van
strooizout alleen koud water
gebruiken.
203
LET OP
Beschadigingen door hoge
waterdruk van hogedrukrei-
nigers of stoomreinigers
Corrosie of kortsluiting, be-
schadigingen aan stickers,
aan afdichtingen, aan het hy-
draulisch remsysteem, aan de
elektronica en aan de buddy-
seat
Hogedruk- of stoomreini-
gers voorzichtig gebruiken.
REINIGING KWETSBARE
VOERTUIGONDERDELEN
Kunststoffen
LET OP
Gebruik ongeschikte reini-
gingsmiddelen
Beschadiging van kunststof
oppervlakken
Geen reinigingsmiddelen
met alcohol of oplosmidde-
len, of schurende reinigings-
middelen gebruiken.
Geen insectensponzen of
sponzen met een hard op-
pervlak gebruiken.
Kuipdelen
Bekledingspanelen met water
en BMW Motorrad reinigings-
middel reinigen.
Kuipruiten en lampglazen van
kunststof
Verwijder vuil en insecten met
een zachte spons en veel wa-
ter.
Hardnekkig vuil en insec-
ten inweken door er een
natte doek op te leggen.
TFT-display
Het TFT-display met warm wa-
ter en afwasmiddel reinigen.
Aansluitend met een schone
doek, bijvoorbeeld met een
stuk papier, afdrogen.
Chroom
Chroomdelen zorgvuldig met
ruim water en motorfietsreini-
gingsmiddel uit de verzorgings-
lijn BMW Motorrad Care Pro-
ducts reinigen. Dit geldt met
name na contact met strooi-
zout.
Gebruik voor een extra behan-
deling BMW Motorrad metaal-
polijstmiddel.
205
CONSERVERING
Als er geen water meer van de
lak afparelt, moet deze worden
geconserveerd.
BMW Motorrad adviseert
om voor lakconservering
BMW Motorrad glanspo-
lijstmiddel of producten te
gebruiken die Carnaubawas of
synthetische was bevatten.
SCOOTER BUITEN GEBRUIK
STELLEN
Scooter reinigen.
De Scooter volledig aftanken
en zo nodig brandstofadditief
toevoegen. BMW Motorrad
adviseert het gebruik van
ADVANTEC Protect Origi-
nal BMW Fuel Additive om
de brandstof te beschermen
tegen veroudering.
Accu uitbouwen ( 184).
De draaipunten van de rem-
hendel, middenbok en zij-
standaard met een geschikt
smeermiddel inspuiten.
Blanke en verchroomde on-
derdelen met zuurvrij vet (va-
seline) conserveren.
Scooter in droge ruimte zo
neerzetten, dat beide wielen
ontlast zijn.
SCOOTER IN GEBRUIK NE-
MEN
De aangebrachte conserve-
ringslaag verwijderen.
Scooter reinigen.
Accu inbouwen ( 185).
Controlelijst ( 132).
TECHNISCHE
GEGEVENS
13
208 TECHNISCHE GEGEVENS
STORINGSTABEL
Motor slaat niet of pas na doorstarten aan.
Oorzaak Verhelpen
Zijstandaard uitgezet Zijstandaard inklappen.
Starten zonder bedienen van
de remmen
Bij het starten een remhendel
bedienen.
BMW flexcase open BMW flexcase sluiten.
Benzinetank leeg Tanken.
Accu leeg Batterij opladen ( 182).
Bluetooth-verbinding wordt niet tot stand gebracht.
Oorzaak Verhelpen
Benodigde stappen voor de
Bluetooth-koppeling zijn niet
uitgevoerd.
Lees in de handleiding van het
communicatiesysteem welke
stappen noodzakelijk zijn voor
de Bluetooth-koppeling.
Communicatiesysteem wordt
ondanks geslaagde Bluetooth-
koppeling niet automatisch
verbonden.
Het communicatiesysteem van
de helm uitschakelen en na
een tot twee minuten opnieuw
verbinden.
In de helm zijn te veel Blue-
tooth-apparaten opgeslagen.
Alle Bluetooth-koppelingsge-
gevens in helm wissen (zie
handleiding van het commu-
nicatiesysteem).
Er zijn nog meer voertuigen
in de buurt met apparaten die
geschikt zijn voor Bluetooth.
Gelijktijdige Bluetooth-koppe-
ling met meerdere voertuigen
vermijden.
209
Storing van de Bluetooth-verbinding.
Oorzaak Verhelpen
De Bluetooth-verbinding met
het mobiele eindapparaat
wordt onderbroken.
Energiespaarstand uitschake-
len.
De Bluetooth-verbinding met
de helm wordt onderbroken.
Het communicatiesysteem van
de helm uitschakelen en na
een tot twee minuten opnieuw
verbinden.
Het volume in de helm kan
niet worden ingesteld.
Het communicatiesysteem van
de helm uitschakelen en na
een tot twee minuten opnieuw
verbinden.
Telefoonboek wordt niet op het TFT-display weergegeven.
Oorzaak Verhelpen
Het telefoonboek is nog niet
aan het voertuig overgedragen.
Bij de Bluetooth-koppeling
op het mobiele eindapparaat
moet u de overdracht van de
telefoongegevens ( 114)
bevestigen.
Actieve routebegeleiding wordt niet op het TFT-display weerge-
geven.
Oorzaak Verhelpen
Navigatie uit de
BMW Motorrad Connec-
ted app is niet overgedragen.
Voordat u gaat rijden de
BMW Motorrad Connec-
ted app op het verbonden
mobiele eindapparaat openen.
De routebegeleiding kan niet
worden gestart.
Ervoor zorgen dat het mobiele
eindapparaat een gegevensver-
binding heeft en het kaartma-
teriaal op het mobiele eindap-
paraat controleren.
210 TECHNISCHE GEGEVENS
ASC regelt zonder behoefte, te vaak of te vroeg.
Oorzaak Verhelpen
Bandenspanning voor en ach-
ter niet voldoende; banden-
spanning of belading gewijzigd
Bandenspanning controleren
( 164).
Geen tractie op zeer losse
ondergrond (bijv. zand of
sneeuw)
ASC bij het rijden over ex-
treem slecht wegdek uitscha-
kelen ( ??).

Termékspecifikációk

Márka: BMW
Kategória: Motor
Modell: C 400 X (2020)

Szüksége van segítségre?

Ha segítségre van szüksége BMW C 400 X (2020), tegyen fel kérdést alább, és más felhasználók válaszolnak Önnek




Útmutatók Motor BMW

Útmutatók Motor

Legújabb útmutatók Motor